Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK0090

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-10-2009
Datum publicatie
14-10-2009
Zaaknummer
200906647/2/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 juli 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen (hierna: het college), voor zover thans van belang, met toepassing van artikel 8.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer alsnog voorschriften inzake laagfrequent geluid aan de op 18 december 2007 aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ProRail B.V. (hierna: ProRail) verleende vergunning voor een spoorwegemplacement aan het Stationsplein 4 te Groningen verbonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200906647/2/M1.

Datum uitspraak: 6 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ProRail B.V., gevestigd te Zwolle,

verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 juli 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen (hierna: het college), voor zover thans van belang, met toepassing van artikel 8.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer alsnog voorschriften inzake laagfrequent geluid aan de op 18 december 2007 aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ProRail B.V. (hierna: ProRail) verleende vergunning voor een spoorwegemplacement aan het Stationsplein 4 te Groningen verbonden.

Tegen dit besluit heeft ProRail bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 augustus 2009, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 augustus 2009, heeft ProRail de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 september 2009, waar ProRail, vertegenwoordigd door mr. E. Broeren, advocaat te Breda, T.R. de Groot, J.I.J.M. Lafeber en D. Deelstra, en het college van burgemeester en wethouders van Groningen, vertegenwoordigd door mr. W. Steur en S.H. Boonstra, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het verzoek betreft de voorschriften 3.1.1 tot en met 3.1.6.

Ingevolge voorschrift 3.1.1 dienen binnen zes maanden na de inwerkingtreding van deze vergunning zodanige maatregelen genomen te worden dat de niveaus betreffende het Laagfrequent geluid (LFG) zoals omschreven in voorschrift 3.1.2 (lees 3.1.3) niet worden overschreden.

Ingevolge voorschrift 3.1.3 mag laagfrequent geluid (LFG), veroorzaakt door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, in de nabijgelegen woningen, niet meer bedragen dan de in onderstaande tabel genoemde waarden.

Deze bedragen 74, 63, 60, 59, 58, 52, 53 en 52 als grenswaarde voor het Leq ongewogen in dB(Z) voor respectievelijk tertsbandmiddenfrequentie in Hz [dB(Z)] 20, 25, 31,5, 40, 50, 63, 80 en 100. Dit betekent dat er geen bedrijfsduurcorrectie plaatsvindt op de gemeten niveaus en dat er geen onderscheid is in de dag-, avond- en nachtnorm.

2.3. Sinds de invoering van de nieuwe Stadler treinen in januari 2007 werd er door omwonenden van het emplacement geklaagd over een doordringend geluid dat deze treinen bij stilstand produceren. Naar aanleiding van deze klachten van omwonenden is bij deze treinen de software aangepast om het toerental bij stationair draaien te verhogen. Ook is het logistieke proces aangepast. Dit leidde tot een verbetering, maar in december 2008 nam het aantal klachten weer toe. Daarom heeft het college Stroop raadgevende ingenieurs B.V. (hierna: Stroop) een akoestisch onderzoek laten verrichten naar laagfrequent geluid vanwege de Stadler treinen. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft het college voorschriften ten aanzien van laagfrequent geluid opgenomen. In reactie hierop heeft ProRail laten weten dat de software van het materieel is aangepast, zodat na tien minuten stationair draaien (bij stilstand) de eerste motor uitgeschakeld wordt en na veertig minuten de tweede motoer. Ook wordt tijdens het rangeren een motor uitgeschakeld.

2.4. ProRail voert aan dat zij een spoedeisend belang heeft bij het niet in werking treden van het besluit van 16 juli 2009, omdat zij ingevolge voorschrift 3.1.1 binnen zes maanden na de inwerkingtreding ervan zodanige maatregelen dient te nemen dat de niveaus betreffende het laagfrequent geluid als omschreven in voorschrift 3.1.3 niet worden overschreden.

ProRail voert aan dat uit het rapport van Stroop van 6 april 2009 niet blijkt hoe de metingen zijn verricht, zodat deze niet controleerbaar zijn. ProRail voert aan dat niet duidelijk is welke norm moet worden gesteld ter voorkoming van klachten. Ook voert zij aan dat slechts in drie woningen is gemeten, terwijl voorschrift 3.1.3 betrekking heeft op de hele inrichting. Het is tevens niet duidelijk welke activiteiten, op welke locaties, precies zijn gemeten, aldus ProRail.

2.5. Het college voert aan dat het zelf de meest geschikte beoordelingscriteria kan kiezen, gelet op de beoordelingsvrijheid die het bezit. Bij het vaststellen van deze criteria heeft het college de belangen van ProRail betrokken. Het college stelt dat zich ernstige hinder voordoet. De gestelde termijn is volgens het college voldoende. Het college voert aan dat niet alle Stadler treinen de gestelde norm overschrijden. Volgens het college kan de grenswaarde derhalve worden nageleefd. Volgens het college zijn de metingen uitgevoerd conform de richtlijn laagfrequent geluid van de Nederlandse Stichting Geluidhinder (hierna: NSG). Volgens het college blijkt uit de bijlagen bij het rapport welke activiteiten zijn gemeten, wat de bedrijfsduur van de metingen was, wat de bijdrage van de treinen was die de overschrijdingen veroorzaken en welke minimale en maximale waarden zijn vastgesteld. Het college heeft in het verweerschrift vermeld welke apparatuur gebruikt is, dat deze is gekalibreerd, dat de metingen zijn uitgevoerd bij rustige weersomstandigheden en dat de ramen en deuren gesloten waren.

2.6. De voorzitter stelt vast dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat tijdens de metingen op 24 en 25 februari 2009 door Stroop het achtergrondniveau en het niveau van een passerende trein is gemeten. In de voorschriften is het hoogste niveau van de NSG-curve, de Duitse Norm, het achtergrondniveau en het niveau van een passerende trein als grenswaarde gesteld. De vraag of met deze waarden hinder vanwege laagfrequent geluid in dit geval voldoende kan worden beperkt, leent zich niet voor de beantwoording in deze procedure.

Ter zitting heeft het college vermeld dat de metingen zijn uitgevoerd conform de richtlijn laagfrequent geluid van NSG. De voorzitter acht dit aannemelijk.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de overschrijdingen per treinstel verschillen en dat niet alle Stadler treinen de gestelde grenswaarden overschrijden. ProRail noch het college kan deze verschillen verklaren.

Uit het rapport van Stroop wordt niet duidelijk wanneer een passerende trein tot de inrichting kan worden gerekend en wanneer deze tot het doorgaande treinverkeer moet worden gerekend.

Voorschrift 3.1.3 heeft betrekking op de gehele inrichting. Het onderzoek van Stroop heeft echter slechts betrekking op de Stadler treinen. Ook is er slechts in enkele huizen gemeten.

De voorzitter concludeert dat het onduidelijk is waarom sommige treinstellen de gestelde grenswaarde wel overschrijden en andere niet. Ook stelt dat voorzitter vast dat uit het onderzoek, dat betrekking heeft op de Stadler treinen, geen conclusies getrokken kunnen worden voor de overige activiteiten van de inrichting, terwijl voorschrift 3.1.3 daar wel op ziet. Naar verwachting kan de hoofdzaak op korte termijn behandeld worden. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter, in afweging van de betrokken belangen, aanleiding ten aanzien van de voorschriften 3.1.1 en 3.1.3 de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

Gelet op de samenhang met de overige voorschriften, bestaat aanleiding ook ten aanzien van de voorschriften 3.1.2 en 3.1.4 tot en met 3.1.6 een hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.7. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Groningen van 16 juli 2009, kenmerk MD 09.1949203, voor zover het de voorschriften 3.1.1 tot en met 3.1.6 betreft;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Groningen tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ProRail B.V. in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 684,59 (zegge: zeshonderdvierentachtig euro en negenenvijftig cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Groningen aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ProRail B.V. het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A. Bijleveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Bijleveld

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2009

433.