Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ9893

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-09-2009
Datum publicatie
12-10-2009
Zaaknummer
200707852/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erkenning van vluchtelingschap / beoordeling toelating als vluchteling / toetsing

In lijn met eerdere jurisprudentie (onder meer de uitspraak van de Afdeling van 19 juli 2006 in zaak nr. 200603150/1; JV 2006/330) geldt dat het declaratoire karakter van de erkenning van vluchtelingschap onverlet laat dat de staat alwaar de vreemdeling zijn toevlucht heeft gezocht, bij de beoordeling of de vreemdeling voor toelating in aanmerking komt aan de hand van de criteria van artikel 1(A) van het Verdrag dient te toetsen of de vreemdeling op het moment van het nemen van het besluit op de aanvraag voor een vergunning als thans aan de orde bij terugkeer naar het land van herkomst aldaar heeft te vrezen voor vluchtelingrechtelijke vervolging. Aan toetsing van artikel 1(C) van het Verdrag wordt bij die beoordeling niet toegekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707852/1/V2.

Datum uitspraak: 30 september 2009

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 11 oktober 2007 in zaak nr. 06/26133 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2006 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 11 oktober 2007, verzonden op 16 oktober 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 9 november 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 29 september 2008 heeft de staatssecretaris een nader stuk ingediend.

Bij brieven van 29 en 30 september 2008 heeft de vreemdeling dit gedaan.

De Afdeling heeft de zaak, gevoegd met zaak nr. 200707802/1/V2, ter zitting behandeld op 2 oktober 2008, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.M.J.M. Louwerse, advocaat te Amsterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A. van Blankenstein, advocaat te 's-Gravenhage, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28, afgewezen, indien de vreemdeling reeds rechtmatig verblijf heeft, als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e of l.

2.1.1. De staatssecretaris betoogt dat de vreemdeling geen belang heeft bij het hoger beroep, omdat dit niet kan leiden tot het daarmee door de vreemdeling beoogde resultaat, namelijk dat aan hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd zal worden verleend. Hiertoe voert de staatssecretaris aan dat de vreemdeling reeds rechtmatig verblijf in de zin van artikel 30, aanhef en onder b, van de Vw 2000 heeft, omdat bij besluit van 3 juli 2008 aan hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend.

2.1.2. Bij besluit van 3 juli 2008 is naar aanleiding van een aanvraag van de vreemdeling daartoe aan hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verblijf vanwege medische noodsituatie voor de duur van één jaar met ingang van 11 juni 2008 verleend. Gesteld noch gebleken is dat deze verblijfsvergunning na afloop van de duur is verlengd. Er is daarom geen grond om aan te nemen dat er thans sprake is van rechtmatig verblijf zoals bedoeld in artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Anders dan de staatssecretaris heeft betoogd, is er dan ook in zoverre geen grond voor de conclusie dat het hoger beroep van de vreemdeling, aangezien hem na vernietiging van de aangevallen uitspraak en van het besluit van 2 mei 2006 op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend, niet kan leiden tot het ermee beoogde resultaat. De vreemdeling heeft derhalve belang bij de beoordeling van het door hem ingestelde hoger beroep.

2.2. In de grieven klaagt de vreemdeling, samengevat en zakelijk weergegeven, onder meer dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister terecht geen aanknopingspunten heeft gezien om de vreemdeling op grond van problemen wegens zijn politieke overtuiging dan wel op grond van discriminatie wegens zijn Russische etniciteit aan te merken als vluchteling zoals bedoeld in het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967, (hierna: het Verdrag) en dat om die reden de stelling van de vreemdeling omtrent de cessation clauses van artikel 1(C) van het Verdrag faalt. De vreemdeling betoogt dat de rechtbank aldus heeft miskend dat de erkenning als vluchteling declaratoir van aard is en dat het feit dat na het vertrek van de vreemdeling uit het land van herkomst aldaar een machtswisseling heeft plaatsgevonden daar niet aan af kan doen, zeker niet nu uit diverse bronnen naar voren komt dat de veiligheidssituatie in Kirgizië nadien niet stabiel is en dat de situatie voor etnische Russen verder verslechtert. Bovendien, zo betoogt de vreemdeling, heeft de rechtbank verzuimd bij de beoordeling van het beroep te betrekken dat hij tevergeefs heeft geprobeerd bescherming van de autoriteiten in het land van herkomst in te roepen. Ook gaat de rechtbank ten onrechte voorbij aan het cumulatieve effect van de verschillende gebeurtenissen, zo stelt de vreemdeling, en treedt de rechtbank volgens hem buiten de omvang van het geschil door de omstandigheden rond het vertrek uit het land van herkomst bij de beoordeling van het beroep te betrekken. De vreemdeling verwijst in zijn betoog in dit kader naar het Handbook on procedures and criteria for determining refugee status under the 1951 Convention and the 1967 Protocol relating to the Status of Refugees (hierna: het Handbook) van de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: de UNHCR) en de Guidelines on the Application of the Exclusion Clauses (hierna: de Guidelines) van de UNHCR.

2.2.1. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder k en l, van die wet, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28, worden verleend aan de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Verdrag en op wie de bepalingen ervan van toepassing zijn.

Ingevolge artikel 1(A), onder 2, van het Verdrag geldt voor de toepassing hiervan als vluchteling elke persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

Ingevolge artikel 1(C), aanhef en onder 5, van het Verdrag houdt dit verdrag op van toepassing te zijn op elke persoon die valt onder bepalingen van afdeling A, indien hij niet langer kan blijven weigeren de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, in te roepen, omdat de omstandigheden in verband waarmee hij was erkend als vluchteling, hebben opgehouden te bestaan; met dien verstande echter, dat dit niet van toepassing is op een vluchteling die onder lid 1 van afdeling A van dit artikel valt en die dwingende redenen, voortvloeiende uit een vroegere vervolging, kan aanvoeren om te weigeren de bescherming van het land, waarvan hij de nationaliteit bezit, in te roepen.

2.2.2. In lijn met eerdere jurisprudentie (onder meer de uitspraak van de Afdeling van 19 juli 2006 in zaak nr. 200603150/1; JV 2006/330) geldt dat het declaratoire karakter van de erkenning van vluchtelingschap onverlet laat dat de staat alwaar de vreemdeling zijn toevlucht heeft gezocht, bij de beoordeling of de vreemdeling voor toelating in aanmerking komt aan de hand van de criteria van artikel 1(A) van het Verdrag dient te toetsen of de vreemdeling op het moment van het nemen van het besluit op de aanvraag voor een vergunning als thans aan de orde bij terugkeer naar het land van herkomst aldaar heeft te vrezen voor vluchtelingrechtelijke vervolging. Aan toetsing van artikel 1(C) van het Verdrag wordt bij die beoordeling niet toegekomen.

2.2.3. De rechtbank heeft overwogen dat, voor zover thans van belang, de minister zich in het besluit van 2 mei 2006 en het daarin ingelaste voornemen terecht op het standpunt heeft gesteld dat, aangezien de politieke situatie in Kirgizië sedert 2005 drastisch is gewijzigd, er in maart 2005 een revolutie heeft plaatsgevonden en de verkiezingen van 10 juli 2005 ertoe hebben geleid dat de Ar-Namys partij, de partij waarvan het lidmaatschap voor de vreemdeling heeft geleid tot de aangevoerde problemen, inmiddels regeringsverantwoordelijkheid heeft, de vrees van de vreemdeling nog in de negatieve belangstelling van de autoriteiten te staan niet gegrond is en het om diezelfde redenen niet aannemelijk is dat de vreemdeling ten tijde van het nemen van het besluit enige problemen zal ondervinden bij het inroepen van bescherming van de autoriteiten, hetzij in verband met politieke dan wel discriminatoire problemen.

2.2.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 27 oktober 2003 in zaak nr. 200305116/1 (JV 2003/555) bevatten het Handbook en de Guidelines geen regels die de minister binden bij de beoordeling van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Het betoog van de vreemdeling over het niet toepassen van de regels uit het Handbook en de Guidelines, wat daar verder ook van zij, faalt in zoverre reeds hierom.

2.2.5. Zoals volgt uit 2.2.2. kon de minister de omstandigheden in het land van herkomst ten tijde van het besluit bij de beoordeling van de aanvraag tot verlening van de gevraagde verblijfsvergunning betrekken. Op dat moment en dus na het vertrek van de vreemdeling uit het land van herkomst had een machtswisseling plaatsgevonden en was de partij waarbij de vreemdeling betrokken was in een andere positie gekomen. In het licht van het bepaalde in artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 lag het op de weg van de vreemdeling om aannemelijk te maken dat de omstandigheden in het land van herkomst niet ten gunste van hem zijn gewijzigd. Dat over Kirgizië geen algemeen ambtsbericht door het Ministerie van Buitenlandse Zaken is opgesteld en het besluit van 2 mei 2006 derhalve niet mede op basis van een dergelijk ambtsbericht is genomen, maakt dit niet anders, aangezien de partij die op dat moment aan de macht was gekomen de partij is waarbij de vreemdeling zelf betrokken was.

Uit hetgeen de vreemdeling naar voren heeft gebracht is niet gebleken dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister ten tijde van het bestreden besluit door de vreemdeling terecht niet aannemelijk gemaakt geacht heeft dat de omstandigheden in het land van herkomst niet ten gunste van de vreemdeling zijn gewijzigd.

De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de minister terecht geen aanknopingspunten heeft gezien om de vreemdeling op grond van problemen wegens zijn politieke overtuiging dan wel op grond van discriminatie wegens zijn Russische etniciteit als vluchteling in de zin van het Verdrag aan te merken. De grieven falen in zoverre eveneens.

2.3. Hetgeen in het hoger-beroepschrift voor het overige is aangevoerd en voldoet aan het bepaalde in artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Bossmann

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2009

314.

Verzonden: 30 september 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak