Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ9537

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
07-10-2009
Zaaknummer
200901719/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 oktober 2008 heeft de directie van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW) de aan [wederpartij] verleende keuringsbevoegdheid voor het keuren van voertuigen tot en met 3500 kilogram voor de duur van twaalf weken ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200901719/1/H3.

Datum uitspraak: 7 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de directie van de Dienst Wegverkeer,

appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 11 februari 2009 in zaken nrs. 08/5194 en 08/5195 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

de directie van de Dienst Wegverkeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 2008 heeft de directie van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW) de aan [wederpartij] verleende keuringsbevoegdheid voor het keuren van voertuigen tot en met 3500 kilogram voor de duur van twaalf weken ingetrokken.

Bij besluit van 11 december 2008 heeft de RDW het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 februari 2009, verzonden op 12 februari 2009, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (hierna: de voorzieningenrechter) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 december 2008 vernietigd en het besluit van 7 oktober 2008 herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de RDW bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 maart 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 3 april 2009.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 september 2009, waar de RDW, vertegenwoordigd door mr. H.S. Zawity, werkzaam bij de RDW, en [wederpartij], in persoon en bijgestaan door mr. M.F. van Immerseel, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 87a, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wegenverkeerswet 1994 kan de Dienst Wegverkeer de bevoegdheid voertuigen aan een keuring te onderwerpen intrekken of de daaraan verbonden voorschriften wijzigen, indien degene aan wie die bevoegdheid is verleend in strijd handelt met een of meer uit de bevoegdheid voertuigen aan een keuring te onderwerpen voortvloeiende verplichtingen.

In de Erkenningsregeling APK (hierna: Erkenningsregeling), zoals deze luidde ten tijde van belang, zijn regels neergelegd omtrent de keuringsbevoegdheidseisen en keuringsbevoegdheidsvoorschriften.

Ingevolge artikel 45, eerste lid, van de Erkenningsregeling gelden, indien het voertuig blijkens een mededeling van de Dienst Wegverkeer aan een steekproef wordt onderworpen, de in het tweede tot en met zesde lid genoemde verplichtingen.

Ingevolge artikel 45, vijfde lid, aanhef en onder c, wordt aan een steekproef alle medewerking verleend en worden de terzake door de Dienst Wegverkeer gegeven aanwijzingen in acht genomen. Onder alle medewerking wordt in ieder geval verstaan dat het voertuig, ongeacht het tijdstip van aanvang van de steekproef, niet uit de keuringsplaats wordt verwijderd gedurende de steekproef.

Ingevolge artikel 62 wordt, indien door de keurmeester de in de artikelen 39 tot en met 46 neergelegde verplichtingen of voorschriften niet worden nageleefd, terstond begonnen met een procedure tot intrekking van de bevoegdheid voertuigen aan een keuring te onderwerpen.

Met betrekking tot het toezicht op keuringen en het opleggen van sancties voert de RDW een beleid dat is neergelegd in de zogeheten Toezichtbeleidsbrief, die aan elke keurmeester is verstrekt.

In paragraaf 3.4.2 van de Bijlage APK keurmeester behorend bij de Toezichtbeleidsbrief van mei 2008 is over het toezicht op de keurmeesters het volgende vermeld.

"Als een voertuig in een steekproef valt, dient u al het mogelijke te doen om te voorkomen dat het gekeurde voertuig de keuringsruimte verlaat. U doet dit bijvoorbeeld door voertuigeigenaren goed te informeren over de steekproef, hen niet op de keuring te laten wachten, hun vervangend vervoer aan te bieden of hen weg te laten brengen. In ieder geval moet u de aanvrager voorafgaand aan de keuring duidelijk maken dat de mogelijkheid bestaat dat zijn voertuig in de steekproef valt en wat daar de gevolgen van zijn.

Valt een voertuig in de steekproef, dan kunt u voorkomen dat het voertuig de keuringsruimte verlaat door als volgt te handelen:

a. geef geen keuringsrapport af;

b. wijs de klant er direct op dat de goedkeuring vervalt, als het voertuig de keuringsruimte verlaat voor of tijdens de steekproef.

Is het onverhoopt toch gebeurd dat een voertuig de keuringsruimte heeft verlaten, voordat de steekproef kon worden uitgevoerd, meldt u dit dan direct telefonisch of per fax bij het regiokantoor van de RDW en niet pas bij aankomst van de steekproefcontroleur."

2.2. De RDW heeft aan zijn in bezwaar gehandhaafde besluit tot intrekking voor de duur van twaalf weken van de aan [wederpartij] verleende keuringsbevoegdheid ten grondslag gelegd dat hij heeft gehandeld in strijd met artikel 45, vijfde lid, aanhef en onder c, van de Erkenningsregeling. Daartoe heeft de RDW overwogen dat bij de in het kader van een steekproef geëiste herkeuring niet de vereiste medewerking is verleend, aangezien het aan de steekproef onderworpen voertuig niet in de keuringsplaats aanwezig was bij aankomst van de steekproefcontroleur.

2.3. De RDW richt zich in hoger beroep tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat [wederpartij] al het mogelijke heeft gedaan om het niet beschikbaar zijn van het voertuig ten tijde van de steekproef te voorkomen. De RDW voert daartoe aan dat de ruimte waar de sleutel van het voertuig lag niet was afgesloten en dat de sleutel niet was opgeborgen nu de eigenaar van het voertuig (hierna: de eigenaar) de ruimte waar de sleutel lag kon betreden en deze op eenvoudige wijze kon meenemen. Voorts stelt de RDW hiertoe dat de eigenaar boos is geworden omdat hij in de keuringsplaats op het voertuig heeft moeten wachten tot de keuring was afgerond nu aan hem was medegedeeld dat het voertuig rond het middaguur klaar zou zijn terwijl het pas om 13.13 uur bij de RDW is afgemeld en voorts, omdat de reparatiekosten hoger waren uitgevallen dan hem voor de keuring was medegedeeld.

2.4. Niet in geschil is dat het voertuig zich niet in de keuringsplaats bevond ten tijde dat de steekproefcontroleur bij de keuringsplaats arriveerde, dat aan de eigenaar is medegedeeld dat het voertuig rond het middaguur kon worden opgehaald, dat het voertuig om 13.13 bij de RDW is afgemeld en ten slotte, dat de sleutels van het voertuig op de balie in een afgescheiden, maar niet afgesloten gedeelte van de keuringsplaats waren neergelegd.

2.5. De Afdeling is van oordeel dat, gelet op bovenstaande vaststaande feiten, nauwelijks rekening is gehouden met de mogelijkheid dat het voertuig eventueel in een steekproef zou kunnen vallen. Door voorafgaand aan de keuring een tijdsindicatie te geven wanneer het voertuig door de eigenaar kon worden afgehaald is een vergroot risico genomen dat de klant de steekproef niet wil afwachten en met het voertuig vertrekt. Voorts wordt het wegnemen van de sleutels en het wegrijden met het voertuig voor de eigenaar vergemakkelijkt, indien de sleutels zichtbaar in een niet afgesloten ruimte van de keuringsplaats worden neergelegd. Verder is eerst toen het voertuig daadwerkelijk in een steekproefcontrole viel, aan de eigenaar medegedeeld dat deze niet met het voertuig mocht vertrekken maar diende te wachten tot de steekproefcontroleur de steekproef had uitgevoerd. Met alleen het ophangen van een brief in de garage waarin de mogelijkheid van een steekproef staat vermeld, wordt, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 juli 2006 in zaak nr. 200508748/1) niet voldaan aan het voorschrift om de eigenaar van het voertuig tevoren op duidelijke wijze in te lichten over diens verplichtingen bij een mogelijke steekproef, nu het daardoor aan de eigen oplettendheid van de klant wordt overgelaten om zich van de betekenis van een steekproef op de hoogte te stellen.

Dat [wederpartij] ter zitting heeft verklaard dat hij een zelfstandig opererende keurmeester is hetgeen inhoudt dat hij niet in dienst is bij een garagebedrijf en op 25 juli 2008 tussen 11.00. en 12.00 uur is gebeld door de eigenaar van de keuringsplaats met de vraag of hij het voertuig die dag kon keuren en dat hij geen contact met de eigenaar van het voertuig heeft gehad, doet aan het vorenstaande niet af. Van [wederpartij] mag worden verwacht dat hij, alvorens een opdracht van een garagebedrijf tot het keuren van voertuigen te accepteren, zich vergewist van het feit dat door dat garagebedrijf maatregelen zijn getroffen om te voorkomen dat het voertuig als het in een steekproef valt de keuringsruimte verlaat. Dat dit niet is gebeurd, dient voor zijn rekening en risico te komen.

2.6. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling, anders dan de voorzieningenrechter, van oordeel dat de RDW zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [wederpartij] niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting om alle medewerking te verlenen aan de steekproef in de zin van artikel 45, vijfde lid, aanhef en onder c, van de Erkenningsregeling en dat de RDW derhalve kon overgaan tot tijdelijke intrekking van de aan [wederpartij] verleende keuringsbevoegdheid.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, nu de duur van de sanctie in beroep niet is bestreden, het beroep tegen het besluit van 11 december 2008 van de RDW alsnog ongegrond verklaren.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 11 februari 2009 in zaken nrs. 08/5194 en 08/5195;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Wortmann w.g. Van Hardeveld

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2009

312-591.