Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ9536

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
07-10-2009
Zaaknummer
200902309/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oostflakkee (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en een reguliere bouwvergunning verleend voor het bouwen van een garage/berging op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200902309/1/H1.

Datum uitspraak: 7 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 februari 2009 in zaak nr. AWB 07/4084 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Oostflakkee.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oostflakkee (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en een reguliere bouwvergunning verleend voor het bouwen van een garage/berging op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 3 oktober 2007 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 20 februari 2009, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 april 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 5 mei 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Door [vergunninghouder] is een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 september 2009, waar het college, vertegenwoordigd door F. ten Brinke, ambtenaar in dienst van de gemeente, is verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], in persoon, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het college heeft aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat het bezwaarschrift te laat is ingediend, nu de bezwaartermijn eindigde op 6 juni 2007, terwijl het bezwaarschrift op 12 juni 2007 per faxbericht is ingekomen. Het college heeft deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar geacht.

2.2. Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of door uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 3:43, eerste lid, dient het college tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking mededeling te doen aan degenen die bij de voorbereiding van het besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht.

Ingevolge artikel 3:44, eerste lid, dient deze mededeling te geschieden door een publicatie in een huis-aan-huisblad en door toezending van een exemplaar van het besluit aan degenen die tegen het ontwerp van het besluit zienswijzen naar voren hebben gebracht.

Ingevolge artikel 6:7 bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:11 blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zij het bezwaarschrift tijdig heeft ingediend. Hiertoe stelt zij dat de datum van publicatie in het huis-aan-huisblad "Ons Eiland" (hierna: het huis-aan-huisblad) geldt als datum waarop het besluit bekend is gemaakt, waarmee de bezwaartermijn op die dag is aangevangen.

[appellante] betoogt subsidiair dat een eventuele overschrijding van de bezwaartermijn zonder gevolgen dient te blijven, nu het college verzuimd heeft haar tijdig mededeling te doen van het besluit.

2.4. Het betoog faalt. Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 6:8, eerste lid, van de Awb, is de bekendmaking en niet de mededeling van het besluit bepalend voor de aanvang van de bezwaartermijn. Het besluit is op 24 april 2007 aan [vergunninghouder] verzonden en daarmee op die datum bekendgemaakt. Op 24 mei 2007 heeft het college door publicatie in het huis-aan-huisblad mededeling gedaan van het besluit.

De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb aangevangen op 25 april 2007 en, gelet op artikel 6:7 van de Awb, geƫindigd op 5 juni 2007. Het bezwaarschrift is op 12 juni 2007 per faxbericht bij het college ingekomen. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat het bezwaarschrift buiten de in artikel 6:7 van de Awb gestelde termijn is ingediend.

2.5. Hoofdregel is dat, indien publicatie van een bouwvergunning heeft plaatsgevonden, termijnoverschrijding bij het maken van bezwaar daartegen niet verschoonbaar kan worden geacht.

Niet in geschil is dat [appellante] kennis heeft genomen van de publicatie van het besluit in het huis-aan-huisblad. In de publicatie is vermeld dat de bouwvergunning is verzonden op 24 april 2007. In de publicatie is tevens vermeld dat een bezwaarschrift binnen zes weken na de dag van verzending ingediend kan worden. Daarmee had het [appellante] duidelijk kunnen zijn dat zij binnen zes weken na 24 april 2007, de dag van verzending van de bouwvergunning, een bezwaarschrift kon indienen. [appellante] moet worden nagegeven dat de publicatie in het huis-aan-huisblad laat heeft plaatsgevonden. Dit neemt echter niet weg dat het, nu de publicatie in het huis-aan-huisblad binnen de termijn waarbinnen een bezwaarschrift kon worden ingediend heeft plaatsgehad, op de weg van [appellante] had gelegen om tijdig een bezwaarschrift - eventueel een pro forma bezwaarschrift - in te dienen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellante] voldoende tijd had om een ontvankelijk bezwaarschrift in te dienen.

2.6. [appellante] heeft terecht gesteld dat het college heeft verzuimd om ingevolge artikel 3:43, eerste lid, van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 3:44, eerste lid, sub b, van de Awb tegelijkertijd met, of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van het besluit mededeling te doen door een exemplaar van het besluit aan [appellante] toe te zenden, nu bij de voorbereiding van het besluit toepassing is gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb en zij bij de voorbereiding haar zienswijze over het ontwerp van het besluit naar voren heeft gebracht. Het baat haar evenwel niet, omdat dit niet wegneemt dat de mededeling aan haar niet bepalend is voor de aanvang van de bezwaartermijn, zoals onder 2.4 is overwogen. Gelet op overweging 2.5 kan hierin evenmin aanleiding worden gevonden de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

2.7. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Aan een beoordeling van de inhoudelijke gronden die in hoger beroep naar voren zijn gebracht komt de Afdeling derhalve niet toe.

Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2009

357-627.