Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ9535

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
07-10-2009
Zaaknummer
200901124/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 maart 2007 heeft de burgemeester van Cranendonck (hierna: de burgemeester) bevolen dat het [horecabedrijf], gevestigd aan de [locatie] te [plaats], voor de duur van dertien weken wordt gesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200901124/1/H3.

Datum uitspraak: 7 oktober 2009.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 3 februari 2009 in zaak nr. 07/2394 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Cranendonck en de burgemeester van Cranendonck.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2007 heeft de burgemeester van Cranendonck (hierna: de burgemeester) bevolen dat het [horecabedrijf], gevestigd aan de [locatie] te [plaats], voor de duur van dertien weken wordt gesloten.

Bij besluit van 3 juli 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Cranendonck (hierna: het college) het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 12 december 2008 heeft de burgemeester het door [appellante] tegen het besluit van 27 maart 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft hij medegedeeld dat het besluit van 3 juli 2007 abusievelijk door het college is genomen.

Bij uitspraak van 3 februari 2009, verzonden op 11 februari 2009, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [appellante] ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover gericht tegen het besluit van 3 juli 2007, dat besluit vernietigd en het beroep ongegrond verklaard voor zover gericht tegen het besluit van 12 december 2008. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 februari 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college en de burgemeester hebben tezamen een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 september 2009, waar het college en de burgemeester, beide vertegenwoordigd door C.A.M. Evers, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, zoals geldend ten tijde hier van belang, is de burgemeester bevoegd tot toepassing van bestuursdwang, indien in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven een middel, als bedoeld in lijst I of II, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt, dan wel daartoe aanwezig is.

2.2. Bij besluit van 23 maart 2001 heeft de burgemeester een beleidsregel betreffende de sluiting van drugspanden vastgesteld. Bij een eerste constatering van verkoop, aflevering, verstrekking dan wel het daartoe aanwezig zijn van harddrugs in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een woning, wordt volgens deze beleidsregel met toepassing van bestuursdwang overgegaan tot een sluiting voor de duur van dertien weken.

2.3. Het in bezwaar gehandhaafde besluit van 27 maart 2007 is geadresseerd aan [appellante] t.a.v. [vennoot A], [belanghebbende] en [vennoot B]". De burgemeester heeft bij dat besluit de sluiting van het horecabedrijf bevolen, omdat het naar zijn oordeel aannemelijk is dat in het horecabedrijf harddrugs werden verkocht of afgeleverd, dan wel daartoe aanwezig waren. Hij heeft zich daarbij gebaseerd op een door een inspecteur van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost opgemaakt proces-verbaal betreffende een politieonderzoek naar de mogelijke handel in harddrugs door een inwoner van Budel (hierna: de verdachte). Volgens het proces-verbaal zijn bij de aanhouding van de verdachte op 16 februari 2007 in diens woning een handelsvoorraad cocaïne, een gebruikershoeveelheid heroïne en een grote hoeveelheid methadon aangetroffen, alsmede attributen ten behoeve van het versnijden en verpakken van voor verkoop bestemde cocaïne. De verdachte heeft verklaard dat hij regelmatig cocaïne verkocht in het horecabedrijf, hetgeen is bevestigd door afnemers die in het kader van het onderzoek zijn gehoord, aldus het proces-verbaal.

2.4. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat een besluit tot toepassing van bestuursdwang niet jegens een vennootschap onder firma kan worden genomen, doch slechts jegens natuurlijke personen of rechtspersonen, en dat het besluit van 27 maart 2007 alleen aan haar is gericht en niet mede aan haar vennoten. Volgens haar heeft de rechtbank tevens miskend dat in ieder geval [belanghebbende] ten onrechte is aangeschreven, aangezien deze blijkens het handelsregister ten tijde van het nemen van het besluit van 27 maart 2007 geen vennoot meer was.

2.4.1. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, vindt de stelling van [appellante], dat jegens een vennootschap onder firma geen besluit tot toepassing van bestuursdwang kan worden genomen, geen steun in het recht. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 28 september 2005 in zaak nr. 200410661/1; www.raadvanstate.nl) volgt dat ook een vennootschap onder firma overtreder van een bestuursrechtelijk voorschrift en derhalve voorwerp van een besluit tot toepassing van bestuursdwang kan zijn. Deze regel is inmiddels vastgelegd in het met ingang van 1 juli 2009 ingevoerde artikel 5:1, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Aangezien het horecabedrijf door [appellante] werd geëxploiteerd, mocht deze vennootschap verantwoordelijk worden gehouden ingeval in het horecabedrijf zich een situatie voordeed, als bedoeld in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet.

De rechtbank heeft eveneens met juistheid overwogen dat het besluit van 27 maart 2007 ook aan de vennoten van [appellante] is gericht. [appellante] is als vennootschap onder firma het samenwerkingsverband door middel waarvan de vennoten het horecabedrijf exploiteerden. Derhalve heeft de burgemeester, door het besluit aan [appellante] te adresseren, ter attentie van met naam genoemde vennoten, deze vennoten ook zelf verantwoordelijk gehouden voor de geconstateerde situatie, als bedoeld in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. Dit geldt temeer, nu de burgemeester op de tweede bladzijde van het besluit heeft opgemerkt dat de vennoten als exploitanten verantwoordelijk zijn voor hetgeen in het horecabedrijf gebeurt.

[appellante] betoogt evenwel terecht dat het besluit van 27 maart 2007 ten onrechte mede tot [belanghebbende] was gericht. Aangezien [belanghebbende] blijkens de desbetreffende overeenkomst met ingang van 1 januari 2005 als vennoot is uitgetreden uit [appellante], was zij in de desbetreffende periode geen mede-exploitant meer van het horecabedrijf. Gelet hierop kon zij niet als overtreder worden beschouwd en had zij het evenmin in haar macht om de geconstateerde situatie, als bedoeld in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, te beëindigen. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, brengt de omstandigheid dat [belanghebbende] in het kader van de uitvoering van de Drank- en Horecawet nog bij de gemeente als mede-exploitant geregistreerd stond doordat haar uittreding uit [appellante] niet zou zijn doorgegeven, niet met zich dat het besluit tot toepassing van bestuursdwang desalniettemin aan haar mocht worden gericht. Het betreft hier een vermelding in een op 3 april 2003 verleende drank- en horecavergunning. In de op 27 juli 2006 ten behoeve van het horecabedrijf verleende exploitatievergunning wordt zij echter niet als mede-exploitant vermeld. Nu voorts in bezwaar onder verwijzing naar het handelsregister is aangevoerd dat [belanghebbende] in de desbetreffende periode geen vennoot was van [appellante], had het op de weg van de burgemeester gelegen om het besluit van 27 maart 2007 ten aanzien van haar te herroepen.

2.5. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank, door te overwegen dat de burgemeester het besluit van 27 maart 2007 in bezwaar in redelijkheid heeft kunnen handhaven, heeft miskend dat zich ten tijde van het nemen van dat besluit geen situatie meer voordeed, als bedoeld in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. Zij voert daartoe aan dat de verdachte inmiddels was opgepakt, zodat in het horecabedrijf niet meer in drugs werd gehandeld. [appellante] betoogt daarnaast dat de rechtbank heeft miskend dat een sluiting voor de duur van dertien weken onevenredig is, nu in het horecabedrijf slechts door één persoon drugs zijn verhandeld.

2.5.1. Dat betoog faalt. Volgens het hiervoor onder 2.3 genoemde proces-verbaal, dat op ambtseed is opgemaakt, heeft de verdachte, in wiens woning grote hoeveelheden harddrugs zijn aangetroffen, verklaard dat hij regelmatig cocaïne verkocht in het horecabedrijf en hebben verschillende afnemers diens verklaring bevestigd. Zoals in de bijbehorende brief van de inspecteur van politie is toegelicht, is bij het politieonderzoek vastgesteld dat de verdachte met zijn afnemers telefonisch afsprak om elkaar te ontmoeten in het horecabedrijf, alwaar de overdracht van drugs plaatsvond. Onder deze omstandigheden heeft de burgemeester zich op het standpunt mogen stellen dat het horecabedrijf bekend staat als een plaats waar harddrugs te krijgen zijn en dat bestuursdwang dient te worden toegepast om de gewoonte van drugshandelaren en drugsgebruikers te doorbreken. Dat de verdachte inmiddels is opgepakt, doet op zichzelf aan die bekendheid niet af. Overeenkomstig de door hem gehanteerde beleidsregel mocht de burgemeester een sluiting voor de duur van dertien weken evenredig achten, waarbij hij aan de financiële belangen van [appellante] in redelijkheid minder gewicht heeft kunnen toekennen dan aan de belangen die zijn gediend met het wegnemen van de nadelige effecten die de handel in harddrugs in het horecabedrijf op de omgeving kan hebben. De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat de burgemeester het besluit van 27 maart 2007 in bezwaar in redelijkheid heeft kunnen handhaven.

2.6. [appellante] betoogt ten slotte dat de rechtbank bij de vaststelling van de hoogte van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarin het college is veroordeeld, ten onrechte een wegingsfactor van 0,25 heeft gehanteerd, zonder deze afwijking van de standaardfactor van 1 te motiveren.

2.6.1. Dat betoog faalt evenzeer. Het beroep tegen het besluit van het college van 3 juli 2007 is gegrond verklaard omdat dat besluit op bezwaar ten onrechte niet is genomen door het bestuursorgaan waarvan het in bezwaar bestreden besluit afkomstig is. Nu derhalve geen materiële beoordeling van het geschil behoefde plaats te vinden, was de zaak van een zeer licht gewicht, hetgeen ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, gelezen in verbinding met de daarbij behorende bijlage, aanleiding geeft tot toepassing van een wegingsfactor van 0,25 bij de vaststelling van de hoogte van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover het tegen het besluit van 12 december 2008 gerichte beroep ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen dat besluit alsnog gegrond verklaren, dat besluit voor zover betrekking hebbend op [belanghebbende] vernietigen en, zelf in de zaak voorziend, het besluit van 27 maart 2007 herroepen voor zover dat is gericht tot [belanghebbende]. Voor zover bestreden dient de aangevallen uitspraak voor het overige te worden bevestigd.

2.8. [appellante] heeft de Afdeling verzocht om de burgemeester te veroordelen tot vergoeding van de schade die zij ten gevolge van de sluiting van het horecabedrijf heeft geleden. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.5.1 is overwogen, wijst de Afdeling dat verzoek af.

2.9. De burgemeester dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 3 februari 2009 in zaak nr. 07/2394, voor zover daarbij het tegen het besluit van de burgemeester van Cranendonck van 12 december 2008, kenmerk 2381498, gerichte beroep van [appellante] ongegrond is verklaard;

III. verklaart dat beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van 12 december 2008, voor zover dat betrekking heeft op [belanghebbende];

V. herroept het besluit van de burgemeester van Cranendonck van 27 maart 2007, kenmerk 2331985, voor zover dat is gericht tot [belanghebbende];

VI. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 12 december 2008;

VII. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige, voor zover bestreden;

VIII. wijst het verzoek om schadevergoeding af;

IX. veroordeelt de burgemeester van Cranendonck tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

X. veroordeelt de burgemeester van Cranendonck tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

XI. gelast dat de burgemeester van Cranendonck aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 447,00 (zegge: vierhonderdzevenenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2009.

176-582.