Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ9534

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
07-10-2009
Zaaknummer
200900283/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (hierna: het college) [appellant sub 2A] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het vergroten van de woning aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2009/3371

Uitspraak

200900283/1/H1.

Datum uitspraak: 7 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], wonend te [woonplaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 27 november 2008 in zaak nr. 07/1816 in het geding tussen:

[wederpartij] wonend te [woonplaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (hierna: het college) [appellant sub 2A] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het vergroten van de woning aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 31 mei 2007 heeft het college het door [woonplaats] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, in die zin dat geen medewerking wordt verleend aan het oorspronkelijke bouwplan en de bouwvergunning gehandhaafd, in die zin dat de nieuw ingediende en gewijzigde bouwtekeningen in de plaats treden van de eerder bij de bouwvergunning behorende tekeningen.

Bij uitspraak van 27 november 2008, verzonden op 2 december 2008, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit op bezwaar van 31 mei 2007 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 januari 2009, en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 2]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 januari 2009, hoger beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 10 februari 2009.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 augustus 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M. Blom, ambtenaar in dienst van de gemeente en [appellant sub 2], bijgestaan door mr. A.M.C. Marius-van Eeghen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen. Voorts is daar [wederpartij], bijgestaan door mr. E.F.J.A.M. de Wit, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De zijgevel van de woning van [wederpartij] is gesitueerd op 1 m van de erfgrens met het perceel. In deze zijgevel bevindt zich een keukenraam dat uitkijkt op het perceel. Bij besluit van 16 december 2002, dat, voor zover thans van belang, is gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 21 augustus 2003, heeft het college bouwvergunning verleend voor het bouwen van een serre en het vergroten van de keuken aan de achterzijde van de woning op het perceel. Ten gevolge van dat toenmalige -inmiddels gerealiseerde- bouwplan neemt de afstand tussen de woningen van [wederpartij] en van [appellant sub 2] ter plaatse van het keukenraam af van twee meter tot ongeveer één meter, terwijl de muur waarop [wederpartij] vanuit het keukenraam uitziet aanzienlijk wordt verlengd.

2.2. Bij uitspraak van 4 augustus 2004 in zaak nr. 200308500/1 zag de Afdeling, onder meer in de omstandigheid dat het toenmalige bouwplan een vermindering van daglichttoetreding in de keuken van [wederpartij] met zich bracht van meer dan 50%, aanleiding voor het oordeel dat sprake was van onredelijke hinder als bedoeld in artikel 5:50, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en heeft de Afdeling het besluit op bezwaar van 21 augustus 2003 vernietigd.

2.3. In het gewijzigde bouwplan dat thans ter beoordeling voorligt wordt de muur tegenover het keukenraam van [wederpartij] over een lengte van ongeveer 3 m verlaagd tot een hoogte van 2.38 m, waarbij het dak over dezelfde lengte schuin zal oplopen tot 2.86 m op een afstand van 1 m van de erfgrens.

2.4. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende globale bestemmingsplan "Oudorperpolder-Noord" (hierna: het bestemmingsplan). Teneinde de uitvoering van het bouwplan mogelijk te maken, heeft het college krachtens artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling verleend.

2.5. In de aangevallen uitspraak overweegt de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat het gewijzigde bouwplan een substantiële verbetering oplevert voor [wederpartij] vergeleken met de bestaande toestand zodat het bouwplan als onredelijk hinderlijk voor [wederpartij] moet worden beschouwd. Het college en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college in weerwil van het bepaalde in artikel 5:50, vierde lid, van het BW in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen voor het bouwplan.

2.5.1. Ingevolge artikel 5:50, eerste lid, van het BW, is het niet geoorloofd binnen twee meter van de grenslijn van dit erf vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of soortgelijke werken te hebben, voor zover deze op dit erf uitzicht geven, tenzij de eigenaar van het naburige erf daartoe toestemming heeft gegeven.

Ingevolge artikel 5:50, vierde lid, van het BW is de nabuur, wanneer hij als gevolg van verjaring geen wegneming van een opening of werk meer kan vorderen, verplicht binnen een afstand van twee meter daarvan geen gebouwen of werken aan te brengen die de eigenaar van het andere erf onredelijk zouden hinderen, behoudens voor zover zulk een gebouw of werk zich daar reeds op het tijdstip van de voltooiing van de verjaring bevond.

2.5.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 december 2006 in zaak nrs. 200604465/1 en 200604465/2), is voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van vrijstelling in de weg staat, slechts aanleiding, wanneer zo'n belemmering een evident karakter heeft, nu de burgerlijke rechter de eerst aangewezene is om die vraag te beantwoorden.

2.5.3. Om te kunnen bepalen of sprake is van onredelijke hinder met een evident karakter dient de situatie van vóór de verbouwing te worden vergeleken met de beoogde situatie in het bouwplan dat thans ter beoordeling voorligt. Uit de gedingstukken blijkt dat in de situatie van vóór de verbouwing zich op 2 m afstand van het keukenraam een uitbouw met een hoogte van 3.11 m bevond. Tevens stond er een houten schutting met een hoogte van 2 m op ongeveer 1.40 m afstand schuin tegenover het keukenvenster. Blijkens de gedingstukken zal ten gevolge van de realisering van het bouwplan vooral het uitzicht naar rechts verminderen. Voorts zal, naar niet in geschil is, de hoeveelheid daglichttoetreding in de keuken, berekend met toepassing van de NEN-norm, ten opzichte van de situatie van vóór de verbouwing afnemen met ongeveer 16%.

Hoewel deze omstandigheden door [wederpartij] nog immer als hinderlijk worden ervaren, kan daarin, anders dan ten aanzien van het bouwplan waarvoor op 16 december 2002 vrijstelling en bouwvergunning werd verleend, geen grond worden gevonden voor het oordeel dat er sprake is van een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter als hiervoor bedoeld. De beantwoording van de vraag of er in geval van realisering van het bouwplan onredelijke hinder in de zin van artikel 5:50, vierde lid, van het BW optreedt, is immers niet evident en de burgerlijke rechter is dus de eerst aangewezene om die vraag te beantwoorden. Het college had hierin dan ook geen aanleiding hoeven zien vrijstelling voor het aangepaste bouwplan te weigeren. Het betoog slaagt.

2.6. De hoger beroepen van het college en [appellant sub 2] zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Gelet hierop zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] tegen het besluit op bezwaar van 31 mei 2007 alsnog ongegrond verklaren.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.8. Redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het griffierecht door de Secretaris van de Raad van State aan [appellant sub 2] wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de hoger beroepen van het college en [appellant sub 2] gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 27 november 2008 in zaak nr. 07/1816;

III. verklaart het door [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. bepaalt dat de Secretaris van de Raad van State aan [appellant sub 2] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 216,00 (zegge: tweehonderdzestien euro) vergoedt voor de behandeling van het hoger beroep.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Van Dorst

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2009

357-543.