Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ9533

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
07-10-2009
Zaaknummer
200900211/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem (hierna: het college) [vergunninghouder] (hierna: [vergunninghouder]) bouwvergunning verleend voor het verbouwen van een schuur tot atelier/woonruimte aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 40
Woningwet 44
Monumentenwet 1988
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/769
BR 2010/40

Uitspraak

200900211/1/H1.

Datum uitspraak: 7 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 28 november 2008 in zaak nr. 08/1105 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem (hierna: het college) [vergunninghouder] (hierna: [vergunninghouder]) bouwvergunning verleend voor het verbouwen van een schuur tot atelier/woonruimte aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 29 mei 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 november 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 januari 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 6 februari 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [vergunninghouder] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 augustus 2008, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. D.H.A.S. Gidding, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.T.C. Deben-Lahaye, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [vergunninghouder] gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de ongedateerde notitie waarin het advies van de welstands- en monumentencommissie van 6 februari 2007 is neergelegd (hierna: het welstandsadvies) niet aan zijn besluit op bezwaar van 29 mei 2008 ten grondslag heeft mogen leggen. Volgens hem is het welstandsadvies gebaseerd op bouwtekeningen die geen deel uitmaken van de bij besluit van 29 mei 2008 gehandhaafde bouwvergunning en is in het welstandsadvies getoetst aan de bepalingen in de Monumentenwet 1988 en niet aan de criteria die zijn neergelegd in de welstandsnota van de gemeente Gulpen-Wittem (hierna: de welstandsnota).

2.1.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 mei 2009 in zaak nr. 200804977/1) mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

2.1.2. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat de bouwtekeningen, die blijkens een stempel op 6 februari 2007 door de welstandscommissie zijn beoordeeld en akkoord bevonden, zodanig afwijken van de bouwtekeningen die deel uitmaken van de bij besluit van 29 mei 2008 gehandhaafde bouwvergunning dat het college het welstandsadvies in zoverre niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen.

Voorts blijkt uit het welstandsadvies dat de welstandscommissie het bouwplan niet slechts heeft getoetst aan de bepalingen in de Monumentenwet 1988, maar ook aan de criteria die zijn neergelegd in de welstandsnota. In het welstandsadvies staat dat het bouwplan op 6 februari 2007 door de welstandscommissie is beoordeeld en voldoet aan redelijke eisen van welstand. De criteria zoals vermeld in de welstandsnota van de gemeente Gulpen-Wittem zijn in de beoordeling meegenomen, omdat het een gecombineerde commissie betrof van deskundige leden op het gebied van monumentenzorg en welstand, aldus het advies.

Het betoog van [appellant] faalt.

2.2. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Hij voert daartoe aan dat, nu de schuur volgens hem moet worden aangemerkt als bijgebouw, het beoogde gebruik ervan als woning in strijd is met artikel 2.08, vierde lid, onder B, onderdeel 5, van de planvoorschriften.

2.3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden (W)" met de nadere aanduiding "beschermd monument (M)".

Ingevolge artikel 2.08, eerste lid, van de planvoorschriften, zijn de aldus aangewezen gronden bestemd voor wonen en voor zover de panden nader zijn aangeduid als "beschermd monument" tevens voor het behoud en/of herstel van de cultuurhistorische waarden en het stedenbouwkundig beeld.

Ingevolge artikel 3.04, eerste lid, is het verboden de bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming.

Ingevolge artikel 2.08, vierde lid, onder B, onderdeel 5, wordt onder strijdig gebruik als bedoeld in artikel 3.04, eerste lid, voor zover thans van belang, ten minste verstaan het gebruik van bouwwerken voor permanente of tijdelijke bewoning, voor zover het betreft de bijgebouwen.

Ingevolge artikel 1.01, aanhef en onder 13, wordt in de planvoorschriften onder bijgebouw verstaan: een gebouw, behorende bij en in functie ondergeschikt aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen woning.

2.3.1. De bouwaanvraag ziet op het verbouwen van een schuur. In deze schuur is op de begane grond een atelier en een bijkeuken voorzien en op de eerste verdieping een berging. Deze functies zijn ondergeschikt aan de functie van de woning en de schuur is niet rechtstreeks vanuit de woning toegankelijk. Voorts raakt de schuur weliswaar op één hoek de woning op het perceel, maar is daarmee niet constructief verbonden. De schuur dient daarom te worden aangemerkt als een bijgebouw in de zin van artikel 1.01, aanhef en onder 13, van de planvoorschriften. De rechtbank heeft het beoogde gebruik van de schuur als woning ten onrechte niet in strijd met artikel 2.08, vierde lid, onder B, onderdeel 5, gelezen in samenhang met artikel 3.04, eerste lid, van de planvoorschriften geacht. Het betoog slaagt.

2.4. Het hoger beroep van [appellant] is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Gelet hierop zal de Afdeling het door [appellant] bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit op bezwaar van 29 mei 2008 wegens strijd met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet vernietigen. Het college dient opnieuw te beslissen op het door [appellant] gemaakte bezwaar.

2.5. Ter zitting is gebleken dat inmiddels bij besluit van de raad van de gemeente Gulpen-Wittem van 2 april 2009 het bestemmingsplan "Buitengebied" is vastgesteld voor het gebied waarin het perceel is gelegen. Partijen hebben ter zitting te kennen gegeven dat het bouwplan niet in strijd is met dat bestemmingsplan, hetgeen met zich brengt dat de bouwvergunning, indien het bestemmingsplan in werking treedt alsnog kan worden verleend. De Afdeling ziet hierin echter geen aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 29 mei 2008 in stand te laten, reeds nu bij de voorzitter van de Afdeling met betrekking tot het besluit van 2 april 2009 meerdere verzoeken om een voorlopige voorziening zijn gedaan en de werking van dat besluit ingevolge artikel 3.8, vijfde lid, gelezen in samenhang artikel 8.4, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening wordt opgeschort totdat op die verzoeken is beslist.

2.6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van [appellant] gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 28 november 2008 in zaak nr. 08/1105;

III. verklaart het door [appellant] bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem van 29 mei 2008, kenmerk U.08.02793;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 361,00 (zegge: driehonderdeenenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Van Dorst

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2009

357-543.