Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ9532

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
07-10-2009
Zaaknummer
200900173/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 november 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen (hierna: het college) het verzoek van [eiser] (hierna: [eiser]) om handhavend op te treden tegen het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het perceel [perceel] (hierna: het perceel) voor bedrijfsactiviteiten door [appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant]), afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2009/249 met annotatie van C.L.G.F.H. Albers
JOM 2009/952 met annotatie van C.L.G.F.H. Albers
ABkort 2009/431

Uitspraak

200900173/1/H1.

Datum uitspraak: 7 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te [plaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 27 november 2008 in zaak nr. 08/788 in het geding tussen:

[eiser]

en

het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen (hierna: het college) het verzoek van [eiser] (hierna: [eiser]) om handhavend op te treden tegen het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het perceel [perceel] (hierna: het perceel) voor bedrijfsactiviteiten door [appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant]), afgewezen.

Bij besluit van 10 april 2008 heeft het college het door [eiser] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 november 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zwolle (hierna: de rechtbank) het door [eiser] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 april 2008 vernietigd en bepaald dat het college binnen drie maanden na de verzenddatum van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen de uitspraak van 27 november 2008 heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 januari 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 5 februari 2009.

Het college en [eiser] hebben een verweerschrift ingediend.

[eiser] heeft nadere stukken ingediend.

Bij besluit van 6 maart 2009 heeft het college het door [eiser] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 26 november 2007 gegrond verklaard en, voor zover thans van belang, bepaald dat de met het bestemmingsplan strijdige bedrijfsmatige activiteiten op het perceel na een termijn van twee jaren dienen te worden beëindigd.

Tegen dit besluit hebben [eiser] en [appellant] beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft de beroepschriften doorgezonden naar de Raad van State.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 augustus 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. L.R.G. Uneken, advocaat te Zwolle, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Blankert en mr. K.A. Uilen, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [eiser], bijgestaan door P.J. Smink, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan

"Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden".

Ingevolge artikel 8, onder A, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de aldus aangewezen gronden bestemd voor woningen.

Ingevolge artikel 35, onder A, is het verboden gronden of opstallen te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming.

2.2. Sinds 2000 drijft [appellant] op het perceel een onderneming die zich bezig houdt met de verkoop en verhuur van onder meer aanhangers en paardentrailers. Dit gebruik van het perceel is, naar ook ter zitting door [appellant] is erkend, in strijd met de aan het perceel gegeven woonbestemming.

2.3. De conclusie is dat het college bevoegd was om ter zake van gebruik in strijd met artikel 35, onder A, van de planvoorschriften handhavend op te treden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4. Bij het -thans in rechte onaantastbare- besluit van 19 december 2001 (hierna: het gedoogbesluit) heeft het college met instemming van [eiser] het gebruik van het perceel voor verkoopactiviteiten van aanhangers en trailers gedoogd. In overleg met [eiser] en [appellant] heeft het college in het gedoogbesluit voorschriften opgenomen. Deze luiden als volgt:

- de activiteiten die plaatsvinden, mogen geen aanleiding zijn voor hinder en/of overlast aan derden (buren)

- de omvang van de activiteiten dient een hobbymatig karakter te hebben

- er mag een klein bordje aanwezig zijn dat verwijst naar de ingang

- de omvang van de buiten gestalde trailers of aanhangers, zichtbaar vanaf de openbare weg, mag uit ongeveer drie, hooguit vier stuks bestaan (stalling of berging van trailers en aanhangers in de garage is wel toegestaan)

- activiteiten in relatie tot de verkoop van goederen moeten vanaf de [straat] geschieden.

In het besluit van 10 april 2008 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het in redelijkheid niet kan overgaan tot handhaving, zolang [appellant] blijft voldoen aan de in het gedoogbesluit gestelde voorschriften.

2.5. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat niet kan worden opgetreden tegen het met het bestemmingsplan strijdige gebruik zolang niet is aangetoond dat [appellant] zich niet houdt aan de voorschriften zoals neergelegd in het gedoogbesluit.

2.5.1. [appellant] betoogt, onder verwijzing naar het gedoogbesluit, dat de rechtbank heeft miskend dat er bijzondere omstandigheden bestaan op grond waarvan het college in redelijkheid mocht weigeren handhavend op te treden. Voorts doet hij een beroep op het gelijkheidsbeginsel en voert hij aan dat handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.

2.5.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 juni 2009 in zaak nr. 200805657/1) kan een bij de overtreder van een wettelijk voorschrift opgewekt vertrouwen geen afbreuk doen aan de in beginsel bestaande aanspraak van een omwonende op handhaving van het bestemmingsplan. Niet valt in te zien dat laatstbedoeld belang in dit geval zou moeten wijken voor het bij [appellant] opgewekte vertrouwen. Hierbij is, anders dan [appellant] betoogt, niet van doorslaggevende betekenis of hij zich aan de in het gedoogbesluit gestelde voorschriften houdt of dat [eiser] met die voorschriften heeft ingestemd. Daarbij is van belang dat het college het met het bestemmingsplan strijdige gebruik ruim zes jaar heeft gedoogd, ondanks het feit dat een gedoogbesluit naar zijn aard geen duurzaam beletsel dient op te leveren om handhavend op te treden en dat het betrokken verboden gebruik een niet geringe inbreuk op het geldende planologisch regime oplevert. Daarbij komt dat [eiser] meerdere malen aan het college te kennen heeft gegeven overlast van het betrokken gebruik te ondervinden zonder dat het college vervolgens met de nodige zorgvuldigheid is nagegaan of, en zo ja, in welke mate overlast wordt veroorzaakt.

Gelet op het vorenstaande betreft het gedoogbesluit geen bijzondere omstandigheid die het college ertoe noopte handhavend optreden achterwege te laten.

Het door [appellant] in hoger beroep aangevoerde dat de te gedogen situatie, gelet op zijn leeftijd van 59 jaar, tijdelijk zal zijn en dat het betrokken gebruik een minimale afwijking van het bestemmingsplan betreft waar omwonenden geen last van kunnen ondervinden, slaagt, gelet op het vorenstaande, derhalve niet. Verder kan het betoog van [appellant] dat het bestemmingsplan ten onrechte niet voorziet in een bepaling waaraan een aanvraag voor een aan huis verbonden beroep of bedrijf kan worden getoetst, niet leiden tot het daarmee door hem beoogde doel, reeds omdat het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het perceel niet als een aan huis verbonden beroep of bedrijf kan worden beschouwd.

2.5.3. Verder doet van [appellant] tevergeefs een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Voor zover[appellant] betoogt dat in de nabijheid van het perceel een garagebedrijf wordt geëxploiteerd overweegt de Afdeling dat de door hem bedoelde situatie ter plaatse van een bedrijfsbestemming niet zodanig overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie ter plaatse van een woonbestemming, dat het college daarin aanleiding moest zien af te zien van handhaving. Zijn stelling dat bij bijna alle woningen en boerderijen in de omgeving van het perceel trailers en aanhangwagens zijn geplaatst, wat daar verder van zij, leidt niet tot een ander oordeel. Hij heeft die gevallen niet benoemd en zijn stelling derhalve onvoldoende met feiten onderbouwd.

2.5.4. Ten slotte bestaat, anders dan [appellant] betoogt, geen grond voor het oordeel dat handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Het gebruik van het perceel voor de verkoop en verhuur van aanhangers en paardentrailers vormt geen geringe inbreuk op de aan het perceel gegeven bestemming en het college heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van dat gebruik geen concreet zicht bestaat op legalisering.

2.6. Het hoger beroep van [appellant] is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Bij besluit van 6 maart 2009 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [eiser] gemaakte bezwaar. Aangezien bij dit nieuwe besluit niet volledig aan de bezwaren van [eiser] en [appellant] is tegemoetgekomen, wordt het hoger beroep van [appellant], gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht mede een beroep tegen dit besluit in te houden. Nu het besluit van 6 maart 2009 onderdeel is van het geding, worden de door [eiser] en [appellant] daartegen bij de rechtbank ingestelde beroepen tevens bij de beoordeling betrokken.

2.8. In het besluit van 6 maart 2009 heeft het college zich op grond van een aantal op het perceel gehouden controles op het standpunt gesteld dat wordt gehandeld in strijd met de voorschriften zoals neergelegd in het gedoogbesluit. Het college vindt dat ter plaatse geen sprake meer is van een hobbymatig karakter van activiteiten, zoals bedoeld in het gedoogbesluit, en dat het aannemelijk is dat de activiteiten op het perceel hinder en overlast voor [eiser] veroorzaken. Dit betekent volgens het college dat de huidige activiteiten op het perceel niet meer voor een gedoogsituatie in aanmerking komen en dat de met het bestemmingsplan strijdige bedrijfsmatige activiteiten op het perceel na een termijn van twee jaren dienen te worden beëindigd.

2.9. [appellant] betoogt dat hij aan het gedoogbesluit het in rechte te honoreren vertrouwen mag ontlenen dat het college afziet van handhavend optreden tegen het gebruik van het perceel voor bedrijfsmatige activiteiten. Volgens [appellant] heeft hij niet gehandeld in strijd met de aan het gedoogbesluit verbonden voorschriften.

2.9.1. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt het betoog van [appellant] niet.

2.10. [eiser] betoogt dat [appellant] in het besluit van 6 maart 2009 een onredelijk lange termijn van twee jaar geboden krijgt om de met het bestemmingsplan strijdige bedrijfsmatige activiteiten op het perceel te beëindigen.

2.10.1. Dit betoog slaagt. De in het besluit van 6 maart 2009 gestelde termijn van twee jaar is onredelijk lang gezien de ernst van de overtreding en de duur dat de bedrijfsactiviteiten op het perceel reeds zijn gedoogd. Het had in de rede gelegen dat het college [appellant] een termijn van niet meer dan één jaar had gegund om de bedrijfsmatige activiteiten op het perceel te beëindigen en aan het verstrijken van die termijn de toepassing van bestuursdwang had verbonden. Nu het college dit heeft nagelaten is het besluit genomen in strijd met het bepaalde in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht.

Gelet op vorenstaande kan het betoog van [appellant] dat de in het besluit van 6 maart 2009 gestelde termijn van twee jaar onredelijk kort is, niet slagen.

2.11. Het beroep van [appellant] is ongegrond. Het beroep van [eiser] is gegrond. Het besluit van 6 maart 2009 dient te worden vernietigd. Het college dient opnieuw te beslissen op het door [eiser] gemaakte bezwaar.

2.12. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten van [eiser] te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het door [eiser] tegen het besluit van 6 maart 2009, kenmerk uit09/692, ingestelde beroep gegrond;

III. vernietigt dat besluit;

IV. veroordeelt het college tot vergoeding van bij [eiser] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 684,59 (zegge: zeshonderdvierentachtig euro en negenenvijftig cent), gedeeltelijk toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Van Dorst

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2009

357-543.