Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ9531

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
07-10-2009
Zaaknummer
200900157/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Meijel (hierna: het college) [appellant] geweigerd vrijstelling te verlenen voor het realiseren van een tijdelijk containerveld op het perceel aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200900157/1/H1.

Datum uitspraak: 7 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 2 december 2008 in zaken nrs. 08/430 en 08/431 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Meijel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Meijel (hierna: het college) [appellant] geweigerd vrijstelling te verlenen voor het realiseren van een tijdelijk containerveld op het perceel aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 17 juli 2007 heeft het college, voor zover thans van belang, [appellant] een persoons- en objectgebonden gedoogbeschikking verleend voor het gebruik van het perceel ten behoeve van een containerveld tot 1 november 2007, als aangeduid op de van dat besluit deel uitmakende tekening.

Bij afzonderlijke besluiten van 29 januari 2009 heeft het college, voor zover thans van belang, het door [appellant] tegen de besluiten van 10 april 2007 en 17 juli 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 december 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het door [appellant] tegen de besluiten van 10 april 2007 en 17 juli 2007 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 januari 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 5 februari 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 augustus 2009, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. I.L. van Geel, advocaat te Deurne, en het college, vertegenwoordigd door I.H.E. Hanssen, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Naar ter zitting door [appellant] is te kennen gegeven, beperkt het geschil zich tot het besluit op bezwaar van 29 januari 2009 waarbij het college de bezwaren van [appellant] tegen het besluit van 10 april 2007 om de gevraagde vrijstelling te weigeren, ongegrond heeft verklaard.

2.2. Ingevolge de ter plaatse geldende bestemmingsplannen "Buitengebied 1992" en "Reparatieherziening bestemmingsplan Buitengebied 1999" (hierna tezamen: het bestemmingsplan) rust op het perceel, voor zover thans van belang, de bestemming "Agrarische doeleinden, gebied met landschappelijke en natuurwaarden (Aln)". Op de van het bestemmingsplan deel uitmakende kaart Ruimtelijke en Functionele karakteristiek is aangegeven dat het perceel is gelegen binnen bufferzone 3.

Ingevolge artikel 2.06, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de aldus aangewezen gronden, voor zover thans van belang, bestemd:

- voor een duurzaam agrarisch grondgebruik;

- voor het behoud, herstel dan wel de ontwikkeling van de aanwezige dan wel daaraan eigen natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden;

- voor het behoud van de landschappelijke openheid, weidevogelgebied, bufferzone natuurgebied;

- ter bescherming van de waarde van aangrenzende natuur en/of bosgebieden.

In artikel 2.06, tweede lid (beschrijving in hoofdlijnen), is in aanvulling op artikel 2.01 in hoofdlijnen beschreven op welke wijze met het plan de doeleinden die ingevolge lid 1 van dit artikel aan de daar bedoelde gronden zijn toegekend, worden nagestreefd.

Ingevolge artikel 2.06, tweede lid, onder a, is, naast het belang van een duurzame agrarische productiefunctie, nadrukkelijk ook sprake van zwaarwegende natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische belangen. Dit betekent dat aan het agrarische grondgebruik beperkingen worden gesteld, als nader in dit artikel aangegeven.

Ingevolge artikel 2.06, tweede lid, onder i, zijn in de bufferzone 3, zoals aangegeven op de kaart Ruimtelijke en Functionele karakteristiek, in beginsel geen activiteiten toegestaan die kunnen leiden tot een onevenredige aantasting van de foerageerfunctie voor de dassenpopulatie, voorkomende in het natuurgebied Waterbloem van de gemeente Roggel.

Ingevolge artikel 2.01, eerste lid (beschrijving in hoofdlijnen, gemeenschappelijk aan alle bestemmingen), voor zover thans van belang, dienen alle maatregelen ten aanzien van het gebruik van de gronden in hoofdzaak gericht te zijn op de instandhouding en ontwikkeling van een duurzame agrarische productiefunctie en/of het behoud, herstel dan wel de ontwikkeling van natuurlijke, cultuurhistorische en landschappelijke waarde in overeenstemming met de ruimtelijke en functionele karakteristiek van het plangebied. Bepalend voor een duurzame agrarische productiefunctie zijn de volgende elementen:

- de erkenning dat het begrip duurzaamheid zowel een milieuaspect als een sociaal-economisch aspect omvat;

- het van daaruit streven naar een optimaal agrarisch gebruik zowel uit markttechnisch oogpunt als uit een oogpunt van algemene milieukwaliteit (integratie);

- er wordt geacht voldaan te worden aan de algemene milieukwaliteit indien de agrarische productieprocessen het fysieke milieu als natuurlijke hulpbron niet onevenredig aantasten;

- het vervullen van een belangrijke functie met betrekking tot het beheer van het landschap.

Ingevolge artikel 3.03, eerste lid, is het verboden de gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming.

Ingevolge artikel 2.02, derde lid, aanhef en onder a, voor zover thans van belang, zijn op de gronden met de bestemming Agrarische doeleinden, bouwperceel A(b) bedrijfsgebouwen toegelaten, behoudens binnen de gebieden die op de kaart zijn aangeduid als CV (=containerveld).

2.3. [appellant] exploiteert een plantenkwekerij op het perceel. Hij heeft in verband hiermee twee containervelden aangelegd die zijn gelegen buiten het op de plankaart aangegeven bouwperceel, op gronden die voorheen in gebruik waren als grasland.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat voormeld gebruik van het perceel niet in strijd is met de aan die gronden gegeven bestemming "Agrarische doeleinden, gebied met landschappelijke en natuurwaarden (Aln)" Volgens hem heeft het college zich in het besluit van 29 januari 2009 daarom ten onrechte op het standpunt gesteld dat voor dat gebruik vrijstelling van het bestemmingsplan verleend dient te worden.

2.4.1. Blijkens de gedingstukken zijn de containervelden op het perceel aangelegd op een vlakke ondergrond waarin zogenaamde afvoersleuven zijn aangebracht. In deze sleuven is pvc-folie gelegd met daarin waterslangen die het overtollige water kunnen afvoeren naar een sloot of een andere wateropvang. Over de slangen is een bevloeiingsmat neergelegd waarover een gronddoek is aangebracht. In de winter worden geen planten op de containervelden geteeld. De velden liggen dan 'braak'. Aangezien de plantenteelt niet in de volle grond plaatsvindt, betreft het een zogenaamde niet-grondgebonden teeltvorm.

De eerst ter zitting door [appellant] aangevoerde stelling dat een deel van de in geding zijnde containervelden op het perceel niet zou zijn afgedekt met folie, kan niet leiden tot het ermee door hem beoogde doel. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom deze grond niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd en [appellant] zulks uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de rechtszekerheid van de andere partijen omtrent hetgeen in geschil is, had behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven.

2.4.2. Om te bepalen of het in geding zijnde gebruik van het perceel voor de aanleg van containervelden in strijd is met de gegeven bestemming heeft het college beoordeeld of dat gebruik kan worden beschouwd als duurzaam agrarisch grondgebruik als bedoeld in artikel 2.06, eerste lid, van de planvoorschriften. Het college heeft, nu het bestemmingsplan hierover geen uitsluitsel geeft in de begripsbepalingen, in dat kader in redelijkheid aansluiting kunnen zoeken bij het bepaalde in artikel 2.01, eerste lid, (beschrijving in hoofdlijnen, gemeenschappelijk aan alle bestemmingen). Aangezien er niet direct aan die bepaling wordt getoetst, is anders dan [appellant] betoogt, hier niet van belang of de beschrijving in hoofdlijnen voldoende concreet is om als rechtstreekse toetsingsnorm bij de verlening van een bouwvergunning te kunnen dienen. Dat betoog kan daarom niet leiden tot het ermee door hem beoogde doel.

2.4.3. Het college heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het vervangen van grasland door met folie afgedekte gronden heeft te gelden als een onevenredige aantasting als bedoeld in artikel 2.01, eerste lid, van de planvoorschriften. Door dit niet-grondgebonden agrarische gebruik worden de op het perceel gelegen gronden geheel onttrokken aan het fysieke milieu als natuurlijke hulpbron. Steun voor deze opvatting kan worden gevonden in het feit dat het begrip agrarisch grondgebruik als bedoeld in artikel 2.06, eerste lid, van de planvoorschriften impliceert dat het daarbij moet gaan om grondgebonden agrarische activiteiten. Onder een grondgebonden agrarisch bedrijf wordt ingevolge artikel 1.01, onder 30 van de planvoorschriften verstaan een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of overwegend afhankelijk is van het voortbrengingsvermogen van de grond. Bij containerteelt is dat niet het geval. Als gevolg van het niet-grondgebonden agrarische gebruik kunnen de binnen het perceel gelegen gronden in het geheel niet meer dienen als hulpbron voor de daar voorkomende dieren en planten. Daarbij komt dat het perceel is gelegen binnen een zogenaamde bufferzone 3, waar ingevolge artikel 2.06, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 2.06, tweede lid, onder i, van de planvoorschriften in beginsel geen activiteiten zijn toegestaan, die kunnen leiden tot een onevenredige aantasting van de foerageerfunctie voor de dassenpopulatie, voorkomende in het natuurgebied Waterbloem. De conclusie is dat het gebruik van het perceel voor de aanleg van de containervelden voor zover in geding, niet kan worden beschouwd als duurzaam agrarisch grondgebruik als bedoeld in artikel 2.06, eerste lid, van de planvoorschriften. Dat gebruik is daarom in strijd met de aan die gronden gegeven bestemming. Dit volgt eveneens uit het samenstel van de planvoorschriften. Uit artikel 2.0.2, derde lid, onder a, van de planvoorschriften en hoofdstuk 3 van de plantoelichting kan worden afgeleid dat containervelden slechts zijn toegestaan binnen gebieden die op de plankaart als zodanig zijn aangeduid dan wel zijn gelegen binnen het agrarisch bouwperceel. Daarvan is in dit geval geen sprake. Het betoog van [appellant] faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Van Dorst

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2009

357-543.