Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ9523

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
07-10-2009
Zaaknummer
200901014/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 mei 2008 heeft de burgemeester van Midden-Drenthe (hierna: de burgemeester) aan de stichting Stichting Zomeractiviteiten (hierna: de stichting) een vergunning verleend voor het organiseren van een aantal evenementen in Westerbork in 2008.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/915
Milieurecht Totaal 2009/707

Uitspraak

200901014/1/H3.

Datum uitspraak: 7 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 3 februari 2009 in zaak nr. 08/672 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Midden-Drenthe.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 mei 2008 heeft de burgemeester van Midden-Drenthe (hierna: de burgemeester) aan de stichting Stichting Zomeractiviteiten (hierna: de stichting) een vergunning verleend voor het organiseren van een aantal evenementen in Westerbork in 2008.

Bij besluit van 11 juli 2008 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 februari 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Assen (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 februari 2009, hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 augustus 2009, waar [appellant], in persoon, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. D. Reitsma en ing. A. Abbingh, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar de stichting, vertegenwoordigd door [voorzitter en secretaris] van het bestuur van de stichting, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1.1 van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) wordt onder een inrichting verstaan elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.

Ingevolge artikel 1 van de Festiviteiten- en evenementenverordening gemeente Midden-Drenthe (hierna: de verordening) wordt in de verordening verstaan onder:

a. inrichting: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht;

(…)

f. evenement: elke voor publiek buiten de daartoe ingerichte inrichtingen toegankelijke festiviteit, grootschalige sportwedstrijd, auto- of motorcrosswedstrijd, optochten, georganiseerd vuurwerk en alle overige tot vermaak en recreatie bedoelde activiteiten met uitzondering van:

- markten als bedoeld in de Gemeentewet,

- kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen en

- betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder b, is de verordening onder meer van toepassing op de buiten inrichtingen georganiseerde festiviteiten en overige activiteiten (evenementen), zoals kermissen, braderieën en incidentele (openlucht-)concerten.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is het verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, te organiseren.

Ingevolge artikel 9 wordt een vergunning onder meer geweigerd indien:

c. ter plaatse in de avonduren (19.00 -23.00 uur) reeds meer dan het in tabel 1 aangegeven aantal dagen per jaar evenementen met een aanmerkelijke geluidproductie [geluidsniveau hoger dan 60 dB(A) ter plaatse van de meest nabijgelegen woning] hebben plaatsgevonden.

d. ter plaatse in de dagperiode (07.00 -19.00 uur) reeds meer evenementen hebben plaatsgevonden dan het in tabel 2 aangegeven aantal per jaar.

f. de burgemeester van mening is dat de woon- en leefsituatie in de directe omgeving van de locatie waar het evenement wordt georganiseerd en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze worden beïnvloed.

Ingevolge artikel 10, elfde lid, dienen bij evenementen met 'vast' opgestelde podia en geluid- of muziekinstallaties de podia en/of de luidsprekers van de geluid-/muziekinstallatie zodanig te worden gesitueerd/afgeregeld dat het op de gevels van de omliggende woningen invallende equivalente geluidsniveau (in beginsel) niet meer bedraagt dan 80 dB(A).

Ingevolge het twaalfde lid kan de burgemeester indien de aard en/of locatie van het te organiseren evenement hiertoe aanleiding geven ontheffing verlenen van de in lid 12 (lees: lid 11) van dit artikel gegeven geluidsvoorschriften dan wel nadere eisen stellen.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat, gelet op de omvang en het aantal van de vergunde evenementen, alsook gelet op de locatie en het feit dat de evenementen jaarlijks terugkeren, en op de vrijstelling die ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) is verleend van het bestemmingsplan, de evenementen een inrichting zijn als bedoeld in artikel 1.1 van de Wm. De aanvraag had volgens hem om die reden moeten worden getoetst aan de Wm. [appellant] betoogt voorts dat de mobiele muziekkoepel een inrichting is als bedoeld in artikel 1.1 van de Wm.

2.2.1. Dit betoog slaagt niet. Blijkens de stukken duren de vergunde evenementen slechts een of twee dagdelen, en duren ze niet gedurende een langere, aaneengesloten periode voort. Daarnaast worden kramen, podia en eventuele geluidsinstallaties na ieder evenement opgeruimd. Voorts is ter zitting bij de Afdeling gebleken dat de activiteiten op verschillende locaties in Westerbork plaatsvinden. Gelet hierop en gezien de frequentie van en de data waarop de evenementen plaatsvinden, vormen deze geen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht, en derhalve geen inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wm, zodat de verordening hierop van toepassing is. Dat de locaties waarop de evenementen plaatsvinden aan elkaar grenzen, zoals [appellant] ter zitting heeft gesteld, maakt dit niet anders, nu die locaties duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn. Ook het betoog van [appellant] dat de evenementen een inrichting zijn als bedoeld in artikel 1.1 van de Wm, omdat ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling is verleend van het bestemmingsplan, maakt dit niet anders. De vraag of de evenementen een inrichting zijn als bedoeld in artikel 1.1 van de Wm kan slechts worden beantwoord aan de hand van die bepaling.

Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat de muziekkoepel een inrichting in zin van artikel 1.1 van de Wm is, kan, wat hiervan ook zij, niet leiden tot het door hem beoogde doel, nu de evenementenvergunning niet is verleend ten behoeve van de muziekkoepel en slechts in geschil is of de rechtbank op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat de evenementenvergunning door de burgemeester aan de stichting mocht worden verleend.

2.3. Bij vergunningverlening krachtens de verordening hanteert de burgemeester ter voorkoming van geluidhinder een indeling in drie categorieën evenementen, waarvan er twee zijn gedefinieerd in het op 30 oktober 2002 uitgebrachte deskundigenadvies dat in opdracht van de rechtbank Assen is verricht door Tebodin Consultants & Engineers B.V te Hengelo (hierna: Tebodinrapport). Evenementen met een geluidsniveau tussen 75 dB(A) en 85 dB(A) vallen in categorie A (hierna: A-evenementen), evenementen met een geluidsniveau tussen 60 dB(A) en 75 dB(A) vallen in categorie B (hierna: B-evenementen), en evenementen met een geluidsniveau lager dan 60 dB(A) in categorie C (hierna: C-evenementen).

De burgemeester heeft bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 19 mei 2008 een aantal C-evenementen, een aantal B-evenementen, en een A-evenement vergund. Voorts heeft de burgemeester in de vergunning op grond van artikel 10, zesde lid, van de verordening, vrijstelling van de eindtijd verleend voor een aantal evenementen. In de vergunning heeft de burgemeester voorwaarden gesteld ter voorkoming van geluidhinder.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte waarde hecht aan het Tebodinrapport, nu dit rapport is opgesteld door een particulier adviesbureau dat niet als een onafhankelijk adviseur kan worden beschouwd. Het rapport is volgens hem bovendien onvoldoende gemotiveerd. Het is zijns inziens innerlijk tegenstrijdig, nu daarin wordt gesteld dat een maximum van 75 dB(A) voor de gevel van de woningen toelaatbaar wordt geacht, maar dat veel gemeenten desondanks enkele keren per jaar activiteiten met een hoger geluidsniveau van 80 dB(A) tot 85 dB(A) toestaan omdat bij lagere niveaus evenementen met een popgroep in de open lucht nagenoeg niet meer mogelijk zijn in een woonomgeving.

2.4.1. Het enkele feit dat het Tebodinrapport is opgesteld door een particulier adviesbureau rechtvaardigt niet de conclusie dat geen sprake zou zijn van een onafhankelijk adviseur. Evenmin rechtvaardigt dat feit, naar de rechtbank terecht heeft geoordeeld, de conclusie dat het rapport om die reden ondeugdelijk zou zijn.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat in het rapport slechts feitelijk wordt vastgesteld dat bij een maximaal geluidsniveau van minder dan 80 dB(A) of 85 dB(A) bepaalde evenementen niet meer mogelijk zijn en dat om die reden bepaalde gemeenten enkele malen per jaar activiteiten met dit geluidsniveau toestaan. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat dit geen tegenstrijdigheid op[appellant]t met de constatering dat een maximaal geluidsniveau van 75dB(A) voor de gevel van woningen toelaatbaar wordt geacht. In het Tebodinrapport wordt daarmee kennelijk bedoeld dat in zoverre een belangenafweging kan of pleegt te worden gemaakt. De rechtbank heeft ook overigens met juistheid overwogen dat de burgemeester in redelijkheid het Tebodinrapport als uitgangspunt kon nemen.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de bij het besluit van 19 mei 2008 vergunde evenementen voldoen aan de criteria van het Tebodinrapport, nu met het verlenen van de vergunning geen rekening is gehouden met een straffactor van 10 dB(A) voor muziekgeluid. Deze straffactor uit de Handleiding Meten en rekenen Industrielawaai IL-HR-13-01 (hierna: de handleiding) zou volgens hem ook hier moeten worden gehanteerd. Dan zouden de vergunde C-evenementen in wezen B-evenementen zijn, en de vergunde B-evenementen A-evenementen. Volgens [appellant] zijn de verleende vergunningen gelet daarop ook in strijd met het beleid van de burgemeester, dat voor het verlenen van evenementenvergunningen rustpauzes tussen evenementen vereist zijn als bedoeld in het Tebodinrapport.

2.5.1. Dit betoog faalt. De verordening bepaalt niet dat de handleiding van toepassing is op de vergunningverlening voor evenementen krachtens de verordening. Voorts bestaat geen verplichting de handleiding toe te passen en is ook in het Tebodinrapport bij de berekening van de geluidbelasting geen rekening gehouden met een straffactor voor muziekgeluid. Gelet hierop en gezien de verordening heeft het college niet ten onrechte geen rekening gehouden met de straffactor voor muziekgeluid.

2.6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester bij het verlenen van de vergunning betekenis heeft kunnen toekennen aan de positionering van de muziekpodia en de luidsprekers op het plein. Volgens hem blijkt uit het op 13 augustus 2007 uitgebrachte rapport van het geluidsonderzoek dat is verricht in opdracht van de gemeente Midden-Drenthe door Stroop raadgevende ingenieurs b.v. dat de positie van het podium en de geluidsinstallatie vanwege de geringe afstand van evenementen die plaatsvinden op het Van Weezelplein tot de omringende woningen, geen invloed heeft op de gevelbelasting van de dichtstbijzijnde woningen.

2.6.1. Dit betoog slaagt niet. Uit het genoemde rapport blijkt niet dat de positie van de geluidsinstallatie en het podium geen invloed heeft op de gevelbelasting van omliggende woningen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de burgemeester ook in redelijkheid betekenis kon toekennen aan de positionering van de muziekpodia en de geluidsinstallatie. Voorts heeft de burgemeester eisen gesteld aan het geluidsniveau waaraan de stichting, ongeacht de positionering van het podium en de geluidsinstallatie, moet voldoen.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. P.A. Offers, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Hardeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2009

312-622.