Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ9517

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
07-10-2009
Zaaknummer
200807110/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 augustus 2008, kenmerk 2008/10631, heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) een vergunning krachtens artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998

(hierna: Nbw 1998) verleend aan [vergunninghoudster] voor het exploiteren van een nertsenfokkerij en -pelserij in de omgeving van het als speciale beschermingszone aangewezen gebied "Mariapeel".

Wetsverwijzingen
Natuurbeschermingswet 1998
Natuurbeschermingswet 1998 16
Natuurbeschermingswet 1998 19d
Natuurbeschermingswet 1998 19e
Natuurbeschermingswet 1998 65
Wijzigingswet Natuurbeschermingswet 1998 (Europeesrechtelijke verplichtingen)
Wijzigingswet Natuurbeschermingswet 1998 (Europeesrechtelijke verplichtingen) V
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2009/143 met annotatie van Zijlmans
JOM 2009/933
Omgevingsvergunning in de praktijk 2009/1199

Uitspraak

200807110/1/R2.

Datum uitspraak: 7 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., gevestigd te Nijmegen,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2008, kenmerk 2008/10631, heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) een vergunning krachtens artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998

(hierna: Nbw 1998) verleend aan [vergunninghoudster] voor het exploiteren van een nertsenfokkerij en -pelserij in de omgeving van het als speciale beschermingszone aangewezen gebied "Mariapeel".

Tegen dit besluit heeft de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. (hierna: MOB) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 september 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 augustus 2009, waar MOB, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, werkzaam bij Wösten juridisch advies, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.M.P. Creemers, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Naar aanleiding van de stelling van het college dat MOB door het bestreden besluit niet in een rechtstreeks belang wordt geraakt, wordt overwogen dat de Afdeling MOB reeds in haar uitspraak van 19 februari 2009, zaak nr. 200807581/2 heeft aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb bij een vergunning verleend krachtens artikel 19d van de Nbw 1998. De Afdeling ziet in dit geval geen aanleiding voor een ander oordeel.

2.2. [vergunninghoudster] exploiteert een nertsenfokkerij en -pelserij aan de [locatie] te [plaats], op een afstand van ongeveer 200 meter van het natuurgebied Mariapeel.

De Mariapeel is bij besluit van 21 september 1976 aangewezen als staatsnatuurmonument. Bij besluit van 29 oktober 1986 is de Mariapeel aangewezen als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4 van de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (Pb L 103; hierna: de Vogelrichtlijn).

De Mariapeel is op 19 mei 2003 aangemeld als speciale beschermingszone als bedoeld in de Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Pb L 206; hierna: de Habitatrichtlijn). De Mariapeel is tezamen met het gebied de Deurnese Peel als één gebied op 7 december 2004 door de Europese Commissie op de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Habitatrichtlijn geplaatst.

2.3. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Nbw 1998, voor zover hier van belang, is het verboden zonder vergunning van het college in een beschermd natuurmonument handelingen te verrichten, te doen verrichten of te gedogen, die schadelijk kunnen zijn voor het natuurschoon, voor de natuurwetenschappelijke betekenis van het beschermd natuurmonument of voor dieren of planten in het beschermd natuurmonument of die het beschermd natuurmonument ontsieren.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel worden als schadelijke handelingen in elk geval aangemerkt handelingen die de in het besluit tot aanwijzing als beschermd natuurmonument vermelde wezenlijke kenmerken van het beschermde natuurmonument aantasten.

Ingevolge het derde lid van dit artikel wordt een vergunning als bedoeld in het eerste lid, voor zover dit betrekking heeft op het verrichten, doen verrichten of gedogen van handelingen die significante gevolgen kunnen hebben voor het natuurschoon, de natuurwetenschappelijke betekenis of voor dieren of planten in een beschermd natuurmonument, slechts verleend indien met zekerheid vaststaat dat die handelingen de natuurlijke kenmerken van het beschermde natuurmonument niet aantasten, tenzij dwingende redenen van groot openbaar belang tot het verlenen van een vergunning noodzaken.

Ingevolge het vierde lid is het in het eerste lid bedoelde verbod tevens van toepassing op handelingen als bedoeld in dat lid, die buiten het beschermd natuurmonument kunnen worden verricht en die zijn vermeld in het besluit tot aanwijzing als natuurmonument, bedoeld in artikel 10, of een besluit tot voorlopige aanwijzing, bedoeld in artikel 12.

Ingevolge artikel 65 van de Nbw 1998, voor zover hier van belang, geldt ten aanzien van beschermde natuurmonumenten die op grond van de Nbw (oud) zijn aangewezen, in afwijking van artikel 16, vierde lid, het verbod van artikel 16, eerste lid, voor in dat artikellid bedoelde schadelijke handelingen die buiten het beschermde natuurmonument of staatsnatuurmonument worden verricht zonder dat deze handelingen vermeld zijn in het besluit tot aanwijzing.

2.3.1. Ingevolge artikel 19d van de Nbw 1998, zoals dit luidde ten tijde van het bestreden besluit en voor zover hier van belang, is het verboden zonder vergunning van het college projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van de soorten in een op grond van artikel 10a, eerste lid, van de Nbw 1998 aangewezen gebied, kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.

Ingevolge artikel 19e, aanhef en onder a, van de Nbw 1998, voor zover hier van belang, houdt het college bij het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, rekening met de gevolgen die een project of andere handeling, waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, gelet op de instandhoudingsdoelstelling kan hebben voor een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied.

Artikel 19f, eerste lid, van de Nbw 1998 bepaalt, voor zover hier van belang, dat voor nieuwe projecten of andere handelingen waarover het college een besluit op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, neemt en die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied, maar die afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of handelingen significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, de initiatiefnemer alvorens het college een besluit neemt, een passende beoordeling van het gebied maakt waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied.

Ingevolge artikel 19g, eerste lid, van de Nbw 1998 kan een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, slechts worden verleend indien het college uit de passende beoordeling bedoeld in artikel 19f, eerste lid, zich ervan heeft verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast.

Ingevolge artikel V, eerste lid, van de Wet van 20 januari 2005 tot wijziging van de Nbw 1998 in verband met Europeesrechtelijke verplichtingen gelden de besluiten van Onze minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit houdende de aanwijzing van gebieden ter uitvoering van de Vogelrichtlijn als besluiten als bedoeld in artikel 10a van de Nbw 1998.

Ingevolge artikel V, tweede lid, van de voornoemde wet gelezen in samenhang met artikel 15a, derde lid, van de Nbw 1998 is het aanwijzingsbesluit voor het hierboven genoemde staatsnatuurmonument met de inwerkingtreding van de Nbw 1998 vervallen, voor zover deze onderdeel uitmaken van de op grond van artikel 10a van de Nbw 1998 aangewezen speciale beschermingszone krachtens de Vogelrichtlijn. De instandhoudingsdoelstellingen voor het op grond van artikel 10a van de Nbw 1998 als speciale beschermingszone aangewezen gebied, hebben, gelet op artikel 15a, derde lid, van de Nbw 1998, mede betrekking op het behoud, het herstel en de ontwikkeling van het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis van die gebieden, zoals bepaald in het vervallen besluit.

2.3.2. In artikel 4, vijfde lid, van de Habitatrichtlijn is bepaald dat de bepalingen van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, gelden zodra een gebied op de lijst van gebieden van communautair belang is geplaatst. Ingevolge artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn wordt voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo’n gebied, een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in het vierde lid, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden.

Bij zijn arrest van 7 september 2004, in zaak C-127/02 (AB 2004, 365), heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen voor recht verklaard dat voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een gebied, een passende beoordeling wordt gemaakt van de gevolgen voor dat gebied, rekening houden met de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied, wanneer op grond van objectieve gegevens niet kan worden uitgesloten dat het afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen heeft voor dat gebied.

Voorts is voor recht verklaard dat een passende beoordeling van de gevolgen van een plan of project voor het betrokken gebied meebrengt dat, voordat voor dit plan of project toestemming wordt verleend, op basis van de beste wetenschappelijke kennis ter zake, alle aspecten van het plan of het project die op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten de instandhoudingsdoelstellingen van dit gebied in gevaar kunnen brengen, moeten worden geïnventariseerd. De bevoegde nationale autoriteiten geven, op basis van de passende beoordeling van de gevolgen voor het betrokken gebied, in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen daarvan, slechts toestemming voor deze activiteit wanneer zij de zekerheid hebben verkregen dat de activiteit geen schadelijke gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied. Dit is het geval wanneer er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat er geen schadelijke gevolgen zijn.

2.3.3. Nu het beroep mede betrekking heeft op de mogelijke aantasting van de door de Habitatrichtlijn beschermde habitats en soorten, dient te worden bezien op welke wijze artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn in deze zaak kan worden toegepast. Zoals de Afdeling op grond van de jurisprudentie van het Hof eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 31 maart 2000 in de zaak Texel (E01.97.0179; AB 2000/302) moet, alvorens wordt toegekomen aan de vraag of een artikel van de Habitatrichtlijn rechtstreekse werking heeft, worden nagegaan of het van toepassing zijnde nationale recht richtlijnconform kan worden geïnterpreteerd. In dit geval gaat het om een gebied dat niet alleen op de lijst van gebieden van communautair belang staat, maar tevens is aangewezen als speciale beschermingszone op grond van de Vogelrichtlijn. Deze aanwijzing geldt als een aanwijzing op grond van artikel 10a van de Nbw 1998, zodat artikel 19d van toepassing is op het Vogelrichtlijngebied de Mariapeel. De Afdeling ziet geen beletsel artikel 19d van de Nbw 1998 richtlijnconform uit te leggen in die zin dat dit voorschrift tevens het uit artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn voortvloeiende beschermingsregime voor het Habitatrichtlijngebied de Mariapeel omvat.

2.4. MOB betoogt dat het college bij de beoordeling van de vraag of het exploiteren van de nertsenfokkerij en -pelserij significante gevolgen kan hebben voor de omliggende natuurwaarden ten onrechte de aangevraagde situatie heeft vergeleken met de op 1 oktober 2005 geldende milieuvergunning. Volgens MOB had als peilmoment de datum van aanwijzing als staatsnatuurmonument, te weten 21 september 1976, dienen te worden gekozen. Conform het voorheen geldende beleid zou volgens MOB geen vergunning krachtens de Nbw 1998 kunnen worden verleend, omdat ten tijde van de aanwijzing als staatsnatuurmonument ter plaatse geen vergund bedrijf aanwezig was. Voor zover ter plaatse wel feitelijk een veehouderij aanwezig was, wijst MOB erop dat eerst in 1983 een oprichtingsvergunning krachtens de Hinderwet is verleend en het melkvee destijds een emissie van 742,7 kilo ammoniak veroorzaakte. Het is volgens MOB niet aannemelijk dat in 1976 een hogere emissie is opgetreden dan hetgeen in 1983 is vergund.

2.5. Het college stelt zich op het standpunt dat in het onderhavige geval het stand-still beleid gehanteerd dient te worden. Dit betekent volgens het college dat de ammoniakdepositie op een beschermd gebied door uitbreiding van een veehouderij niet mag toenemen ten opzichte van de laatst verleende milieuvergunning, tenzij sprake is van volledige saldering. Het college is uitgegaan van de milieuvergunning van 7 mei 1996 omdat de milieuvergunning van 20 december 2005 betrekking heeft op de uitbreiding die in de onderhavige procedure centraal staat. De ammoniakemissie en de ammoniakdepositie zijn volgens het college lager dan hetgeen op 7 mei 1996 is vergund. Het college concludeert dat de exploitatie van de nertsenfokkerij en -pelserij geen significante gevolgen met zich brengt voor de omliggende natuurwaarden.

2.6. Niet in geding is dat voor het exploiteren van de nertsenfokkerij en -pelserij een vergunning krachtens de Nbw 1998 is vereist. Verder staat vast dat voor de exploitatie van de nertsenfokkerij en -pelserij niet eerder een vergunning krachtens de Nbw (oud) dan wel krachtens de Nbw 1998 is verleend.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraken van 1 april 2009 in de zaken nrs. 200802600/1 en 200807857/1 is, anders dan het college betoogt, het bestaan van een vergunning krachtens Hinderwet of de Wet milieubeheer niet relevant voor de vraag of een vergunning krachtens de Nbw 1998 is vereist en kan worden verleend en betekent het evenmin dat er vergunde rechten zouden zijn waarmee bij het verlenen van de vergunning krachtens de Nbw 1998 rekening zou kunnen worden gehouden. Niet kan zonder meer worden aangenomen dat bij het verlenen van een vergunning op grond van de Hinderwet of de Wet milieubeheer, dezelfde activiteiten in dezelfde omvang ter beoordeling hebben gestaan. Gelet op het voorgaande heeft het college onvoldoende gemotiveerd waarom is uitgesloten dat de exploitatie van de nertsenfokkerij en -pelserij, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, geen significante gevolgen heeft voor het gebied afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen daarvan.

2.7. De conclusie is dat hetgeen MOB heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb te worden vernietigd. Hetgeen MOB subsidiair heeft betoogt behoeft derhalve geen bespreking.

2.8. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 7 augustus 2008, kenmerk 2008/10631;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg tot vergoeding van bij de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Limburg aan de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Broekman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2009

12-599.