Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ9513

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
07-10-2009
Zaaknummer
200900198/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 november 2006 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister) [appellante sub 2] een bestuurlijke boete van € 75.020,00 opgelegd wegens overtredingen van de Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit vervoer.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Arbeidstijdenwet
Arbeidstijdenbesluit vervoer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2009/250
ABkort 2009/465

Uitspraak

200900198/1/H3.

Datum uitspraak: 7 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. [appellante sub 1] en

2. [appellante sub 2], beide gevestigd te [plaats], [gemeente]

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 27 november 2008 in zaak nr. 08/425 in het geding tussen:

appellante sub 1

en

de minister van Verkeer en Waterstaat.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2006 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister) [appellante sub 2] een bestuurlijke boete van € 75.020,00 opgelegd wegens overtredingen van de Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit vervoer.

Bij besluit van 25 januari 2008 heeft de minister het door [appellante sub 2] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard wat betreft vijfendertig overtredingen, de boete, onder herroeping van het besluit in zoverre, verlaagd naar € 33.880,00 en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 november 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het door [appellante sub 1] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellante sub 1] en [appellante sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 januari 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden ervan zijn aangevuld bij brief van 5 februari 2009.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 augustus 2009, waar [appellante sub 1] en [appellante sub 2], beide vertegenwoordigd door [bestuurder] van eerstgenoemde, bijgestaan door mr. K. Vierhout, advocaat te Haarlem, en de minister, vertegenwoordigd door mr. W. Autar en M. de Raad, beiden ambtenaar in dienst van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Per 31 mei 2007 is [appellante sub 2] ontbonden en zijn de activa en passiva van de door haar gedreven onderneming overgedragen aan [appellante sub 1] De laatste heeft die onderneming daarop voortgezet. Omdat [appellante sub 2] thans niet bestaat, dient het hoger beroep, voor zover dat namens haar is ingesteld, niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.2. De rechtbank heeft overwogen dat de hoedanigheid van overtreder en de daarmee verbonden verplichting tot betaling van de boete niet met de onderneming is overgedragen en dat [appellante sub 1] in zoverre dan ook niet de rechtsopvolger is van [appellante sub 2]. Zij heeft geoordeeld dat het belang van [appellante sub 1] dan ook niet rechtstreeks bij het besluit van 25 januari 2008 betrokken is. Er is slechts een overeenkomst tussen [appellante sub 1] en [appellante sub 2] volgens welke alle schulden worden overgedragen en deze is onvoldoende om een zodanig belang te scheppen.

2.3. [appellante sub 1] betoogt dat de aanspraak van [appellante sub 2] op rechtsbescherming aldus verloren gaat, omdat de boete is opgelegd aan de vennootschap en niet aan haar vennoten en de door de vennootschap gedreven onderneming is overgegaan op [appellante sub 1] Door de overgang van de onderneming heeft [appellante sub 1] rechtstreeks belang gekregen bij het beroep tegen het besluit van 25 januari 2008, aldus [appellante sub 1]

2.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 augustus 1998 in zaak nr. H01.97.0326; JB 1998, 207), gaat in geval van rechtsopvolging onder bijzondere titel, zoals in dit geval, de hoedanigheid van aanlegger van een eenmaal in bezwaar of beroep aanhangig gemaakt geding over van de vervreemder op de rechtverkrijgende. In dat geval moet de procedure door de rechtverkrijgende kunnen worden voortgezet om te voorkomen dat, na de rechtsopvolging, het belang bij het besluit, ter bescherming waarvan de procedure in gang kon worden en is gezet, is blijven bestaan, maar geen rechtsbescherming kan worden verkregen, doordat het belang daarbij aan de zijde van de vervreemder en aanlegger van het geding is vervallen.

De boete is bij het besluit van 22 november 2006 opgelegd aan [appellante sub 2] in haar hoedanigheid van werkgeefster. Met de ontbinding van die vennootschap en de overdracht aan [appellante sub 1] van alle activa en passiva van de door haar gedreven onderneming, inclusief de opgelegde boete, verloor [appellante sub 2] de hoedanigheid van belanghebbende en is deze overgegaan op [appellante sub 1] Nu [appellante sub 1] de boete heeft betaald en de voormalige vennoten van [appellante sub 2] daardoor niet meer tot betaling ervan kunnen worden aangesproken, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat [appellante sub 1] niet als belanghebbende kan worden aangemerkt en haar beroep niet-ontvankelijk verklaard.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen, om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

2.6. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding ervan te beslissen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep, voor zover ingesteld namens de [appellante sub2], niet-ontvankelijk;

II. verklaart het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellante sub 1], gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Roermond van 27 november 2008 in zaak nr. 08/425;

IV. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

V. stelt de door [appellante sub 1] in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten vast op € 687,79 (zegge: zeshonderdzevenentachtig euro en negenenzeventig cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten;

VI. gelast dat de minister van Verkeer en Waterstaat aan [appellante sub 1] het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 433,00 (zegge: vierhonderddrieëndertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Pikart-van den Berg

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2009

350.