Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ9511

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
07-10-2009
Zaaknummer
200809389/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek (hierna: het college) geweigerd aan [wederpartij] vrijstelling te verlenen voor het realiseren van een verblijfsruimte bij een paardenhouderij op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200809389/1/H1.

Datum uitspraak: 7 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 19 november 2008 in zaak nr. 08/1233 in het geding tussen:

[wederpartij], wonende te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek (hierna: het college) geweigerd aan [wederpartij] vrijstelling te verlenen voor het realiseren van een verblijfsruimte bij een paardenhouderij op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 22 januari 2008 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 november 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 januari 2008 vernietigd en het college opgedragen met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit te nemen op het gemaakte bezwaar met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 december 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 20 januari 2009.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 augustus 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.J.M. Morel, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [wederpartij], in persoon en bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Semi- en niet-agrarische bedrijven" met de aanduiding "P5: paardenhouderij".

Ingevolge artikel 1, onder 11, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, wordt onder bedrijfswoning verstaan: een woning, in of bij een bedrijfsgebouw of op een terrein, die is bedoeld voor de huisvesting van het (huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar, gelet op de ter plaatse geldende bestemming of het ter plaatse uitgeoefende bedrijf, noodzakelijk is.

Ingevolge artikel 11.1.1., voor zover thans van belang, zijn de als "Semi- en niet-agrarische bedrijven" met de aanduiding

"P5: paardenhouderij" bestemde gronden bestemd voor een paardenhouderij en daarbij behorende voorzieningen.

Ingevolge artikel 11.1.2., gelezen in samenhang met de op de plankaart aangegeven code, voor zover thans van belang, zijn de als zodanig bestemde gronden tevens bestemd voor woondoeleinden ten dienste van het betreffende bedrijf, waarbij op het perceel maximaal één bedrijfswoning is toegestaan.

Ingevolge artikel 11.2.2., aanhef en onder c, onder 2, zijn woningen uitsluitend toegestaan voor zover deze in gebruik zijn voor de huisvesting van (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar in verband met de ter plaatse uitgeoefende bedrijfsactiviteiten noodzakelijk is.

Ingevolge artikel 11.4., onder c, wordt onder een verboden gebruik als bedoeld in artikel 25 van de planvoorschriften in ieder geval tevens het gebruik van bedrijfsgebouwen voor woondoeleinden verstaan, behoudens inpandige bedrijfswoningen.

Ingevolge artikel 25.1. is het verboden de in het bestemmingsplan begrepen gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met het in het plan bepaalde.

2.2. [wederpartij] is in 1996 een paardenhouderij begonnen op het perceel. De paardenhouderij wordt thans geëxploiteerd door een besloten vennootschap, waarvan de bedrijfsvoering in handen is van [wederpartij] en diens zoon. [wederpartij] woont in de bedrijfswoning op het perceel. Een gedeelte van de bedrijfsgebouwen (hierna: de verblijfsruimte) wordt permanent bewoond door zijn zoon en diens partner. Gelet hierop, is het gebruik van de verblijfsruimte te karakteriseren als een gebruik als tweede bedrijfswoning, hetgeen in strijd is met artikel 11.1.2., artikel 11.2.2., aanhef en onder c, onder 2, en artikel 25.1., gelezen in samenhang met artikel 11.4., onder c, van de planvoorschriften.

2.3. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), voor zover thans van belang, kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. De gemeenteraad kan bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

Ingevolge artikel 19a, derde lid, van die wet, wordt de vrijstelling geweigerd, indien besloten wordt geen toepassing te geven aan het vierde lid.

Ingevolge het vierde lid, van dat artikel voor zover thans van belang, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing op de voorbereiding van het besluit omtrent de vrijstelling.

2.4. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij op onjuiste gronden heeft geweigerd ingevolge de hem gedelegeerde bevoegdheid van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling te verlenen voor de verblijfsruimte. Hiertoe voert het college onder meer aan dat bij het besluit op bezwaar van 22 januari 2008 op grond van de voorschriften van het geldende bestemmingsplan en de daaraan ontleende planologische overwegingen is besloten geen toepassing te geven aan artikel 19a, vierde lid, van de WRO. De rechtbank heeft volgens het college miskend dat aldus geen betekenis meer toekwam aan het standpunt van gedeputeerde staten inzake de vestiging van een tweede bedrijfswoning op het perceel. De verkrijging van een verklaring van geen bezwaar voor die woning was niet langer aan de orde.

2.4.1. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [wederpartij] slechts als adviseur en administrateur bij de paardenhouderij betrokken is. Zijn zoon en diens partner nemen de bedrijfsvoering, waaronder begrepen de dagelijkse verzorging van de paarden waarvoor permanente aanwezigheid ter plaatse van het bedrijf is aangewezen, voor hun rekening. Onder deze omstandigheden heeft het college zich in zijn besluit op bezwaar van 22 januari 2008 terecht op het standpunt gesteld dat [wederpartij] voor een doelmatige bedrijfsvoering niet op het perceel gehuisvest hoeft te zijn. Nu op het perceel reeds een bedrijfswoning aanwezig is die, gelet op het vorenstaande, thans niet ten dienste staat van het bedrijf, heeft het college in redelijkheid kunnen besluiten geen toepassing te geven aan artikel 19a, vierde lid, van de WRO, en, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen aanleiding hoeven zien om onder het verstrekken van nadere informatie over de situatie ter plaatse opnieuw gedeputeerde staten te raadplegen. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte geoordeeld dat het college op onjuiste gronden heeft geweigerd krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling te verlenen voor bewoning van de verblijfsruimte.

Het betoog slaagt.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 24 januari 2008 van het college alsnog ongegrond verklaren.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 19 november 2008 in zaak nr. 08/1233;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Spoel w.g. Van Dorst

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2009

357-593.