Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ9507

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
07-10-2009
Zaaknummer
200808919/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna: het college) geweigerd aan [appellant] vrijstelling te verlenen voor het gebruik van een agrarische bedrijfshal op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) ten behoeve van het houden van zes evenementen per jaar voor een periode van vijf jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200808919/1/H1.

Datum uitspraak: 7 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 13 november 2008 in zaak nr. 08/2786 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna: het college) geweigerd aan [appellant] vrijstelling te verlenen voor het gebruik van een agrarische bedrijfshal op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) ten behoeve van het houden van zes evenementen per jaar voor een periode van vijf jaar.

Bij uitspraak van 13 november 2008, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 december 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 augustus 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. P.J.L.J. Duijsens, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.C. Berkouwer, advocaat te Haarlem, en C.J. van Dam, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op het perceel wordt een semi-agrarisch bedrijf uitgeoefend. Sinds enkele jaren worden onder meer concerten gehouden in een agrarische bedrijfshal op het perceel. De gevraagde vrijstelling strekt ertoe de planologische situatie af te stemmen op de in de toekomst te houden evenementen.

2.2. Vast staat dat het gebruik van de agrarische bedrijfshal op het perceel voor evenementen in strijd is met de ingevolge de bestemmingsplannen "Landelijk Gebied" en "Noordelijke Randweg/Spoorlaan Midden", op het perceel rustende agrarische bestemming.

2.3. Het college heeft geweigerd vrijstelling krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) te verlenen, omdat de bedrijfshal niet voldoet aan de in het Bouwbesluit 2003 (hierna: het Bouwbesluit) en de in de bouwverordening van de gemeente Haarlemmermeer (hierna: de bouwverordening) opgenomen brandveiligheidsvoorschriften. Daarbij is het college op grond van een door de brandweer van de gemeente Haarlemmermeer, sector Pro-actie/Preventie (hierna: de brandweer) uitgebracht rapport van 13 februari 2008 ervan uitgegaan dat de bedrijfshal, die wordt gebruikt als tuinbouwkas, ten behoeve van het houden van evenementen moet voldoen aan de voorschriften die gelden voor bouwwerken met een bijeenkomstfunctie.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren vrijstelling te verlenen. Hij wijst er op dat in het verleden voor de evenementen in de bedrijfshal vrijstellingen krachtens artikel 17 van de WRO zijn verleend, waarbij geen bezwaren werden gezien betreffende de brandveiligheidseisen. Die eisen kwamen aan de orde in het kader van de evenementenvergunningen. Gelet hierop heeft het college thans ten onrechte bij de beoordeling van het verzoek om vrijstelling getoetst aan de brandveiligheidseisen in het Bouwbesluit en de bouwverordening. Voorts betoogt [appellant] dat het college ten onrechte heeft getoetst aan de eisen in het Bouwbesluit die gelden voor bouwwerken met een bijeenkomstfunctie, aangezien het hier gaat om incidentele evenementen. Daarnaast stelt hij dat de bedrijfshal ook indien wel van een bijeenkomstfunctie wordt uitgegaan voldoet aan de in het Bouwbesluit en de bouwverordening gestelde brandveiligheidseisen. Het college is in dat verband in het besluit van 4 maart 2008 ten onrechte niet ingegaan op het in zijn opdracht door Vlampunt opgestelde rapport van 25 februari 2008, aldus [appellant].

2.4.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de omstandigheid dat het college in het verleden vrijstellingen krachtens artikel 17 van de WRO heeft verleend voor evenementen in de bedrijfshal en daarbij geen eisen op het punt van de brandveiligheid heeft gesteld, noch de omstandigheid dat de brandveiligheid in het verleden in het kader van de evenementenvergunningen werd beoordeeld, kunnen leiden tot het oordeel dat het college om die reden de in het Bouwbesluit en de bouwverordening gestelde eisen inzake de brandveiligheid niet had mogen betrekken bij de beoordeling van de thans gevraagde vrijstelling.

2.4.2. Het Bouwbesluit bevat eisen waaraan een bouwwerk moet worden voldoen.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van het Bouwbesluit heeft een te bouwen bouwwerk een bouwconstructie die gedurende de in NEN 6700 bedoelde referentieperiode voldoende bestand is tegen de daarop werkende krachten.

Ingevolge artikel 2.1, tweede lid, van het Bouwbesluit wordt voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.1 voorschriften zijn aangewezen, voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

Ingevolge artikel 1.1, derde lid, van het Bouwbesluit wordt, voor zover thans van belang, onder bijeenkomstfunctie verstaan: gebruiksfunctie voor het samenkomen van mensen voor cultuur.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het beoogde gebruik van de bedrijfshal voor evenementen een bijeenkomstfunctie in de zin van het Bouwbesluit is. Dat het slechts om zes evenementen per jaar zou gaan is daarbij niet van belang.

2.4.3. De rechtbank is ten onrechte niet ingegaan op het betoog van [appellant] dat de bedrijfshal ook indien van een bijeenkomstfunctie wordt uitgegaan voldoet aan de brandveiligheidseisen. [appellant] betoogt op zich terecht dat het college in het besluit van 4 maart 2008 niet expliciet is ingegaan op het door [appellant] overgelegde rapport van Vlampunt van 25 februari 2008. Dit leidt evenwel niet tot het door hem beoogde doel, gelet op het volgende.

Uit het advies van de brandweer van 13 februari 2008, als ook uit het door [appellant] overgelegde rapport van Vlampunt, blijkt immers dat de bedrijfshal ten tijde van het opstellen van voornoemd advies en rapport niet voldeed aan de brandveiligheidseisen die het Bouwbesluit en de bouwverordening aan een gebouw met een bijeenkomstfunctie stellen. Het rapport van Vlampunt gaat er van uit dat voldaan wordt aan de brandveiligheidseisen indien de in dit rapport gegeven adviezen, zoals het uitvoeren van de ruimte in de bedrijfshal die voor bijeenkomsten wordt gebruikt als brandcompartiment met een minimale WBDBO (weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag) van zestig minuten worden opgevolgd. Blijkens dit rapport moesten de daarin aanbevolen voorzieningen evenwel nog worden getroffen. Dat de door Vlampunt geadviseerde voorzieningen ten tijde van het besluit van 4 maart 2008 reeds waren aangebracht, zoals door [appellant] ter zitting heeft gesteld, is niet aannemelijk gemaakt. Overigens heeft [appellant], zoals ter zitting door hem is bevestigd, ook nimmer bij de gemeente gemeld dat de bedoelde voorzieningen waren aangebracht.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij erop mocht vertrouwen dat vrijstelling zou worden verleend. Volgens [appellant] heeft het college bij brief van 19 april 2007 toegezegd medewerking te verlenen aan de thans verzochte vrijstelling. Hij heeft in dat verband voorts verwezen naar een brief van het college van 1 november 2006.

2.5.1. Dit betoog faalt. De brief van het college van 1 november 2006 noch de brief van 19 april 2007 bevat concrete toezeggingen namens het college door een daartoe bevoegd persoon dat vrijstelling zou worden verleend. Aan het in gang zetten van een vrijstellingsprocedure kan ook niet het in rechte te honoreren vertrouwen worden ontleend dat de vrijstelling daadwerkelijk zal worden verleend.

2.6. Het betoog van [appellant] dat aan zijn belangen onvoldoende gewicht is toegekend, slaagt evenmin. Dat hij reeds artiesten heeft geboekt en naar gesteld schade zal lijden indien de evenementen geen doorgang kunnen vinden, kan, wat daar verder van zij, niet leiden tot gehoudenheid voor het college tot het verlenen van vrijstelling met voorbijgaan aan de eisen van brandveiligheid.

2.7. De rechtbank heeft, gelet op het voorgaande, terecht overwogen dat het college de gevraagde vrijstelling in redelijkheid heeft kunnen weigeren.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Driel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2009

414-580.