Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ9500

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-10-2009
Datum publicatie
07-10-2009
Zaaknummer
200907045/1/H1 en 200907045/2/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 mei 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eersel (hierna: het college) het tot [appellant] gerichte besluit tot het toepassen van bestuursdwang van 6 december 1988 van het college van burgemeester en wethouders van Vessem (thans: het college) ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200907045/1/H1 en 200907045/2/H1.

Datum uitspraak: 2 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 3 september 2009 in zaak nrs. 09/2066 en 09/2067 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Eersel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eersel (hierna: het college) het tot [appellant] gerichte besluit tot het toepassen van bestuursdwang van 6 december 1988 van het college van burgemeester en wethouders van Vessem (thans: het college) ingetrokken.

Bij besluit van 22 september 2008 heeft het college [appellant] onder oplegging van dwangsommen gelast, voor zover thans van belang, met betonplaten verharde delen te verwijderen en verwijderd te houden en het gebruik voor opslag van diverse zaken te beëindigen en beëindigd te houden op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] te [plaats].

Bij besluit van 13 mei 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 september 2009, verzonden op 7 september 2009, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 september 2009, hoger beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 september 2009, waar [appellant], vertegenwoordigd door J.P.A.F. Vriens en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. P.M.H.M. Bakkermans, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts heeft [appellant] als getuigen meegebracht: [getuige 1] en [getuige 2] (hierna: [getuigen]).

2. Overwegingen

2.1. In dit geval, nu partijen ter zitting hebben medegedeeld dat zij in de bodemprocedure niet meer of ander bewijs zullen kunnen overleggen, kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. De voorzitter heeft afgezien van het horen van de door [appellant] meegebrachte getuigen. Ter zitting heeft [appellant] medegedeeld dat hij deze getuigen slechts hun op 7 oktober 2008 bij een notaris afgelegde verklaring omtrent het gebruik van het [perceel 2] wil laten bevestigen. Nu het college desgevraagd heeft medegedeeld niet in twijfel te trekken dat [getuigen] deze verklaring, waarvan het proces-verbaal zich in het rechtbankdossier bevindt, hebben afgelegd, is de voorzitter van oordeel dat het horen van deze getuigen redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

2.3. Niet in geschil is dat voor de aangebrachte verharding op het [perceel 2] geen aanlegvergunning is verleend.

Ten aanzien van het gebruik van het [perceel 2] is het hoger beroep beperkt tot de vraag of opslag op dat perceel achter de bestaande loods voor zover die plaatsvindt op een grotere afstand dan 20 m daarvandaan, onder het overgangsrecht valt. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat dit het geval is en dat het college derhalve niet bevoegd was daartegen handhavend op te treden. Hij wijst in dit verband op luchtfoto's uit 1983 en 1986 en op de verklaring van [getuigen].

2.3.1. Ingevolge artikel 45, lid B/C, onder I, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan):

1. mag het gebruik van de grond, anders dan voor bebouwing en het gebruik van opstallen, strijdig met het plan op het tijdstip dat het plan onherroepelijk rechtskracht heeft verkregen, worden gehandhaafd;

2. mag het onder 1. bedoelde gebruik na de feitelijke beëindiging daarvan niet worden hervat;

3. wordt onder feitelijke beëindiging niet verstaan een onderbreking van het gebruik korter dan 3 jaar.

Ingevolge artikel 45, lid B/C, onder II, is het verboden het met het plan strijdig gebruik van grond en opstallen te wijzigen, indien hierdoor de afwijking van het plan wordt vergroot.

Niet in geschil is dat het bestemmingsplan op 25 juni 1985 onherroepelijk rechtskracht heeft verkregen.

2.3.2. Het betoog slaagt niet. Op de foto uit 1983 is geen opslag op een grotere afstand dan 20 m achter de loods te zien. De foto uit 1986 laat zien dat de opslag achter de loods, in vergelijking met de situatie op de foto uit 1983, beduidend is uitgebreid. Het college heeft ter zitting uiteengezet dat het, uitgaande van de foto uit 1983 waarop achter de loods verspreid liggende vlekken waarneembaar zijn, de afstand waarbinnen opslag plaatsvond ruim heeft vastgesteld op 20 m. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat op de peildatum opslag plaatsvond op meer dan 20 m afstand achter de loods. De door hem overgelegde getuigenverklaring van 7 oktober 2008 leidt niet tot een ander oordeel. Deze verklaring is algemeen en houdt in dat in de periode van 1980 tot aan het moment waarop de verklaring is afgelegd op het gehele perceel ooit goederen opgeslagen zijn geweest, maar zegt niets over de omvang van de opslag op de peildatum en de exacte locaties.

De voorzieningenrechter heeft derhalve terecht overwogen dat de opslag in strijd is met het bestemmingsplan.

2.4. De conclusie is dat het college ten aanzien het [perceel 2] bevoegd was zowel tegen het gebruik dat daarvan wordt gemaakt als tegen de aangebrachte verharding handhavend op te treden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat concreet zicht bestaat op legalisering van de verharding. Hij voert hiertoe aan dat ook de verharding onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan valt, en dat in het ontwerpbestemmingsplan "Buitengebied" de bedrijfsactiviteiten positief zijn bestemd. In beide gevallen kan aanlegvergunning worden verleend, aldus [appellant].

2.5.1. Dit betoog slaagt niet. Hoewel het aanleggen van verharding kan worden aangemerkt als een vorm van gebruik, zijn in dit geval de gebruiksbepalingen van het bestemmingsplan niet van toepassing, aangezien in het bestemmingsplan een aanlegvergunningenstelsel is opgenomen. Het gebruiksovergangsrecht is derhalve evenmin van toepassing op de aangebrachte verharding.

Voorts heeft het college ter zitting medegedeeld dat in het nieuwe bestemmingsplan "Buitengebied", dat nog in de ontwerpfase verkeert, slechts aanlegvergunning kan worden verleend voor gebruik ten dienste van de agrarische bestemming en dat van een dergelijk gebruik in dit geval geen sprake is.

2.6. De voorzieningenrechter heeft derhalve terecht overwogen dat zich geen concreet zicht op legalisering voordoet en dat ook overigens niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van handhavend optreden had dienen af te zien.

2.7. Ten aanzien van het [perceel 1] beperkt het hoger beroep zich tot de lengte van de begunstigingstermijn. In het betoog van [appellant], dat hij niet op korte termijn een terrein kan vinden waarnaar hij de opslag kan verplaatsen, is geen grond gelegen voor het oordeel dat de voorzieningenrechter ten onrechte de gestelde begunstigingstermijn niet onredelijk heeft geacht. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant] al gedurende twintig jaar in gesprek is met het college over het toegestane gebruik van dit perceel. Onder die omstandigheden kan een in het primaire besluit gestelde begunstigingstermijn van één jaar, die in bezwaar is gehandhaafd, niet als onredelijk worden beschouwd.

2.8. Ten slotte kan het door [appellant] aangevoerde betoog dat zich strijd met artikel 6 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) voordoet, omdat het acht maanden heeft geduurd voor het college een besluit op zijn bezwaarschrift van 2 oktober 2008 heeft genomen, niet leiden tot het door hem beoogde resultaat.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 december 2008 in zaak nr. 200802629/1) acht de Afdeling in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar mag duren, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep eveneens ten hoogste twee jaar.

In dit geval heeft de behandeling van het bezwaar acht maanden geduurd, de behandeling van het beroep minder dan drie maanden en de behandeling van het hoger beroep ongeveer één maand. Van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is derhalve geen sprake.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2009

488.