Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ9488

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
07-10-2009
Zaaknummer
200809142/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 mei 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hellendoorn (hierna: het college) de boerderij met bakhuis van [appellant], gelegen aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het pand), aangewezen als beschermd gemeentelijk monument.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200809142/1/H2.

Datum uitspraak: 7 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 11 november 2008 in zaak nr. 08/ 258 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hellendoorn.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hellendoorn (hierna: het college) de boerderij met bakhuis van [appellant], gelegen aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het pand), aangewezen als beschermd gemeentelijk monument.

Bij besluit van 1 februari 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 november 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 december 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 14 januari 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juli 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. H.E. Davelaar, advocaat te Zwolle, en G. Kreijkes, werkzaam bij Kreijkes Bouw Consulting, en het college, vertegenwoordigd door G.H. Toonk, ambtenaar van de gemeente Hellendoorn, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a1, van de Monumentenverordening (hierna: de verordening) wordt onder monument begrepen een zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, de betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan het college, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een onroerend monument aanwijzen als beschermd gemeentelijk monument.

Ingevolge het tweede lid vraagt het college advies aan de Monumentenraad, voordat zij een besluit neemt over de aanwijzing. In spoedeisende gevallen kan het vragen van dit advies achterwege blijven.

Volgens de basisnormen uit de toetsingscriteria bij adviezen inzake plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst dient, voor zover thans van belang, het casco bij panden, de bouwkundige hoofdstructuur, in tenminste redelijke staat te verkeren en is het object/complex te restaureren zonder volledige afbraak.

Het object/complex dient in ieder geval te voldoen aan de basisnormen en één of meer van de toetsingscriteria, welke het uitgangspunt vormen voor de voor elk individueel object/complex te formuleren motivering.

De toetsingscriteria zijn te verdelen in de volgende hoofdgroepen:

1. architectuurhistorische criteria

2. stedenbouwkundige criteria

3. cultuurhistorische criteria

4. overige criteria.

2.2. Het college heeft het besluit op bezwaar van 1 februari 2008, waarbij de aanwijzing van het pand als beschermd gemeentelijk monument is gehandhaafd, in overeenstemming met artikel 3, tweede lid, van de verordening eerst genomen nadat advies was ingewonnen bij de Monumentenraad. Voorts is daarbij het inspectierapport van de Stichting Monumentenwacht Overijssel en Flevoland (hierna: Monumentenwacht) van 31 juli 2007 betrokken. Zowel het advies van de Monumentenraad als het rapport van Monumentenwacht behelst dat het pand in redelijke staat verkeert.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college op basis van het rapport van Monumentenwacht heeft kunnen concluderen dat het pand in tenminste redelijke staat verkeert en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit rapport naar inhoud of totstandkoming ondeugdelijk is. Volgens [appellant] dient niet hij, maar het college dit aan te tonen. Ter ondersteuning van dit betoog heeft [appellant] een rapport van registertaxateur T.J.M. Harbers (hierna: Harbers), werkzaam bij LTO Vastgoed B.V., en een rapport van G. Kreijkes van Kreijkes Bouw Consulting (hierna: Kreijkes) overgelegd.

2.4. Het betoog faalt. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat, hoewel zowel in het rapport van Monumentenwacht als in de door [appellant] overgelegde rapporten dezelfde gebreken worden geconstateerd, [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het college op basis van het rapport van Monumentenwacht niet heeft mogen concluderen dat het pand in tenminste redelijke staat verkeert. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het rapport van Monumentenwacht, anders dan [appellant] in het beroepschrift vermeldt, niet alleen de kwalificaties redelijk, matig of slecht verbindt aan onderdelen van het pand maar eveneens de kwalificatie goed en [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat doorslaggevende betekenis moet worden toegekend aan de als matig of slecht gekwalificeerde onderdelen van het pand. Met hetgeen [appellant] heeft aangevoerd heeft hij voorts niet aannemelijk gemaakt dat dit rapport, alsmede het advies van de Monumentenraad naar inhoud of totstandkoming ondeugdelijk of anderszins onjuist is. Dat Monumentenwacht volgens [appellant] een andere waardering hecht aan het casco van het pand maakt dit niet anders. Daarbij komt dat het rapport van Kreijkes, anders dan dat van Monumentenwacht, niet is beperkt tot herstel/restauratie van het pand, maar bij de advisering heeft betrokken of het pand voldoet aan de eisen van deze tijd. De basisnormen nopen niet tot een verdergaande beoordeling van het pand dan de beoordeling of het casco in tenminste redelijke staat verkeert. Het rapport van Harbers bevat voor de conclusie dat de kosten van renovatie/restauratie hoger zullen uitvallen dan sloop en vervangende nieuwbouw geen financiële onderbouwing. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college zich heeft mogen baseren op het advies van de Monumentenraad en het rapport van Monumentenwacht en gelet hierop heeft mogen concluderen dat het pand in tenminste redelijke staat verkeert. Aangezien [appellant] deze conclusie betwist, lag het op zijn weg aannemelijk te maken dat het college deze conclusie niet heeft mogen baseren op bedoeld advies en rapport. [appellant] is daarin met het overleggen van de rapporten van Harbers en Kreijkes niet geslaagd.

2.5. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het pand voldoet aan het begrip monument als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a1, van de verordening. [appellant] voert in dit verband aan dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat voldaan is aan de criteria om het pand aan te kunnen wijzen als monument en wijst op het door hem overgelegde rapport van Harbers, waarin is vermeld dat geen sprake is van een unieke boerderij en dat de aan het pand verrichtte verbouwingen afbreuk hebben gedaan aan de kenmerkendheid en de gaafheid van het pand en derhalve aan de cultuurhistorische en architectuurhistorische waarden ervan. Ook de gebrekkige onderhoudstoestand is volgens dit rapport van invloed op de monumentwaardigheid van het pand. Ter zitting heeft [appellant] benadrukt dat er in de omgeving talloze panden van hetzelfde type zijn.

2.5.1. Het college heeft aan het besluit op bezwaar van 1 februari 2008, waarbij de aanwijzing van het pand als beschermd gemeentelijk monument is gehandhaafd, ten grondslag gelegd dat het pand van algemeen belang geacht wordt vanwege de cultuurhistorische waarden, de architectuurhistorische waarden en de stedenbouwkundige waarden die - zoals beschreven in de bij de aanwijzing behorende omschrijving - tot uitdrukking komen in:

- het type: het is een voorbeeld van een boerderijcomplex uit de vroege twintigste eeuw,

- de gaafheid van de hoofdvorm en complexonderdelen,

- de situering: karakteristieke ligging evenwijdig aan de Coninckserveweg.

Het college is daarbij, onder verwijzing naar de in het besluit op bezwaar opgenomen standpunten van de leden van de Monumentenraad over het rapport van Harbers, verder van mening dat de door Harbers beschreven gewijzigde kozijnverdeling niet van invloed is op de hoofdvorm. De zeldzaamheid van het object als zodanig is niet als bijzondere waarde aangemerkt, dit in tegenstelling tot de zeldzaamheid van meerdere zeer waardevolle aanwezige onderdelen van de onder de toetsingscriteria in de motivering van de monumentenomschrijving aangegeven waarden in combinatie met elkaar. Dat de interne constructie en inrichting niet meer geheel origineel is, is jammer maar doet niet af aan het feit dat er voldoende zodanige waardevolle elementen aanwezig zijn dat de bescherming gerechtvaardigd is, aldus het college.

2.5.2. Niet valt in te zien dat het standpunt van het college geen stand kan houden. In het door Harbers opgestelde rapport is daarvoor geen grond gelegen. Harbers is door de rechtbank voor de bouwkundige toestand van het pand als deskundige aangemerkt. Dat hij specifieke deskundigheid heeft op het punt van de monumentwaardigheid van het pand is niet gebleken. Aldus heeft [appellant] zijn standpunt dat het pand geen monument betreft als bedoeld in de verordening niet met een deskundigenbericht onderbouwd. Niet is gebleken dat aan de advisering door de Monumentenraad gebreken kleven. Het college mocht die advisering dan ook aan zijn besluit op bezwaar ten grondslag leggen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college het pand in redelijkheid als monument in de zin van de verordening heeft kunnen aanwijzen. Het betoog faalt.

2.6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van onevenredig nadeel ten gevolge van de aanwijzing van het pand als beschermd gemeentelijk monument. [appellant] voert in dit verband aan dat de kosten van onderhoud en renovatie zo hoog zijn dat in redelijkheid niet van hem verwacht kan worden die kosten te maken en dat het prijsverschil tussen renovatie en nieuwbouw van het pand in dit verband relevant is.

2.6.1. Het betoog faalt. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat voor [appellant] de mogelijkheid bestaat om jaarlijks een geldelijke tegemoetkoming te verkrijgen in de noodzakelijke onderhoudskosten voor het wind- en waterdicht houden van het monument. De rechtbank heeft derhalve op goede gronden geoordeeld dat [appellant] geen onevenredig nadeel lijdt ten gevolge van de aanwijzing van het pand als beschermd gemeentelijk monument. Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het prijsverschil tussen renovatie en nieuwbouw van het pand buiten het toetsingskader van de Monumentenverordening valt en derhalve in de belangenafweging ter zake van de aanwijzing geen rol kan spelen.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Van Meurs-Heuvel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2009

47-616.