Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ9481

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
07-10-2009
Zaaknummer
200900513/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 januari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard (hierna: het college) aan [appellante] reguliere bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning op het perceel Oude Kerkhof (ongenummerd) te Bemmel (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200900513/1/H1.

Datum uitspraak: 7 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 december 2008 in zaak nrs. 07/3699 en 07/3701 in het geding tussen:

1. [wederpartij sub 1], en

2. [wederpartij sub 2], allen wonend te [woonplaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard (hierna: het college) aan [appellante] reguliere bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning op het perceel Oude Kerkhof (ongenummerd) te Bemmel (hierna: het perceel).

Bij besluit van 18 juli 2007 heeft het college de daartegen door [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] (hierna tezamen: [wederpartijen]) gemaakte bezwaren, onder aanvulling van de motivering ervan, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 december 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) de daartegen door [wederpartijen] ingestelde beroepen gegrond verklaard en het besluit van 18 juli 2007 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 januari 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden ervan zijn aangevuld bij brief van 16 februari 2009.

[wederpartijen] hebben een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 17 februari 2009 heeft het college de door [wederpartijen] gemaakte bezwaren gegrond verklaard, ontheffing verleend van de gestelde ontsluitingseisen en het besluit van 16 januari 2007, onder aanvulling van de motivering daarvan, in stand gelaten.

Bij brief, bij de rechtbank ingekomen op 14 april 2009, hebben [wederpartijen] tegen het besluit van 17 februari 2009 beroep ingesteld. De rechtbank heeft de brief ter behandeling doorgezonden naar de Afdeling.

[wederpartijen] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 september 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J.P. Hoegee, advocaat te Nijmegen, [wederpartijen], bijgestaan door mr. H.A. Wenneker, en het college, vertegenwoordigd door D. Brouwer, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Anders dan [wederpartijen] betogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat [appellante] als gevolg van het besluit van 17 februari 2009 geen belang heeft bij het door haar ingestelde hoger beroep. Dat besluit brengt geen verandering in dat belang, omdat het uitgaat van de door haar aangevallen uitspraak.

2.2. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet, zoals die ten tijde van belang en voor zover thans van belang luidde, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien de aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk maken dat het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij de bouwverordening.

Ingevolge artikel 2.5.3, eerste lid, van de Bouwverordening Lingewaard 2004 (hierna: de bouwverordening) moet, indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd, meer dan 50 m is verwijderd van een openbare weg, een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te verwachten verkeer.

Ingevolge het tweede lid moet een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid, tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften heeft vastgesteld:

a. een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van ten minste 4,2 m;

b. zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en

c. op doeltreffende wijze kunnen afwateren.

Ingevolge het vierde lid moeten nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd, zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto's aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.

Ingevolge het zesde lid kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste en het vierde lid, indien de aard, de ligging en het gebruik van het bouwwerk zich daarvoor lenen.

Ingevolge artikel 5.1.2, eerste lid, moet, indien de toegang van een gebouw meer dan 10 m is verwijderd van een openbare weg, een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.

Ingevolge het tweede lid moet een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid, tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften heeft vastgesteld:

a. een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van ten minste 4,2 m;

b. zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en

c. op doeltreffende wijze kunnen afwateren.

Ingevolge het vierde lid moeten nabij ieder gebouw zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto's aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.

2.3. [appellante] betoogt dat rechtbank heeft miskend dat toepassing van de artikelen 2.5.3, eerste lid, en 5.1.2, eerste lid, van de bouwverordening de verwezenlijking van de op het perceel rustende bestemming onmogelijk maakt.

2.3.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Woning Oude Kerkhof" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden". Op de doodlopende ontsluitingsweg tussen het perceel en de Molenwei, de "Oude Kerkhof" genaamd, rust de bestemming "Verkeersdoeleinden".

2.3.2. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Woningwet, zoals deze ten tijde van belang luidde, blijven, voor zover de voorschriften van de bouwverordening niet met de voorschriften van het desbetreffende bestemmingsplan overeenstemmen, eerstbedoelde voorschriften buiten toepassing.

Ingevolge het tweede lid blijven de voorschriften van de bouwverordening van toepassing, indien het desbetreffende bestemmingsplan geen voorschriften bevat, die hetzelfde onderwerp regelen, tenzij het desbetreffende bestemmingsplan anders bepaalt.

2.3.3. De rechtbank heeft met juistheid niet aannemelijk gemaakt geacht dat toepassing van de artikelen 2.5.3 en 5.1.2 van de bouwverordening verwezenlijking van de op het perceel rustende bestemming onmogelijk maakt. Los van de vraag of de voorziene ontsluiting van het perceel in overeenstemming is met die bepalingen, is niet aannemelijk gemaakt dat een met die bepalingen strokende ontsluiting niet mogelijk is.

Het betoog faalt.

2.4. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de artikelen 2.5.3, eerste lid, en 5.1.2, eerste lid, van de bouwverordening niet aan het verlenen van de bouwvergunning in de weg staan, nu de "Oude Kerkhof" een openbare weg, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wegenwet, is.

2.4.1. Ingevolge die bepaling is een weg openbaar:

I. wanneer hij, na het tijdstip van dertig jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende dertig achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest;

II. wanneer hij, na het tijdstip van tien jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende tien achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest en tevens gedurende die tijd is onderhouden door het Rijk, een provincie, een gemeente of een waterschap;

III. wanneer de rechthebbende daaraan de bestemming van openbare weg heeft gegeven.

Ingevolge het tweede lid lijdt het onder I en II bepaalde uitzondering wanneer, lopende de termijn van dertig of van tien jaren, gedurende een tijdvak van ten minste een jaar duidelijk ter plaatse is kenbaar gemaakt dat de weg slechts ter bede voor een ieder toegankelijk is.

Ingevolge het derde lid kan dit kenbaar maken geschieden door het stellen van opschriften als: eigen weg, particuliere weg, private weg en soortgelijke, of door andere kentekenen.

2.4.2. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de ontsluitingsweg alleen openbare weg in de zin van de Wegenwet is, indien deze zonder onderbreking openbaar is.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 13 februari 2008 in zaak nr. 200705391/1), moet degene die zich op de openbaarheid van een weg beroept, die openbaarheid aannemelijk maken. [appellante] is daarin niet geslaagd. De "Oude Kerkhof" is een doodlopende ontsluitingsweg tussen het perceel en de Molenwei. De weg dient thans slechts ter ontsluiting van de woningen van [wederpartijen] aan de [locatie 1] en [locatie 2]. Bij realisering van het bouwplan zal de weg ook dienen ter ontsluiting van de op te richten woning. Uitsluitend het eerste gedeelte van de weg, gelegen tussen de Molenwei en het perceel [locatie 1], wordt door de gemeente onderhouden. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank met juistheid aangenomen dat de ontsluitingsweg geen algemene verkeersfunctie vervult en zich niet wezenlijk onderscheidt van een uitweg.

Het betoog faalt.

2.5. [appellante] betoogt ten slotte dat de rechtbank heeft miskend dat de ontsluitingsweg aan de in het bestemmingsplan gestelde voorschriften voldoet, zodat die een geschikte verbindingsweg is, als bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 5.1.2 van de bouwverordening.

2.5.1. Ingevolge artikel 4.1. van de planvoorschriften is de voor "Verkeersdoeleinden" bestemde ontsluitingsweg bestemd voor de ontsluiting van aanliggende percelen en bijbehorende voorzieningen zoals straatverlichting. Nu die voorschriften verder geen regels bevatten ten aanzien van de ontsluitingsweg, dient deze te voldoen aan het bepaalde in de artikelen 2.5.3, tweede lid, en 5.1.2, tweede lid, van de bouwverordening om een geschikte verbindingsweg in evenbedoelde zin te zijn. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, voldoet de ontsluitingsweg niet aan het bepaalde in deze artikelen, nu deze niet is verhard en een breedte heeft van niet meer dan 3 m. De weg is dan ook geen geschikte verbindingsweg, als bedoeld in de artikelen 2.5.3, tweede lid, en 5.1.2, tweede lid, van de bouwverordening.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Het besluit van 17 februari 2009 wordt ingevolge artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in verbinding met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht ook voorwerp te zijn van dit geding.

2.8. [wederpartijen] betogen dat het college niet in redelijkheid ontheffing van artikel 2.5.3, eerste lid, van de bouwverordening heeft kunnen verlenen.

2.8.1. Dit betoog faalt. Niet in geschil is dat de ontsluitingsweg niet alleen zal dienen ter ontsluiting van het perceel, maar, zoals hiervoor overwogen, thans dient ter ontsluiting van de percelen van [wederpartijen] aan de [locatie 1] en [locatie 2]. Ter zitting is gebleken dat de door [wederpartijen] gebruikte auto's niet klein zijn. Onder deze omstandigheden heeft het college het perceel voor gewoon personenverkeer bereikbaar mogen achten.

Onder verwijzing naar een advies van 6 februari 2009 van Hulpverlening Gelderland Midden heeft het college zich voorts op het standpunt mogen stellen dat het perceel in geval van nood voor ziekenauto's bereikbaar is.

In de uitspraak van 12 december 2008 heeft de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud overwogen dat uit de memo van de Afdeling Brandweer van de gemeente Lingewaard valt af te leiden dat de bereikbaarheid voor de brandweer via een alternatieve route langs de kerk ten westen van het perceel, die leidt naar een opstelplaats op de parkeerplaats van die kerk, aan de richtlijnen in de publicatie "Handleiding bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid" van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding voldoet. Nu daartegen geen hoger beroep is ingesteld, dient daarvan thans te worden uitgegaan.

Het college heeft bij het besluit van 17 februari 2009 gewicht mogen toekennen aan de omstandigheid dat de Afdeling bij de toetsing van het besluit omtrent goedkeuring van het bestemmingsplan de bereikbaarheid van het perceel heeft onderzocht en in het in beroep aangevoerde geen reden heeft gevonden voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland ten onrechte goedkeuring aan het bestemmingsplan heeft verleend.

Voor zover [wederpartijen] betogen dat het gebruik van de ontsluitingsweg ten behoeve van de woning een onredelijke verzwaring van de daarop gevestigde erfdienstbaarheid met zich brengt, wordt overwogen dat voor het oordeel dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van ontheffing in de weg staat, slechts aanleiding bestaat, wanneer deze belemmering klaarblijkelijk bestaat. Een zodanige klaarblijkelijke belemmering doet zich in dit geval niet voor, nu volgens de betreffende akte van 16 juni 1965 ten behoeve van het perceel een erfdienstbaarheid op de ontsluitingsweg is gevestigd die mag worden verzwaard door het stellen van verdere opstallen op het heersend erf, waarvan het perceel deel uitmaakte ten tijde van het opstellen van de akte, of door het aanbrengen van andere veranderingen op dat erf.

2.9. Ten slotte faalt ook het betoog van [wederpartijen] dat het college niet in redelijkheid ontheffing heeft kunnen verlenen van artikel 2.5.3, vierde lid, van de bouwverordening. In de uitspraak van 12 december 2008 heeft de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud overwogen dat het college krachtens artikel 2.5.3, zesde lid, van de bouwverordening ontheffing heeft verleend van het bepaalde in het vierde lid en het dit in redelijkheid heeft kunnen doen. Nu tegen dit oordeel geen hoger beroep is ingesteld, dient daarvan thans te worden uitgegaan.

2.10. Het beroep is ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep van [wederpartijen] tegen het besluit van het college van 17 februari 2009 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. J.H. van Kreveld en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2009

531.