Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ9468

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
07-10-2009
Zaaknummer
200900536/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 augustus 2005 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) verkeersmaatregelen genomen in verband met de aanleg van een rotonde en een bypass op de kruising van de Van Pallandtlaan met de Parklaan op het in Sassenheim gelegen deel van de provinciale weg N208.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200900536/1/H3.

Datum uitspraak: 7 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 11 december 2008 in zaak nr. 08/1673 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 augustus 2005 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) verkeersmaatregelen genomen in verband met de aanleg van een rotonde en een bypass op de kruising van de Van Pallandtlaan met de Parklaan op het in Sassenheim gelegen deel van de provinciale weg N208.

Bij besluit van 14 februari 2008 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 december 2008, verzonden op de volgende dag, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 januari 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden ervan zijn aangevuld bij brief van 13 februari 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 augustus 2009, waar [een der appellanten] in persoon en het college, vertegenwoordigd door C.J.M. van der Male, P.J. Carton en mr. D.P. Boddé, allen ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW 1994) kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid van de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot:

a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade, alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;

b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, geschiedt de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens en onderborden, voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, krachtens een verkeersbesluit.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, worden verkeersbesluiten voor zover zij het verkeer op wegen onder beheer van een provincie betreffen, genomen door gedeputeerde staten.

Ingevolge artikel 12 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (hierna: het BABW) dient plaatsing of verwijdering van de borden A4, B6, C15, D1, D2, D3, G12a en G12b, zoals opgenomen in bijlage 1, behorende bij het RVV 1990, te geschieden krachtens een verkeersbesluit.

Ingevolge artikel 21 vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval, welke doelstelling of doelstellingen ermee worden beoogd. Daarbij wordt vermeld, welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de WVW 1994 vermelde belangen eraan ten grondslag liggen. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet vermelde belangen in het geding zijn, wordt voorts vermeld, op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

Ingevolge artikel 26 wordt van de bekendmaking van verkeersbesluiten mededeling gedaan in één of meer plaatselijke dag- of weekbladen. In de mededeling worden in ieder geval de weg waarop het verkeersbesluit betrekking heeft, alsmede de te plaatsen of te verwijderen verkeerstekens, dan wel de te treffen maatregelen ter regeling van het verkeer, vermeld.

2.2. [appellanten] betogen tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de publicatie van het besluit van 24 augustus 2005 in het plaatselijke huis-aan-huisblad onvolledig was.

Het college heeft van dat besluit mededeling gedaan in het huis-aan-huisblad 'de Sassenheimer' van 7 september 2005. In het besluit van 14 februari 2008 heeft het college te kennen gegeven dat deze publicatie niet volledig is geweest, omdat hieruit niet blijkt, hoe de voorrang op de rotonde is geregeld en waar en wanneer het besluit ter inzage ligt.

De rechtbank heeft terecht [appellanten] door dat verzuim niet in hun belangen geschaad geacht, nu niet in geschil is dat zij tijdig de stukken hebben kunnen inzien en zij bezwaar hebben gemaakt.

2.3. [appellanten] betogen verder dat de rechtbank ten onrechte het rapport van DHV Milieu en Infrastructuur B.V. van 22 januari 2004 mede aan haar uitspraak ten grondslag heeft gelegd, nu dit rapport geen deel uitmaakte van de op de zaak betrekking hebbende stukken en zij geen gelegenheid hebben gehad zich erover uit te laten.

Ook dat betoog faalt. Daargelaten of dit rapport tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoort, staat vast dat [appellanten] ervan hebben kennisgenomen in de procedure over een vrijstellingsbesluit bij de Afdeling, waarin zij partij waren, zodat zij in de gelegenheid waren zich daarover uit te laten.

2.4. Met het besluit van 24 augustus 2005 heeft het college beoogd de doorstroming van het verkeer op de, binnen de bebouwde kom gelegen, gebiedsontsluitingsweg te bevorderen en de verkeersveiligheid te verhogen. Hierbij heeft het noodzakelijk geacht te bepalen dat het verkeer, waaronder fietsers en bromfietsers, bij nadering van de rotonde voorrang verleent aan het verkeer daarop.

2.5. [appellanten] betogen dat de rechtbank, door te overwegen dat de gemeten gemiddelde snelheid van het verkeer over de rotonde lager ligt dan de aldaar maximaal toegestane snelheid van 50 km/u, heeft miskend dat het college heeft toegezegd dat een maximum snelheid van 30 km/u zou gelden en zij erop mochten vertrouwen dat tot vaststellen van een maximumsnelheid van 30 km/u zou worden besloten en niet, zoals thans het geval is, slechts tot een zodanige adviessnelheid. Voorts heeft de rechtbank volgens hen miskend dat zij niet om een verkeersdrempel op de bypass hebben verzocht, omdat deze de snelheid van de auto's nauwelijks vermindert. Tevens is nog steeds geen verkeersbesluit genomen ten aanzien van de geplaatste borden met een adviessnelheid van 30 km/u, aldus [appellanten].

2.5.1. De rechtbank heeft terecht niet door [appellanten] aannemelijk gemaakt geacht dat het college heeft toegezegd dat op de rotonde een maximumsnelheid van 30 km/u zou gaan gelden. Ter zitting bij de Afdeling hebben [appellanten] nader verklaard dat het college niet heeft toegezegd dat borden met een aanduiding van een maximumsnelheid van 30 km/u zouden worden geplaatst, maar dat zou worden nagestreefd dat het verkeer op de rotonde niet sneller zou kunnen rijden.

Voorts heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat op de bypass een verkeersdrempel is aangelegd om de snelheid te beperken. Dat deze drempel, naar zij stellen, niet het door [appellanten] gewenste effect heeft, maakt niet dat de rechtbank dit ten onrechte heeft gedaan. In het betoog dat nog geen verkeersbesluit is genomen met betrekking tot een aantal nieuw geplaatste borden met daarop de adviessnelheid van 30 km/u heeft de rechtbank, wat daar verder van zij, terecht geen grond gezien voor vernietiging van het bij haar bestreden besluit.

2.6. [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank, door in de erkenning van het college dat weinig vrachtverkeer van de rotonde gebruik maakt geen aanleiding te zien voor vernietiging van het bij haar bestreden besluit, heeft miskend dat het vele vrachtverkeer één van de redenen was om van de zogenoemde CROW-richtlijnen af te wijken, waarin onder meer is bepaald dat bij een rotonde, gelegen binnen de bebouwde kom, het fietsverkeer voorrang krijgt boven het andere verkeer.

2.6.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college weliswaar heeft verklaard dat het percentage vrachtverkeer op de rotonde zo niet hoog is als het had verwacht, maar dat de richtlijnen ook andere gronden kennen om er van af te wijken en daar een goede reden voor was. [appellanten] hebben dat niet gemotiveerd bestreden. Dit betoog faalt.

2.7. [appellanten] betogen verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college onvoldoende oog heeft gehad voor de veiligheid van het langzaam verkeer bij de vaststelling van de voorrangsregeling op de rotonde.

2.7.1. Op de N208 is een aantal opeenvolgende rotondes gelegen die alle in beheer zijn bij de provincie. Voor deze rotondes geldt dezelfde voorrangsregeling als op de rotonde, waarop het besluit van 14 februari 2008 betrekking heeft. Het college heeft het uit het oogpunt van uniformiteit ter verhoging van de veiligheid van alle verkeersdeelnemers, onwenselijk geacht hiervan voor deze rotonde af te wijken. Daaraan heeft het twee onderzoeksrapporten met betrekking tot de veiligheid van fietsers ten grondslag gelegd.

De rechtbank heeft in de enkele stelling van [appellanten] dat onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van het langzame verkeer terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college hiertoe in redelijkheid niet heeft kunnen komen. Dit betoog faalt.

2.8. Het betoog van [appellanten] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat een evaluatie van het verkeersbesluit van 24 augustus 2005 heeft plaatsgevonden en het college in strijd met eerdere toezeggingen nog geen evaluatie van dat besluit heeft uitgevoerd, kan evenmin leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Het niet uitvoeren van een evaluatie regardeerde het bij de rechtbank bestreden besluit niet.

2.9. De beroepsgronden falen. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. P.A. Offers, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Van Hardeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2009

312-497.