Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ9465

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
07-10-2009
Zaaknummer
200807997/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 januari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf (hierna: het college) aan [appellante] vrijstelling verleend voor het vestigen van een bouwmarkt op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2009/3695

Uitspraak

200807997/1/H1.

Datum uitspraak: 7 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 13 oktober 2008 in zaak nr. 08/995 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf (hierna: het college) aan [appellante] vrijstelling verleend voor het vestigen van een bouwmarkt op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 9 april 2008 heeft het college het door Formido Bouwmarkten B.V. (hierna: Formido), Bouwmarkt Oosterwolde B.V. (hierna: Bouwmarkt Oosterwolde), [bedrijf] en [belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw gegrond verklaard en de vrijstelling van 17 januari 2006 wederom ingetrokken.

Bij uitspraak van 13 oktober 2008, verzonden op 15 oktober 2008, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 november 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 4 december 2008.

Het college, Formido Bouwmarkten, Bouwmarkt Oosterwolde en [bedrijf] hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juni 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. W. Sleijfer, advocaat te Leeuwarden, vergezeld door drs. L.A. Middema, werkzaam bij Intergamma B.V., en drs. J. Kaai, werkzaam bij BRO, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.J.W. van Wijk, ambtenaar in dienst van de gemeente, vergezeld door drs. R. Sluiskes, werkzaam bij MKB Reva, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord Formido Bouwmarkten, vertegenwoordigd door mr. H.A. Samuels Brusse-van der Linden, advocaat te Utrecht, en vergezeld door drs. G.F. Scheerder en R. Woest, werkzaam bij Goudappel Coffeng.

2. Overwegingen

2.1. Op het perceel rust ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Industriepark Venekoten" de bestemming "bedrijfsdoeleinden". Het perceel is op de plankaart voorzien van de aanduiding "detailhandel en kantoren (verruimde regeling)". Vast staat dat het gebruik van het perceel ten behoeve van een bouwmarkt in strijd is met het bestemmingsplan. Het college is niet bereid vrijstelling te verlenen krachtens artikel 3, zesde lid, van de planvoorschriften.

2.2. Het college heeft aan het besluit op bezwaar de "Effectenanalyse Doe-het-zelfbranche te Oosterwolde" van MKB Reva van 3 december 2007 (hierna: de effectenanalyse), en de nadere rapportage van MKB Reva van 6 februari 2008 ten grondslag gelegd. Op basis hiervan heeft het college het standpunt ingenomen dat de vestiging van de gevraagde bouwmarkt zal leiden tot duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau.

2.3. Het betoog van [appellante] dat, gelet op het verschil tussen de vrijstellingsmogelijkheden als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals hier aan de orde, en artikel 19 van de WRO, in het onderhavige geval geen plaats meer is voor een distributieplanologisch onderzoek, slaagt niet. De omstandigheid dat aan de in het bestemmingsplan gestelde voorwaarden voor het verlenen van vrijstelling is voldaan, betekent niet dat het college reeds hierom gehouden is vrijstelling te verlenen. De beslissing om al of niet vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan betreft een bevoegdheid van het college en het college kan bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid de conclusies van een distributieplanologisch onderzoek betrekken. Hierbij is niet van belang of het een vrijstelling als bedoeld in artikel 15 WRO of artikel 19 WRO betreft.

2.4. MKB Reva heeft in de effectenanalyse en de nadere rapportage de plaats Oosterwolde als primair, en de plaatsen Appelscha en Haulerwijk als secundair respectievelijk tertiair verzorgingsgebied aangemerkt. In de effectenanalyse is een kwantitatieve analyse gemaakt waarbij de distributieve ruimte voor de doe-het-zelf-branche in Oosterwolde is berekend alsmede een kwalitatieve analyse waarbij de effecten van de realisering van het bouwplan op de bestaande detailhandelstructuur is bezien. Uit de berekening volgt volgens MKB Reva dat de realisering van de bouwmarkt een uitbreiding van het verkoopvloeroppervlak in Oosterwolde van meer dan 80% ten opzichte van het bestaande aanbod met zich zal brengen en een overschrijding van meer dan 100% van het haalbaar aanbod. MKB Reva concludeert dat het zeer waarschijnlijk is dat de realisering van het bouwplan zal leiden tot een duurzame ontwrichting van de voorzieningenstructuur in Oosterwolde en directe omgeving. De toevoeging van een bouwmarkt zal volgens MKB Reva de reeds bestaande druk op de markt in de doe-het-zelf-branche in Oosterwolde en directe omgeving vergroten. Dit zal zeer waarschijnlijk leiden tot het sluiten van alle speciaalzaken in deze branche in Oosterwolde, te weten een ijzerwarenzaak en drie verfzaken, hetgeen een sterke vermindering in de variatie in het aanbod voor de consument inhoudt, aldus MKB Reva. Ook wordt het zeer waarschijnlijk geacht dat door realisering van het bouwplan het aanbod van speciaalzaken in de plaatsen Appelscha en Haulerwijk zodanig onder druk zal komen te staan dat deze zullen moeten sluiten, waardoor de inwoners van deze plaatsen verder voor hun inkopen zullen moeten reizen.

2.5. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling te verlenen, nu deze weigering niet is voorzien van een deugdelijke motivering. Daartoe voert zij aan, met verwijzing naar de bevindingen van BRO in het "Advies Klantenstroom Ooststellingwerf" van 21 januari 2008, dat het college zich niet mocht baseren op de conclusies in de effectenanalyse en nadere rapportage van MKB Reva, nu hieraan onjuiste uitgangspunten ten grondslag liggen en deze rapportages onjuiste conclusies bevatten.

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 juni 2009, in zaak nr. 200806342/1/H1), komt voor het antwoord op de vraag of sprake is van een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau in een bepaalde sector geen doorslaggevende betekenis toe aan het antwoord op de vraag of sprake is van overaanbod en mogelijke sluiting van bestaande detailhandelsvestigingen, maar aan het antwoord op de vraag of voor de inwoners van de gemeente een voldoende voorzieningenniveau behouden blijft in die zin dat zij op een aanvaardbare afstand van hun woonplaats hun geregelde inkopen kunnen doen.

2.5.2. Anders dan het college voorstaat en de rechtbank heeft overwogen, kan het advies van BRO waar [appellante] naar verwijst wel als tegenrapport ten opzichte van de rapportage van MKB Reva worden aangemerkt, nu dit advies is bedoeld ter onderbouwing van het betoog van [appellante] dat de conclusies van MKB Reva onjuist zijn. Uit het advies van BRO volgt evenwel niet dat het college zich niet mocht baseren op de conclusies in de effectenanalyse en nadere rapportage van MKB Reva. Het advies van BRO gaat niet in op de conclusies van MKB Reva. Het biedt dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat aan de effectenanalyse en nadere rapportage van MKB Reva onjuiste uitgangspunten ten grondslag liggen dan wel dat deze anderszins onjuistheden bevatten, daargelaten een evidente verschrijving.

Met de effectenanalyse en nadere rapportage van MKB Reva is voldoende aannemelijk geworden dat de realisering van het bouwplan de sluiting van alle speciaalzaken in de doe-het-zelf-branche in Oosterwolde tot gevolg zal kunnen hebben en daarmee de gehele kleinschalige voorzieningenstructuur in deze branche in Oosterwolde zal verdwijnen. Voorts is voldoende aannemelijk dat de realisering van het bouwplan ook zal kunnen leiden tot de sluiting van speciaalzaken in de directe omgeving van Oosterwolde. Deze bevindingen zijn met de door [appellante] overgelegde deskundigenrapporten niet op overtuigende wijze weerlegd. Met de bevindingen uit de effectenanalyse en nadere rapportage van MKB Reva is evenwel niet aannemelijk gemaakt dat de vestiging van een bouwmarkt op het perceel zal leiden tot een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau in de doe-het-zelf-branche in Oosterwolde en directe omgeving in de hierboven in 2.5.1. beschreven zin. Hoewel het college zich op het standpunt kon stellen dat met de realisering van het bouwplan voor de inwoners van Oosterwolde zeer waarschijnlijk een verschraling van het aanbod in de doe-het-zelf-branche zal optreden, is daarmee niet voldoende gemotiveerd dat voor de inwoners van Oosterwolde en het tertiaire en secundaire verzorgingsgebied geen voldoende voorzieningenniveau behouden blijft in die zin dat zij niet op een aanvaardbare afstand van hun woonplaats hun geregelde inkopen kunnen doen. Dat de kleinschalige voorzieningenstructuur in de doe-het-zelf-branche in Oosterwolde zeer waarschijnlijk zal verdwijnen en speciaalzaken in de doe-het-zelf-branche in de directe omgeving van Oosterwolde zeer waarschijnlijk zullen sluiten biedt evenmin grond voor die conclusie. Het besluit op bezwaar van 9 april 2008 is in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit op bezwaar van 9 april 2008, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen, nu dit ondeugdelijk is gemotiveerd. Het college dient met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op de bezwaren van Formido, Bouwmarkt Oosterwolde, [bedrijf] en [belanghebbende] te beslissen.

2.7. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 13 oktober 2008 in zaak nr. 08/995;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf van 9 april 2008, kenmerk VROM;

V. bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit neemt;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 721,00 (zegge: zevenhonderdeenentwintig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Van Driel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2009

414-580.