Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ9464

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
07-10-2009
Zaaknummer
200805355/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 augustus 2004 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum (hierna: het dagelijks bestuur) geweigerd aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hemavan B.V. (hierna: Hemavan) bouwvergunning te verlenen voor het wijzigen van de gevels en het plaatsen van installaties op het dak van het gebouwgedeelte Bickerswerf 2 te Amsterdam, in afwijking van de bij besluit van 17 september 2003 verleende bouwvergunning voor het veranderen van de inrichting van de horecaruimte en het vergroten van het terras.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200805355/1/H1.

Datum uitspraak: 7 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. Vereniging van Eigenaren De Bicker, gevestigd te Amsterdam,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 mei 2008 in zaken nrs. 06/4246 en 07/159 in het geding tussen:

Vereniging van Eigenaren De Bicker,

[appellant sub 2]

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 augustus 2004 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum (hierna: het dagelijks bestuur) geweigerd aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hemavan B.V. (hierna: Hemavan) bouwvergunning te verlenen voor het wijzigen van de gevels en het plaatsen van installaties op het dak van het gebouwgedeelte Bickerswerf 2 te Amsterdam, in afwijking van de bij besluit van 17 september 2003 verleende bouwvergunning voor het veranderen van de inrichting van de horecaruimte en het vergroten van het terras.

Bij besluit van 30 juni 2005 heeft het dagelijks bestuur, onder intrekking van het besluit van 3 augustus 2004, aan Hemavan vergunning verleend voor een gewijzigd bouwplan voor het wijzigen van de gevels en het plaatsen van installaties op het dak, in afwijking van de bij besluit van 17 september 2003 verleende bouwvergunning voor het bouwen in afwijking van de bij besluit van besluit van 20 augustus 1999 verleende bouwvergunning voor het oprichten van 77 woningen, twee parkeergarages met in totaal 99 parkeerplaatsen en een nog nader in te richten horecaruimte op het perceel Grote Bickerstraat 48, 50, 70 en 72 en Grote Bickerstraat 44A/44B/44C/Touwslagerstraat 17 tot en met 53 te Amsterdam (hierna: het perceel) en van de bij besluit van 19 augustus 2002 verleende bouwvergunning voor het bouwen in afwijking van de bij besluit van 20 augustus 1999 verleende vergunning voor het veranderen van de inrichting van de horecaruimte en het vergroten van het terras met behoud van de bestemming daarvan tot horecaruimte, waarbij de afwijking bestaat uit het veranderen en vergroten van de horecaruimte.

Bij besluit van 9 augustus 2006, verzonden op 14 augustus 2006, heeft het dagelijks bestuur de door de Vereniging van Eigenaren De Bicker (hierna: De Bicker) en [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 mei 2008, verzonden op 3 juni 2008, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) de door De Bicker en [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben De Bicker bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 juli 2008, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De Bicker heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 20 augustus 2008. [appellant sub 2] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van dezelfde dag.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het dagelijks bestuur heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting, gevoegd met zaak nr. 200805360/1, behandeld op 24 augustus 2009, waar De Bicker, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en [appellant sub 2], in persoon, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. T. Ruhnke en G. Stark, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting Hemavan en [belanghebbenden], beide vertegenwoordigd door mr. C.J. Koenen, advocaat te Amsterdam, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in een wijziging van de bouwvergunning van 17 september 2003 die is verleend voor het veranderen en vergroten van de horecaruimte op het perceel Bickerswerf 2 te Amsterdam (hierna: het perceel) en die onderwerp van geschil is in de ter zitting gevoegd behandelde zaak nr. 200805360/1. De wijziging waarin het onderhavige bouwplan voorziet, bestaat uit het plaatsen van luchtbehandelingsinstallaties op het dak van het lage gebouw op het perceel waarin horeca is gevestigd, het wijzigen van de gevels door middel van een omkasting van die installaties, het vervallen van een nooddeur en wijziging van een trap.

2.2. Het betoog van De Bicker en [appellant sub 2] dat de omschrijving van het bouwplan in de bouwvergunning onjuist is, aangezien geen sprake is van een gewijzigd bouwplan, maar van een wijziging in een reeds bestaand gebouw, kan niet leiden tot het door hen daarmee beoogde resultaat. Uit de omschrijving van het bouwplan in de bouwvergunning en de van de bouwvergunning deeluitmakende tekeningen is duidelijk waarop het bouwplan ziet. Bij de beoordeling van dat bouwplan speelt geen rol of het gebouw, dat door het bouwplan wordt gewijzigd, reeds geheel is opgericht of niet.

2.3. De Bicker en [appellant sub 2] betogen tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de vrijstelling, die bij besluit van 11 juli 2006 krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is verleend voor het bouwplan waarop de bouwvergunning van 17 september 2003 ziet, eveneens van belang is voor de onderhavige bouwvergunning. Voor zover zij betogen dat die vrijstelling ten onrechte is verleend, omdat bij het verlenen daarvan geen rekening is gehouden met de bouwvergunning van 30 juni 2005, kan dat in deze procedure niet tot het door hen beoogde gevolg leiden. Voor zover zij betogen dat voor het onderhavige bouwplan ten onrechte geen soortgelijke vrijstelling is verleend, faalt dit betoog. Bij het hiervoor vermelde besluit van 11 juli 2006 heeft het dagelijks bestuur reeds vrijstelling verleend van de ingevolge het bestemmingplan "Westelijke Eilanden" (hierna: het bestemmingsplan) maximaal toegestane bouwhoogte van de eerste bouwlaag van 3,50 m. Derhalve hoefde voor het onderhavige bouwplan niet opnieuw van die bepaling vrijstelling te worden verleend.

2.4. De Bicker en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat niet duidelijk is of het bouwplan voldoet aan de in het Bouwbesluit 2003 (hierna: het bouwbesluit) gestelde eisen omtrent de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag in minuten volgens NEN-norm 6068. Zij wijzen in dit verband op het door hen ingebrachte rapport van Efectis Nederland BV (voorheen TNO Centrum voor Brandveiligheid) van 20 oktober 2006 (hierna: het rapport van Efectis). Voorts is het bouwplan volgens hen niet voldoende brandveilig, omdat openslaande nooddeuren zijn vervallen en de enig overgebleven vluchtmogelijkheid een trap is, die - afgaande op een verslag van een bespreking van 9 februari 2004 tussen de brandweer en de architect van het bouwplan - niet veilig is.

2.4.1. In het besluit op bezwaar van 9 augustus 2006 heeft het dagelijks bestuur zich op het standpunt gesteld dat een advies van de brandweer niet verplicht is en dat bij een relatief eenvoudig bouwplan als het onderhavige toetsing door de behandelend ambtenaar aan de desbetreffende eisen van het bouwbesluit volstaat. Het dagelijks bestuur heeft voorts vermeld dat in het besluit als voorwaarde aan de bouwvergunning is verbonden dat het bouwwerk wordt uitgevoerd overeenkomstig de door bouw- en woningtoezicht op de tekeningen in rood aangebrachte wijzigingen en/of aanwijzingen. Voorts is in het besluit op bezwaar voor de duidelijkheid expliciet de eis van brandwerendheid van 60 minuten opgenomen.

In beroep hebben De Bicker en [appellant sub 2] het rapport van Efectis overgelegd. In dit rapport worden vragen van De Bicker omtrent de brandveiligheid van het gehele gebouw De Bicker, inclusief het horecagedeelte, deels aan de hand van bouwtekeningen behorende bij de bouwvergunningen van 20 augustus 1999 voor oprichting van het gebouw en van 19 augustus 2002, 17 september 2003 en 30 juni 2005 tot wijziging daarvan en deels aan de hand van aannames, beantwoord. In het rapport van Efectis wordt ten aanzien van de vergunning van 30 juni 2005 vermeld dat wordt betwijfeld of een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen de horeca en de daarboven gelegen zweefwoningen van 60 minuten wordt bereikt en wordt voorts vermeld dat de brandwerendheid van 30 minuten van het dak van de horecagelegenheid met sparingen en zonder brandkleppen niet wordt behaald.

Het dagelijks bestuur heeft aan het Expertisecentrum Regelgeving Bouw (hierna: het ERB) een reactie gevraagd op het rapport van Efectis. In een rapport van het ERB van 6 juni 2007 is gemotiveerd vermeld dat en waarom verschillende onderdelen van het rapport van Efectis feitelijk onjuist zijn en dat in dit rapport de desbetreffende NEN-norm onjuist is toegepast. Zo bestaat de gevelbekleding niet uit western red cedar, zoals in het rapport van Efectis is vermeld, maar uit redwood, aldus het rapport van het ERB. Voorts wordt vermeld dat in het rapport van Efectis eraan wordt voorbijgegaan dat ingevolge artikel 4 van de Woningwet elementen van het bestaande gebouw, waarop het bouwplan niet ziet, zoals de gevelbekleding van het woongebouw, niet bij de beoordeling betrokken kunnen worden. In het rapport van het ERB is voorts gemotiveerd dat, anders dan in het rapport van Efectis is vermeld, 30 minuten brandwerendheid van het dak niet slechts kan worden bereikt door toepassing van brandkleppen of het bekleden van de kanalen, omdat het temperatuurcriterium in dit geval geen rol speelt. Gegeven het feit dat het gaat om dubbelwandige metalen kanalen zal gedurende 30 minuten aan het desbetreffende criterium betreffende brandwerendheid zijn voldaan, aldus het rapport van het ERB, dat voorts concludeert dat de bouwvergunning van 30 juni 2005 voldoet aan de voorschriften met betrekking tot de brandveiligheid van het bouwbesluit.

In hetgeen De Bicker en [appellant sub 2] hebben aangevoerd is, mede gelet op de omstandigheid dat zij geen reactie van Efectis of een andere deskundige op het rapport van ERB hebben overgelegd, geen grond te vinden voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het dagelijks bestuur ervan kon uitgaan dat is voldaan aan het vereiste van weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag.

2.4.2. Hetgeen De Bicker en [appellant sub 2] overigens betogen ten aanzien van de brandveiligheid, faalt eveneens. Bij brief van 8 juni 2004 heeft de brandweer het dagelijks bestuur te kennen gegeven onder voorwaarden akkoord te gaan met het bouwplan. De in de brief genoemde voorwaarden zien niet op de door De Bicker en [appellant sub 2] bedoelde trap van de kelder naar het overkapte terras. Dat de brandweer in het door hen genoemde gespreksverslag van 9 februari 2004 kritische opmerkingen heeft gemaakt naar aanleiding van deze trap neemt niet weg dat de brandweer in de brief van 8 juni 2004 de brandveiligheid daarvan heeft goedgekeurd. Overigens heeft het college ter zitting toegelicht dat dit aspect van de brandveiligheid wordt geregeld door in de gebruiksvergunning een beperking voor het maximaal toegestane aantal aanwezige personen op te nemen. Deze gebruiksvergunning is nog niet verleend, aldus het dagelijks bestuur.

2.4.3. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht in het door De Bicker en [appellant sub 2] aangevoerde geen grond gevonden voor het oordeel dat het dagelijks bestuur ten onrechte het bouwplan in overeenstemming met het bouwbesluit heeft geacht.

2.5. Voorts betogen De Bicker en [appellant sub 2] dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Volgens hen heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het dagelijks bestuur zijn besluitvorming op het uiteindelijke positieve advies van de commissie voor welstand en monumenten (hierna: de welstandscommissie) van 4 mei 2005 mocht baseren. Zij voeren hiertoe aan dat het bouwplan in strijd is met de ten tijde van het primaire besluit geldende welstandsnota die in werking is getreden op 1 juli 2004 (hierna: de welstandsnota 2004) en eveneens met de op 14 februari 2006 in werking getreden welstandsnota (hierna: de welstandsnota 2006), die gold ten tijde van het besluit op bezwaar. De Bicker en [appellant sub 2] wijzen erop dat eerdere versies van het bouwplan negatief zijn beoordeeld door de welstandscommissie in haar adviezen van 23 juni 2004 en 29 september 2004 en dat het positieve advies slechts een stempeladvies is dat door hen gemotiveerd is bestreden.

2.5.1. In de welstandsnota 2004 is vermeld dat installaties inpandig dienen te worden gebouwd. Slechts waar inpandige installatie technisch onmogelijk is, wordt plaatsing op het dak toegestaan, mits de installatie zo laag mogelijk wordt gehouden.

In de welstandsnota 2006 is vermeld dat installaties zoals koel/ventilatie-units, afvoerkanalen en dergelijke zo compact mogelijk dienen te worden vormgegeven en inpandig dienen te worden aangebracht. Als dat niet redelijkerwijze mogelijk is, dienen ze aan de achtergevel of op het dak van een eventuele lagere achteruitbouw te worden geplaatst.

2.5.2. Bij besluit van 3 augustus 2004 heeft het dagelijks bestuur geweigerd aan Hemavan bouwvergunning te verlenen voor het wijzigen van de gevels en het plaatsen van installaties op het dak van het gebouwgedeelte Bickerswerf 2. Dat bouwplan voorzag in roosters waarmee de installaties werden gemaskeerd. Het dagelijks bestuur heeft aan de weigering ten grondslag gelegd dat de welstandscommissie in haar advies van 23 juni 2004 het bouwplan in strijd heeft geacht met redelijke eisen van welstand. In dat advies heeft de welstandscommissie geadviseerd de installaties architectonisch te integreren in het ontwerp. Op 29 september 2004 heeft de welstandscommissie in een heroverweging op verzoek van de architect opnieuw een negatief advies uitgebracht en opnieuw geadviseerd de installaties architectonisch te integreren dan wel intern op te lossen. Hemavan heeft bezwaar ingediend tegen het besluit van 3 augustus 2004.

Hangende dit bezwaar hebben De Bicker en Hemavan onderzoek laten uitvoeren naar de mogelijkheid tot het inpandig plaatsen van de installaties. In het door De Bicker overgelegde rapport van Boerema Installatie Adviseurs van 5 oktober 2004 wordt geconcludeerd dat inpandige plaatsing van de installaties mogelijk is. In de door Hemavan overgelegde brief van Bouwbureau Abt van 3 november 2004 wordt het tegenovergestelde geconcludeerd. Daarop heeft het dagelijks bestuur door de Dienst Milieu en Bouwtoezicht (hierna: de DMB) een onderzoek laten verrichten waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 14 april 2005. Hierin wordt geconcludeerd dat bij inpandige plaatsing van de installaties de visuele hinder daarvan wordt verplaatst, omdat er kanalen door de buitenruimte zullen lopen, tegen de gevel en voor het glas in het restaurant. Voorts is vermeld dat het uitzicht op de beoogde installaties kan worden weggenomen door een aanpassing van het bouwplan waarbij de bestaande dakranden worden verhoogd met 250 à 300 mm.

Daarop heeft Hemavan een dienovereenkomstig gewijzigde bouwaanvraag ingediend, waarbij de wijziging bestaat uit het veranderen van de omkasting van de installaties ten opzichte van de eerder ingediende aanvraag. Deze gewijzigde aanvraag heeft de welstandscommissie op 4 mei 2005 van een positief stempeladvies voorzien.

Dat De Bicker en [appellant sub 2], naar gesteld, in hun belangen zijn geschaad doordat zij, door het dagelijks bestuur niet op de hoogte gebracht van de behandeling van het bouwplan door de welstandscommissie op die datum, daarbij niet aanwezig konden zijn - wat hiervan zij - , leidt niet tot het door hen beoogde gevolg, reeds omdat zij in bezwaar, beroep en hoger beroep hun stelling dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand hebben kunnen aanvoeren en ook feitelijk hebben aangevoerd.

2.5.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 februari 2004 in zaak nr. 200303669/1) kan een college, in geval van een positief stempeladvies van een welstandscommissie, in een besluit op bezwaar niet volstaan met de enkele verwijzing naar dit advies, indien door de desbetreffende appellant in diens bezwaarschrift gemotiveerd wordt betwist dat het desbetreffende bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Van een dergelijke situatie is in dit geval geen sprake.

Weliswaar is het advies van 4 mei 2005 een stempeladvies en hebben De Bicker en [appellant sub 2] in bezwaar gemotiveerd vermeld dat het bouwplan niet tegemoet komt aan eerdere bezwaren van de welstandscommissie, maar het dagelijks bestuur heeft niet volstaan met een enkele verwijzing naar het stempeladvies. Het dagelijks bestuur heeft in het besluit op bezwaar van 9 augustus 2006 vermeld dat de welstandsnota 2006 plaatsing van een luchtbehandelingsinstallatie op het dak toestaat, indien inpandige plaatsing redelijkerwijs niet mogelijk is. Het dagelijks bestuur heeft voorts onder verwijzing naar het rapport van 14 april 2005 van de DMB gemotiveerd dat een deel van de installaties niet inpandig kan worden geplaatst, dat, als een deel van de installaties toch al van het zicht moet worden afgeschermd, het niet onredelijk is de volledige installatie uitpandig achter een afscherming toe te staan. Gelet op deze motivering, en nu voorts de omkasting van de installaties, zoals voorzien bij de bouwvergunning van 30 juni 2005, lager en meer naar achteren is gelegen dan de omkasting, zoals voorzien bij het bouwplan waarop het negatieve welstandsadvies van 23 juni 2004 betrekking heeft, kunnen De Bicker en [appellant sub 2] niet worden gevolgd in hun betoog dat het onderhavige bouwplan niet of nauwelijks verschilt van het eerdere bouwplan.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank terecht in het door De Bicker en [appellant sub 2] geen grond heeft gevonden voor het oordeel dat het dagelijks bestuur het welstandsadvies van 4 mei 2005 niet aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen.

2.6. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2009

488.