Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ9463

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
07-10-2009
Zaaknummer
200805248/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 mei 2008, kenmerk PZH-2008-368406, heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Dordrecht (hierna: de raad) bij besluit van 2 oktober 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Belthure Park en omgeving".

Wetsverwijzingen
Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2009/248
JOM 2009/951
JOM 2009/764
JNA 2009/7
Module Ruimtelijke ordening 2009/4963

Uitspraak

200805248/1/R1.

Datum uitspraak: 7 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, gevestigd te [plaats],

2. de stichting Stichting Nationaal Landschapskundig Museum en Documentatiecentrum, gevestigd te Dordrecht,

3. [appellanten sub 3], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2008, kenmerk PZH-2008-368406, heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Dordrecht (hierna: de raad) bij besluit van 2 oktober 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Belthure Park en omgeving".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen bij brief, per faxbericht bij de Raad van State ingekomen op 22 juli 2008, de stichting Stichting Nationaal Landschapskundig Museum en Documentatiecentrum (hierna: de Stichting) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 juli 2008, en [appellanten sub 3] bij brief, per faxbericht bij de Raad van State ingekomen op 23 juli 2008, beroep ingesteld.

[appellant sub 1] en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brief van 19 augustus 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Desverzocht heeft de raad de op het plan betrekking hebbende exploitatiegegevens aan de Afdeling toegezonden. Daarbij heeft de raad medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling ervan kennis zal mogen nemen. Op 29 juni 2009 heeft de Afdeling beslist dat beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Bij brief van 30 juni 2009 heeft de Afdeling de overige partijen gevraagd om toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Deze toestemming is verleend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 augustus 2009, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door mr. C.J. Visser, advocaat te Rotterdam, de Stichting, vertegenwoordigd door [H.A. Visscher] van de Stichting, [appellanten sub 3], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door ing. E. Schepers, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn de raad, vertegenwoordigd door mr. H. Visser, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [ontwikkelaar], vertegenwoordigd door mr. F.H.A.M. Thunnissen, advocaat te Amsterdam, ter zitting als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in de aanleg van een 18-holes golfbaan in combinatie met - bij recht - de bouw van ongeveer 220 woningen ten zuiden van Dordrecht. De gronden van het plangebied worden thans hoofdzakelijk gebruikt voor agrarische doeleinden.

2.2. Ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. De wetgever heeft deze eis gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang, als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.3. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen is mede ingesteld door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BAM Vastgoed B.V. (hierna: BAM), de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Heijmans Vastgoed B.V. (hierna: Heijmans) en [partij]. Blijkens de stukken hebben BAM, Heijmans en [partij] geen gronden in het plangebied in eigendom. Voor zover één of meer van hen uitsluitend een optie tot koop hebben bedongen op gronden in het plangebied, overweegt de Afdeling, onder verwijzing naar de uitspraak van 5 juli 2006, nr. 200508688/1, dat het bestaan van een overeengekomen optierecht niet voldoende is om te kunnen spreken van een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen is derhalve niet-ontvankelijk, voor zover het is ingesteld door BAM, Heijmans en [partij].

2.4. Blijkens artikel 2, eerste lid, van haar statuten stelt de Stichting zich ten doel: het inventariseren van gebiedskenmerken teneinde de ontwikkeling te begrijpen die de Nederlandse landschappen onder invloed van de natuur en mens doormaakten, het inventariseren van de betekenis van deze informatie voor de samenleving, het bevorderen dat op maatschappelijk verantwoorde wijze rekening wordt gehouden met de informatiewaarde van het landschap en het verrichten van alle verdere handelingen, die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn.

Niet in geschil is dat in het plangebied enkele landschapshistorische elementen aanwezig zijn waarop de uitvoering van het plan effecten kan hebben. Voorts heeft de Stichting toegelicht dat haar feitelijke werkzaamheden voornamelijk bestaan uit het inventariseren, verspreiden van informatie over en het onder de aandacht brengen van aardkundige en cultuurhistorische landschapswaarden, dat deze werkzaamheden worden verricht met betrekking tot diverse gebieden in Nederland en deze zich thans onder meer concentreren op het Eiland van Dordrecht. Gelet op de statutaire doelstelling van de Stichting, bezien in samenhang met haar feitelijke werkzaamheden, is de Afdeling van oordeel dat de Stichting het rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang in het bijzonder behartigt, zodat de Stichting moet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb. Het betoog van de raad op dit punt faalt derhalve.

2.5. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Procedurele aspecten

2.6. [appellant sub 1] en anderen betogen dat zij ten onrechte niet vóór het nemen van het goedkeuringsbesluit in kennis zijn gesteld van de aan het college gezonden brief van het gemeentebestuur van 22 april 2008 met bijlagen en dat hun ten onrechte niet de gelegenheid is geboden op deze stukken te reageren.

2.6.1. Uit het verweerschrift blijkt dat het gemeentebestuur en [appellant sub 1] en anderen in de gelegenheid zijn gesteld om na de hoorzitting bij het college omtrent de ingebrachte bedenkingen nog stukken in te brengen.

Het gemeentebestuur heeft bij brief van 18 maart 2008 een zestal stukken aan het college toegezonden. Het college heeft deze stukken, met uitzondering van de vertrouwelijk overgelegde exploitatiegegevens, bij brief van 21 maart 2008 toegezonden aan [appellant sub 1] en anderen en hun de gelegenheid geboden hierop te reageren.

[appellant sub 1] en anderen hebben bij brief van 11 april 2008 nadere stukken bij het college ingediend. In de daarbij gevoegde notitie van [appellant sub 1] is onder meer een reactie gegeven op het door het gemeentebestuur overgelegde memo "Monitor vraagpotentieel topsegment Drechtsteden (ten behoeve van Belthure Park)" van ECORYS van 17 maart 2008.

Ten slotte heeft het gemeentebestuur bij brief van 22 april 2008 gereageerd op de door [appellant sub 1] en anderen op 11 april 2008 ingediende stukken. Daarbij is een schriftelijke reactie van de [ontwikkelaar] overgelegd met als bijlage het rapport "Kwalitatief woningmarktonderzoek Belthure Park Dordrecht" van ECORYS van 23 juni 2004. Hierbij heeft [ontwikkelaar] opgemerkt dat in de notitie van [appellant sub 1] niet is onderkend dat het memo van ECORYS van 17 maart 2008 slechts een samenvatting en actualisering betreft van eerder opgestelde rapporten, waaronder het vorenbedoelde rapport van 23 juni 2004.

2.6.2. Uit de WRO noch enige andere bepaling volgt dat het college hangende de goedkeuringsprocedure gehouden is om aan hem toegezonden nadere stukken met betrekking tot het plan toe te zenden aan degenen die tegen het plan bedenkingen hebben ingebracht en hun de gelegenheid te bieden op deze nadere stukken te reageren. Voorts is evenmin gebleken van omstandigheden op grond waarvan uit het oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding aanleiding bestond [appellant sub 1] en anderen in kennis te stellen van de op 22 april 2008 ingebrachte stukken van het gemeentebestuur en hun de gelegenheid te bieden hierop te reageren. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het college de reactie van het gemeentebestuur van 22 april 2008 blijkens het goedkeuringsbesluit heeft begrepen als een herhaling van het eerder ingenomen standpunt dat het plan voorziet in de benodigde aanvulling aan de top van de woningvoorraad, nu de brief en de daarbij gevoegde stukken geen nieuwe feiten bevatten, zodat deze stukken niet van doorslaggevend belang zijn geweest voor de beslissing van het college omtrent de ingebrachte bedenkingen. Dit betoog faalt.

Woon- en leefklimaat

2.7. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het college heeft miskend dat de golfbaan kan leiden tot verstoring van het woongenot. Voorts wijzen [appellant sub 1] en anderen en de Stichting op de veiligheidsrisico's voor spelers, bewoners en bezoekers. In dit kader betwijfelt de Stichting of voldoende afstand is aangehouden tussen de in het plan voorziene woningen en de golfbaan.

2.7.1. Blijkens het aan het plan ten grondslag liggende Programma van Eisen (hierna: PvE) zijn in verband met de combinatie van golf, wonen en openbaar toegankelijke routes aanvullende ontwerp-eisen aan het stedenbouwkundig ontwerp gesteld met het oog op de veiligheid voor spelers, omwonenden en bezoekers. Zo is voorgeschreven dat rekening wordt gehouden met de afwijking naar rechts van slagen door de spelers en dat visuele hindernissen worden ingebouwd om het spel te sturen. Voorts is in het plan door middel van waterpartijen voorzien in een scheiding tussen de golfbaan en het woongebied en zijn de ontsluitingswegen binnen het plangebied van de golfbaan afgescheiden door met groen in te richten veiligheidszones. Ten slotte zijn de openbare fiets- en voetgangersroutes buiten de golfbaan geprojecteerd. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] en anderen en de Stichting hebben aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat noch tot onaanvaardbare veiligheidsrisico's.

Verkeersafwikkeling

2.8. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het college heeft miskend dat de ontsluiting van het plangebied op de Stevensweg vanuit verkeerskundig oogpunt onvoldoende is onderzocht. Daartoe voeren zij aan dat het villapark Stevenshof ook op de Stevensweg zal worden ontsloten en dat de benodigde doortrekking van de Copernicusweg niet is verzekerd. Voorts stellen zij dat onvoldoende rekening is gehouden met de verkeersaantrekkende werking van de golfbaan, de ter plaatse toegelaten niet-bedrijfsgebonden horecavoorziening en andere recente ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied. Daarnaast wijzen zij erop dat in de loop van de bestemmingsplanprocedure verschillende verkeersgegevens zijn gehanteerd.

2.8.1. Blijkens het vaststellingsbesluit is de Stevensweg berekend op een verkeerscapaciteit van ten minste 7500 motorvoertuigen per dag en bedraagt de bestaande verkeersintensiteit ongeveer 6000 motorvoertuigen per dag. Volgens de raad voorziet de aansluiting op de Stevensweg in een ontsluiting voor ten hoogste ongeveer 150 woningen, zodat deze leidt tot een toename van ongeveer 750 verkeersbewegingen per dag op de Stevensweg. Daarbij heeft de raad bezien dat de ontsluiting van het villapark Stevenshof, bestaande uit 47 woningen aan de westzijde van de Stevensweg, noordelijker op de Stevensweg is projecteerd ten opzichte van de ontsluiting van het plangebied, zodat deze aansluitingen onafhankelijk van elkaar functioneren. Verder heeft de raad bij zijn besluit betrokken dat een bestemmingsplan in procedure is gebracht ten behoeve van de doortrekking van de Copernicusweg, waarmee wordt voorzien in een ontsluiting van het plangebied ten zuiden van de Stevensweg. Dit plan is inmiddels in rechte onaantastbaar geworden. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich, in navolging van de raad, niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot een problematische afwikkeling van het verkeer van en naar het plangebied. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad heeft toegelicht dat de door [appellant sub 1] en anderen bedoelde afwijkende verkeersgegevens voortvloeien uit verkeersonderzoek ten behoeve van een nieuw verkeersmodel voor de regio Drechtsteden, op basis waarvan een lagere autonome groei van het autoverkeer wordt verwacht. Voorts hebben [appellant sub 1] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat de golfbaan, de ter plaatse toegelaten niet-bedrijfsgebonden horecavoorziening en andere recente ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied zullen leiden tot een overschrijding van de verkeerscapaciteit van de ontsluitingswegen. Het betoog faalt derhalve.

Planvoorschriften- en toelichting

2.9. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het college in navolging van de raad niet heeft gemotiveerd dat in artikel 7 van de planvoorschriften betreffende de bestemming "Randzone" geen bepaling behoefde te worden opgenomen met betrekking tot de aanduiding "archeologisch waardevol gebied". De Afdeling overweegt dat hiertoe geen aanleiding bestond, nu blijkens de plankaart aan de plandelen met de bestemming "Randzone" niet tevens de aanduiding "archeologisch waardevol gebied" is toegekend.

2.10. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het college in navolging van de raad niet heeft gemotiveerd hoe zal worden gehandhaafd dat maximaal 17% van het woongebied zal worden bebouwd. Daartoe verwijzen zij naar een passage in de plantoelichting waarin het PvE voor het stedenbouwkundig ontwerp is uiteengezet. [appellant sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het plan in zoverre niet in overeenstemming is met het PvE, voor zover zij dit betogen. Anders dan zij kennelijk veronderstellen, behoeft daartoe niet in de planvoorschriften te worden opgenomen dat maximaal 17% van de gronden voor woondoeleinden mag worden bebouwd, maar kan dit eveneens tot uitdrukking worden gebracht in de omvang van de bouwvlakken, in samenhang met de bouwvoorschriften.

Het beroep van de Stichting voor het overige

2.11. De Stichting betoogt dat het college heeft miskend dat het plan leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de landschapshistorische kwaliteiten van het plangebied. In dit kader stelt de Stichting dat de geprojecteerde waterpartijen en veiligheidszones vanuit het oogpunt van landschapsbehoud tot onnodig ruimtebeslag leiden.

2.11.1. Zoals de raad in zijn schriftelijke uiteenzetting naar voren heeft gebracht, is het plangebied gelegen binnen de verstedelijkingscontour als bedoeld in het geldende Streekplan Zuid-Holland Zuid, die de begrenzing vormt van de uitbreidingsruimte van het stedelijke gebied van de regio Drechtsteden. Voorts is niet in geschil dat in het geldende rijks- en provinciaal beleid geen bijzondere landschappelijke betekenis met bijbehorend beschermingsregime is toegekend aan het plangebied. Niettemin is in het plan voorzien in het behoud van enkele voor het plangebied karakteristieke elementen, zoals de Alloijzenhoeve, de dijkenstructuur, zogenoemde wielen en polderwegen. Daarnaast zijn de gronden van het voormalig landgoed Groot Ray ingepast. Blijkens de exploitatieopzet zal de gemeente aan de ontwikkelaar een financiële bijdrage leveren ten behoeve van het behoud van Groot Ray. Gelet hierop heeft het college zich met de raad in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de aanwezige landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Dit betoog faalt derhalve.

2.12. De Stichting betoogt voorts dat niet is onderkend dat, in verband met de zuidoostwaartse uitbreiding van de stad Dordrecht, de aanleg van een nieuwe hoofdweg door het plangebied in de toekomst noodzakelijk zal worden. Dienaangaande heeft de raad echter erop gewezen dat noch in het bestemmingsplan voor de nabijgelegen nieuwe woonwijk noch in de gemeentelijke Structuurvisie Dordrecht 2020 rekening is gehouden met een toekomstige verkeersontsluiting door het plangebied. Daarvoor zijn evenmin in het geldende Streekplan Zuid-Holland Zuid aanknopingspunten gevonden. In de enkele veronderstelling van de Stichting heeft het college in redelijkheid geen aanleiding gezien om goedkeuring aan het plan te onthouden.

Het beroep van [appellanten sub 3]

2.13. [appellanten sub 3] betogen dat ten onrechte goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" met de aanduiding "golfbaan (g)" en het plandeel met de bestemming "Water (Wa)", voor zover daarmee een deel van de golfbaan en een waterloop zijn geprojecteerd op de gronden van de boomgaard bij de Alloijzenhoeve aan de [locatie]. De uitvoering van het plan kan volgens hen leiden tot aantasting van de monumentale bomen en daarmee tot het verlies van de daarin aanwezige broedplaatsen voor steenuilen. Voorts voeren zij aan dat de boomgaard een onlosmakelijke eenheid vormt met de boerenhoeve op het perceel, die als gemeentelijk monument is aangewezen. Gelet hierop hadden de golfbaan en de waterloop volgens [appellanten sub 3] langs hun boomgaard moeten worden geprojecteerd.

2.13.1. Het college heeft bij het bestreden besluit betrokken dat het volgens het gemeentebestuur niet mogelijk is gebleken de golfbaan buiten de gronden van de boomgaard te projecteren, nu de golfbaan in dat geval niet zou kunnen worden ingepast en afbreuk zou worden gedaan aan de beoogde kwaliteit van de stedenbouwkundige opzet. Het college wijst erop dat de bestemmingsgrenzen zodanig zijn gelegd dat enerzijds ten noorden van het perceel [locatie] een hole kan worden gerealiseerd met de benodigde veiligheidszones en anderzijds, voor zover aan een deel van de boomgaard de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" met de nadere aanduiding "golfbaan (g)" is toegekend, de boomgaard op grond van het plan behouden mag blijven. Voorts is de waterloop zodanig geprojecteerd dat de aanwezige waardevolle bomen behouden blijven. In dit licht hebben [appellanten sub 3] niet aannemelijk gemaakt dat de broedplaatsen voor steenuilen in de boomgaard op hun perceel verloren zullen gaan en dat afbreuk zal worden gedaan aan het bestaande landschappelijke beeld van de hoeve met boomgaard. Daarnaast heeft de [ontwikkelaar] ter zitting verklaard zich ervoor in te zetten dat het deel van de boomgaard op de golfbaan voor [appellanten sub 3] toegankelijk blijft, bijvoorbeeld door middel van de realisering van een brug over de waterloop, die ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften op de gronden met de bestemming "Water (Wa)" is toegelaten. Gelet hierop heeft het college, bij afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het belang dat is gediend bij de realisering van de golfbaan dan aan het belang van [appellanten sub 3] dat is gediend bij het behoud van de boomgaard als onderdeel van hun perceel. Hun betoog faalt derhalve.

Flora en fauna

2.14. [appellant sub 1] en anderen betogen dat onvoldoende is gemotiveerd dat de ontheffing krachtens de Flora- en faunawet (hierna: Ffw), voor zover deze ten behoeve van de uitvoering van het plan is vereist in verband met de aanwezigheid van vleermuizen, kan worden verleend.

Ten eerste stellen zij dat moet worden aangenomen dat uitvoering van het plan zal leiden tot overtreding van het in artikel 10 van de Ffw neergelegde verbod tot opzettelijk verontrusten van deze vleermuizen. Hierbij voeren zij aan dat van dit verbod geen ontheffing kan worden verleend met het oog op de uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling.

Voorts voeren zij aan dat, voor zover de uitvoering van het plan leidt tot overtreding van artikel 11 van de Ffw, ten onrechte niet uitdrukkelijk is ingegaan op de ontheffingscriteria dat geen andere bevredigende oplossing bestaat en dat sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang.

2.14.1. Blijkens het vaststellingsbesluit en het daaraan ten grondslag gelegde onderzoeksrapport "Broedvogels, vleermuizen, amfibieën en vissen in het bestemmingsplangebied van het Belthure Park e.o. te Dordrecht" van Adviesbureau Mertens van augustus 2007 zijn de soorten gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger foeragerend aangetroffen in de bebouwingslinten en in het sportpark in het plangebied. Tevens is een kleine kolonie van de gewone dwergvleermuis aangetroffen in een woning aan de Stevensweg, waarlangs een nieuwe ontsluitingsweg is geprojecteerd. Voor de aanleg van deze ontsluitingsweg zullen woningen worden gesloopt. In verband hiermee is een ontheffing krachtens de Ffw aangevraagd.

2.14.2. De vraag of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een ontheffing krachtens de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komt in beginsel eerst aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat het college geen goedkeuring aan het plan had kunnen verlenen, indien en voor zover het op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.14.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in bijvoorbeeld de uitspraak van 21 november 2007, nr. 200607283/1, geldt als uitgangspunt dat niet ieder plan dat tot gevolg heeft dat een beschermde diersoort zich moet aanpassen aan een veranderde omgeving, als een opzettelijke verontrusting in de zin van artikel 10 van de Ffw moet worden aangemerkt. In dit licht hebben [appellant sub 1] en anderen met hun enkele stelling niet onderbouwd en aannemelijk gemaakt dat de uitvoering van het plan zonder meer zal leiden tot opzettelijke verontrusting van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger.

2.14.4. Blijkens het ambtsbericht naar aanleiding van de ingebrachte bedenkingen heeft het gemeentebestuur onderkend dat, indien de uitvoering van het plan zal leiden tot overtreding van het in artikel 11 van de Ffw opgenomen verbod om nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren, eerst ontheffing daarvan kan worden verleend indien tevens is voldaan aan de ontheffingscriteria dat geen andere bevredigende oplossing bestaat met het oog op dwingende redenen van groot openbaar belang. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat een ontheffing, gelet op de toepasselijke criteria, zal kunnen worden verleend. Het college heeft deze reactie van het gemeentebestuur op de ingebrachte bedenkingen mede aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat, voor zover voor de uitvoering van het plan ontheffingen krachtens de Ffw zijn vereist, deze zullen kunnen worden verleend.

Overigens heeft de ter zake bevoegde minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) bij besluit van 19 augustus 2008 besloten op de aanvraag voor ontheffing van het in artikel 11 van de Ffw bepaalde verbod voor onder meer de gewone dwergvleermuis. Daarbij heeft de minister een ontheffing voor de gewone dwergvleermuis niet nodig geacht, nu het inrichtingsplan erop is gericht dat het gebied geschikt blijft voor vleermuizen. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat deze inmiddels in rechte onaantastbaar is geworden.

2.14.5. Gelet op hetgeen in 2.14.3 en 2.14.4 is overwogen, faalt het betoog.

Financiële uitvoerbaarheid

2.15. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende is onderbouwd.

Ten eerste betwijfelen zij of [ontwikkelaar], die op basis van een samenwerkingsovereenkomst met de gemeente verantwoordelijk is voor de uitvoering van het plan, in staat is de noodzakelijke investeringen voor de verwerving van de gronden en de aanleg van de golfbaan te doen. De betrokkenheid van Bouwfonds Ontwikkeling bij de uitvoering is volgens hen onvoldoende inzichtelijk gemaakt.

Voorts stellen zij dat de verkoopbaarheid en verkoopsnelheid van de voorziene luxe woningen onjuist zijn ingeschat, terwijl deze noodzakelijk zijn om de kosten van de verwerving van de gronden en de aanleg en inrichting van de golfbaan te dekken. In dit kader mag volgens hen geen betekenis worden toegekend aan de door de raad genoemde overeenkomst met de exploitant van de golfbaan, omdat deze volgens hen voor het college niet kenbaar is geweest en daarnaast onduidelijk is waaruit de verplichtingen van de exploitant bestaan. Verder wijzen zij erop dat deze overeenkomst geen betrekking heeft op de verwervingskosten.

In het licht van het vorenstaande is volgens [appellant sub 1] en anderen ten onrechte niet voorzien in een fasering van de uitvoering van het plan en in flexibiliteitsbepalingen om woningen te realiseren die niet tot het topsegment behoren. Voorts stellen zij dat niet aannemelijk is dat het plan zal worden uitgevoerd binnen de planperiode. Deze bezwaren worden volgens hen niet ondervangen door de vrijstellingsbevoegdheden voor een uitbreiding met 70 woningen en de wijziging van appartementen in grondgebonden woningen.

2.15.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 dient het college van burgemeester en wethouders ten behoeve van de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het grondgebied van de gemeente onderzoek te verrichten naar de bestaande toestand in en naar de mogelijke en wenselijke ontwikkeling van de gemeente. Uit het tweede lid volgt dat het in het eerste lid bedoelde onderzoek bij de voorbereiding van een ontwerp voor een bestemmingsplan van stonde af aan mede betrekking dient te hebben op de uitvoerbaarheid van het plan.

2.15.2. Blijkens de plantoelichting is bij de vaststelling van het plan betrokken dat de grondexploitatie van de gemeente op basis van een samenwerkingsovereenkomst tussen de gemeente en [ontwikkelaar] met een kostenneutraal saldo sluit en dat uit de exploitatiegegevens van [ontwikkelaar] een positief exploitatieresultaat volgt.

2.15.3. Blijkens het raadsbesluit was reeds ten tijde van de vaststelling van het plan tussen [ontwikkelaar] en Bouwfonds Ontwikkeling een samenwerkingsovereenkomst gesloten ten behoeve van de (financiering van) de uitvoering van het plan [ontwikkelaar]. Terzake is toegelicht dat Bouwfonds Ontwikkeling op basis van deze overeenkomst participeert in de uitvoering en de kosten en het risico van de ontwikkeling gefaseerd overneemt van [ontwikkelaar], waarbij Bouwfonds Ontwikkeling de gronden verwerft die niet in eigendom van de gemeente zijn. Niet in geschil is dat [ontwikkelaar] en Bouwfonds Ontwikkeling inmiddels meer dan 50% van de gronden in het plangebied in eigendom hebben verkregen. Voorts is ter zitting vanwege het gemeentebestuur verklaard dat bij de verwerving van de gronden het instrumentarium van de Wet voorkeursrecht gemeenten wordt toegepast en dat, zo nodig, tot onteigening van de gronden wordt besloten.

2.15.4. Het college heeft voorts bij het bestreden besluit betrokken dat [ontwikkelaar] een overeenkomst heeft gesloten met een exploitant van de golfbaan. De raad heeft toegelicht dat deze de aanleg, inrichting en exploitatie van de golfbaan voor eigen rekening en risico op zich zal nemen. Voorts heeft de raad toegelicht dat de voorwaarde in het PvE dat de aanleg- en beheerskosten door het project worden gedragen, waarop [appellant sub 1] en anderen hebben gewezen, uitsluitend betrekking heeft op de kosten van de inrichting en het beheer van de landschappelijke elementen in het woongebied. Gelet op de overeenkomst met de exploitant van de golfbaan zal daarnaast uitsluitend de aanleg van de zogenoemde contouren van de golfbaan uit de opbrengsten van de koopwoningen moeten worden gefinancierd. Nu [ontwikkelaar] de strekking van de overeenkomst met de exploitant van de golfbaan hangende de goedkeuringsprocedure aan het college kenbaar heeft gemaakt, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college deze niet bij de goedkeuring van het plan had mogen betrekken.

2.15.5. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen door [appellant sub 1] en anderen is aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat het college in verband met de uitvoering door [ontwikkelaar], bezien in samenhang met de verwervingskosten, aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan had moeten twijfelen. Derhalve behoeven de overige argumenten bij dit betoog van [appellant sub 1] en anderen geen bespreking meer.

2.16. [appellant sub 1] en anderen betogen voorts dat het vermoeden bestaat van een verboden steunmaatregel in de zin van artikel 87, eerste lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: EG-Verdrag), voor zover de gemeente in het kader van de samenwerkingsovereenkomst met betrekking tot de uitvoering van het plan gronden aan [ontwikkelaar] heeft verkocht voor een grondprijs van ten hoogste €10 per vierkante meter. Daartoe voeren [appellant sub 1] en anderen aan dat bij recente transacties in het plangebied een koopprijs tussen €20 en €25 per vierkante meter is overeengekomen. Volgens hen is onvoldoende duidelijk of de financiering van de uitvoering van het plan is gegarandeerd indien deze steun zou worden teruggevorderd. Ook in zoverre betwijfelen zij de financiële uitvoerbaarheid van het plan.

2.16.1. Blijkens artikel 6.2 van de op 20 april 2005 totstandgekomen samenwerkingsovereenkomst is de door de gemeente Dordrecht en [ontwikkelaar] overeengekomen koopprijs mede opgebouwd uit de grondwaarde en de geraamde kosten voor de herstructurering van de sportvelden in het plangebied. [appellant sub 1] en anderen hebben deze overeenkomst als bijlage bij hun zienswijze over het ontwerpplan ingebracht. In reactie op hun zienswijze heeft de raad zich in het vaststellingsbesluit op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een verboden steunmaatregel in de zin van artikel 87, eerste lid, van het EG-Verdrag, omdat de gemeente en [ontwikkelaar] een marktconforme grondprijs overeengekomen zijn. In het bestreden besluit heeft het college, met kennisneming van de vertrouwelijk overgelegde exploitatiegegevens, ingestemd met de door de raad gegeven motivering van de financiële uitvoerbaarheid van het plan.

2.16.2. Uit het vaststellingsbesluit en de plantoelichting blijkt dat de samenwerkingsovereenkomst tussen de gemeente en [ontwikkelaar] uitdrukkelijk als motivering van de financiële uitvoerbaarheid aan het plan ten grondslag is gelegd. Niet is gesteld en aannemelijk gemaakt dat de uitvoerbaarheid van het plan anderszins is gegarandeerd. Derhalve dient te worden beoordeeld of de overeengekomen koopprijs aanleiding geeft voor het vermoeden van een verboden steunmaatregel in de zin van artikel 87, eerste lid, van het EG-Verdrag die aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Daarover heeft de raad in zijn schriftelijke uiteenzetting naar voren gebracht dat uit een door onafhankelijke taxateurs verrichte taxatie volgt dat de verkoopwaarde van de gronden op de peildatum 1 januari 2005 ongeveer €20 per vierkante meter bedraagt en dat uit de samenwerkingsovereenkomst volgt dat de gronden aan [ontwikkelaar] zijn verkocht voor ongeveer €22 per vierkante meter. Daarbij maken de kosten voor de in het plan voorziene herstructurering van de sportvelden onderdeel uit van de tegenprestatie voor de verkrijging van de gronden. Naar aanleiding hiervan hebben [appellant sub 1] en anderen ter zitting aangevoerd dat zij betwijfelen of in de exploitatieopzet is uitgegaan van een koopprijs van ongeveer €22 per vierkante meter, in die zin of de koopprijs mede is opgebouwd uit de geraamde kosten voor de herstructurering van de sportvelden. Uit de met toepassing van artikel 8:29 van de Awb overgelegde exploitatiegegevens is evenwel gebleken dat daarin ervan is uitgegaan dat de ontwikkelaar de kosten voor de herontwikkeling van de sportvelden draagt, die samen met de geraamde grondwaarde ongeveer €22 per vierkante meter bedragen. Gelet hierop ziet de Afdeling in de overeengekomen koopprijs geen aanleiding voor het vermoeden dat sprake is van een verboden steunmaatregel die aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Dit betoog faalt derhalve.

2.17. [appellant sub 1] en anderen betogen verder dat niet is uitgesloten dat de samenwerkingsovereenkomst tussen de gemeente en [ontwikkelaar] moet worden aangemerkt als een overheidsopdracht in de zin van richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten en het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten (hierna: Bao), zodat voor de toekenning van de uitvoering van het plan een aanbestedingsprocedure had moeten worden gevolgd.

2.17.1. Ter zitting hebben [appellant sub 1] en anderen toegelicht dat deze beroepsgrond aldus moet worden begrepen dat het college en de raad niet hebben onderkend dat mogelijk geen uitvoering mag worden gegeven aan de samenwerkingsovereenkomst, terwijl deze als basis dient van de financiële uitvoerbaarheid van het plan. De beweerdelijke onrechtmatigheid van de samenwerkingsovereenkomst hebben zij echter niet aan de orde gesteld in een naar Nederlands recht daartoe geëigende civielrechtelijke procedure. Reeds hierom, en nu niet is gebleken van evidente gebreken, heeft het college bij de goedkeuring van het plan mogen uitgegaan van de rechtsgeldigheid van de samenwerkingsovereenkomst, daargelaten of de mogelijke verplichting tot aanbesteding van de uitvoering van het plan in het algemeen op zichzelf in de weg staat aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Dit betoog faalt derhalve.

Conclusie

2.18. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] en anderen, de Stichting en [ontwikkelaar] hebben aangevoerd, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn derhalve ongegrond.

2.19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.M. van der Heijden, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Van der Heijden

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2009

516.