Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ9462

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
07-10-2009
Zaaknummer
200900515/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 november 2008, nr. 2008INT231591, heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijk bij Duurstede (hierna: het college van burgemeester en wethouders) bij besluit van 23 september 2008 vastgestelde uitwerkingsplan "Kavels [locatie], Zuid-Oosthoek Cothen" (hierna: het uitwerkingsplan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200900515/1/R2.

Datum uitspraak: 7 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats], gemeente Wijk bij Duurstede,

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 november 2008, nr. 2008INT231591, heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijk bij Duurstede (hierna: het college van burgemeester en wethouders) bij besluit van 23 september 2008 vastgestelde uitwerkingsplan "Kavels [locatie], Zuid-Oosthoek Cothen" (hierna: het uitwerkingsplan).

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 januari 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft het college van burgemeester en wethouders een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 augustus 2009, waar [appellanten], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door ing. P.A. Regter, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. A. Kabaktepe en M. Uitdehaag, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan moet worden uitgewerkt volgens bij het plan te geven regelen. Bij het besluit over de goedkeuring van een uitwerkingsplan dient het college te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregelen is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op het college de taak te onderzoeken of het plan binnen de bij het bestemmingsplan gegeven regelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het uitwerkingsplan van het ter plaatse vigerende bestemmingsplan "Zuid-Oosthoek" (hierna: het bestemmingsplan) voorziet in een bebouwingsvlak, verspreid over drie ongeveer gelijke kavels, waarop de bouw van drie vrijstaande woningen mogelijk wordt gemaakt. Het gebied van het uitwerkingsplan maakt deel uit van de uitbreidingslocatie "Zuid-Oosthoek" in de kern van Cothen. Het plangebied beslaat de nog niet bebouwde kavels, omsloten door de [locatie], een parkeerplaats en de straat Uitveld en heeft een oppervlakte van ongeveer 1.500 m².

2.3. Het beroep van [appellanten] richt zich tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" voor zover dit de bouw van drie woningen mogelijk maakt op de kavels die zijn gelegen tegenover zijn woning aan de [locatie sub 1].

2.4. [appellanten] voert aan dat de openbare kennisgeving van de vaststelling van het ter plaatse vigerende bestemmingsplan destijds ontoereikend is geweest. Voorts is hij ook niet op een andere wijze hierover geïnformeerd. Hierdoor was [appellanten] niet op de hoogte van de uitwerkingsplicht in het bestemmingsplan.

2.4.1. De Afdeling stelt vast dat [appellanten] zich met deze beroepsgrond op een door hem gestelde onregelmatigheid beroept ten aanzien van de vaststelling van het bestemmingsplan. Nu het besluit omtrent de goedkeuring van het bestemmingsplan reeds in rechte onaantastbaar is geworden, valt deze beroepsgrond buiten het kader van deze procedure met betrekking tot het uitwerkingsplan.

2.5. [appellanten] betoogt dat de bouw van een drietal woningen niet realistisch is gelet op het beschikbare oppervlak van 1.500 m². Feitelijk komt het beschikbare oppervlak neer op 1.100 m², aldus [appellanten]. Het overige gedeelte van de 1.500 m² dient voor de aanleg van een groenstrook langs de [locatie], een smalle strook grond gelegen tegen de huidige parkeerplaatsen en een strook grond van meer dan 150 m² voor de uitrit van de naastgelegen voormalige boerderij aan de [locatie sub 2].

2.5.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het oppervlak van de kavels dermate ruim is dat het mogelijk is om met betrekking tot de onderlinge situering tot een optimale ruimtelijke invulling te komen. Op basis van de plankaart bedraagt het totale oppervlak van het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" 1.280 m². Dit leidt tot een gemiddelde oppervlakte van ongeveer 400 m² per woning, aldus het college.

2.5.2. Ingevolge artikel 3, onder 3, aanhef en onder a, van de voorschriften van het uitwerkingsplan, voor zover hier van belang, mag het aantal woningen per bestemmingsvlak niet meer bedragen dan op de plankaart is aangegeven. De plankaart geeft een aantal van drie woningen aan.

2.5.3. De Afdeling stelt vast dat het plangebied een totale oppervlakte heeft van ongeveer 1.500 m², waarvan ongeveer 1.200 m² is gereserveerd ten behoeve van de bouw van drie vrijstaande woningen. Er zijn drie kavels beschikbaar van ongeveer 400 m² per kavel. Daarnaast bevat het uitwerkingsplan nog de aanvullende bestemmingen "Verkeersdoeleinden" en "Groenvoorzieningen". Anders dan [appellanten] betoogt, overweegt de Afdeling dat een oppervlakte van 400 m² per kavel in verhouding tot de te bouwen woningen passend kan worden geacht nu een dergelijke oppervlakte in zijn algemeenheid niet ongebruikelijk is. Gelet hierop heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat het oppervlak van de kavels voldoende is om tot een goede ruimtelijke invulling te komen.

2.6. [appellanten] brengt naar voren dat zijn vrije uitzicht door de drie woningen wordt ontnomen en dat door de voorziene woningbouw zijn privacy wordt geschaad. Het gevolg van de woningbouw is dat er twee woningen recht tegenover de woning van [appellanten] komen te staan op respectievelijk 25 en 30 meter.

2.6.1. Het college stelt zich op het standpunt dat in redelijkheid niet valt te vrezen voor een onevenredige aantasting van de privacy. De situering van de te bouwen woningen is zodanig dat deze woningen, behalve door de [locatie], ook door de voorziene groenstrook worden gescheiden van de woning van [appellanten].

2.6.2. De Afdeling stelt vast dat de afstand tussen de in het uitwerkingsplan opgenomen bouwgrens en de woning van [appellanten] tenminste 25 meter is. Vanuit het plangebied gezien ligt de woning van [appellanten] aan de overzijde van de [locatie]. Voorts is in het plan voorzien in een groenstrook van 6 meter breed tussen de voorziene woningen en de woning van [appellanten]. Het is niet ongebruikelijk dat aan weerszijden van een straat woningen aanwezig zijn en dat er daardoor een beperkt uitzicht is vanuit de woningen aan de straat. Bovendien wordt het directe zicht doorbroken door groenvoorzieningen. Gelet hierop heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat niet valt te vrezen voor een onevenredige aantasting van de privacy.

2.7. [appellanten] stelt dat hij overlast zal ondervinden van geparkeerde auto's voor zijn huis. Nu niet alle nabijgelegen woningen aan de [locatie] zijn voorzien van eigen parkeerruimte, zal dit in combinatie met de uitrit van de boerderij leiden tot een onveilige situatie in de [locatie].

2.7.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de vrees voor parkeeroverlast niet is gerechtvaardigd, nu aan de in het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsvoorschriften is voldaan.

Het college stelt zich voorts op het standpunt dat geen onveilige verkeerssituaties zullen ontstaan in de [locatie]. De voorziene extra ontsluiting sluit aan op een reeds aanwezige ontsluiting op de [locatie] en de bestaande uitrit wordt daartoe verbreed. Voorts is er in de [locatie] sprake van een relatief lage verkeersintensiteit.

2.7.2. Ingevolge artikel 11, onder 4, aanhef en onder g, van de voorschriften van het bestemmingsplan werken burgemeesters en wethouders de bestemming "Uit te werken woondoeleinden" uit met inachtneming van een gemiddelde parkeernorm die tenminste uitgaat van 1,3 parkeerplaats per woning.

2.7.3. De Afdeling stelt vast dat de in het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsvoorschriften voorschrijven dat er 1,3 parkeerplaats per woning moet zijn. Naast twee openbare parkeerplaatsen wordt bij elk van de drie woningen een parkeerplaats gerealiseerd. Er worden in totaal derhalve vijf parkeerplaatsen gerealiseerd. De nieuwe uitrit ziet op de entree van één woning en sluit aan op een bestaande uitrit. Nu het uitwerkingsplan voorziet in een passende uitbreiding van de parkeergelegenheid met het oog op de te bouwen woningen en er daarnaast nog twee openbare parkeerplaatsen worden gerealiseerd, valt niet in te zien dat [appellanten] overlast zal ondervinden van geparkeerde auto's. Aangezien de nieuwe uitrit slechts betrekking heeft op één woning valt evenmin in te zien dat deze uitrit, in combinatie met de geparkeerde auto's tot overlast zou leiden. Gelet hierop heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat de vrees voor parkeeroverlast niet is gerechtvaardigd en dat redelijkerwijs niet valt te verwachten dat, ook in combinatie met de uitrit, na de realisatie van het plan sprake zal zijn van een onveilige verkeerssituatie.

2.8. Ten slotte geeft [appellanten] aan dat hij aan het gemeentebestuur van Wijk bij Duurstede heeft voorgesteld om twee in plaats van drie woningen te bouwen en deze woningen te situeren aan de zuidzijde van het plangebied. Hiermee zouden de door [appellanten] in zijn beroep geschetste problemen worden voorkomen en zou bovendien een fraaier dorpsaanzicht ontstaan, aldus [appellanten].

2.8.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het uitwerkingsplan is ontwikkeld met inachtneming van de doeleinden en regels zoals die zijn gesteld in het bestemmingsplan. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt is er derhalve geen sprake van een woningbouwplan dat zich negatief verhoudt tot het bestaande omringende gebied. Hierbij merkt het college op dat het aanzicht van de "Zuid-Oosthoek" van Cothen voor [appellanten] reeds bestaat uit een met eengezinswoningen bebouwd gebied. Door het toevoegen van drie extra woningen op een open plek binnen deze bebouwing zal het aanzicht van de wijk niet wezenlijk veranderen of negatief worden beïnvloed.

2.8.2. De Afdeling stelt vast dat in eerste instantie was voorzien in een viertal woningen, maar dat op basis van kritiek van omwonenden is besloten om te voorzien in een drietal woningen. Niet in geschil is dat het plan is ontwikkeld met inachtneming van de doeleinden en regels zoals die zijn gesteld in het bestemmingsplan. Voorts zijn in de directe omgeving van de [locatie] en het plangebied diverse woningen gelegen en is er derhalve sprake van bebouwd gebied. Gelet op het voorgaande heeft [appellanten] niet aannemelijk gemaakt dat door de bouw van een tweetal woningen aan de zuidzijde van het plangebied, in plaats van het huidige voorziene aantal van drie woningen, de situatie aan de [locatie] en het dorpsaanzicht van Cothen wezenlijk verandert.

2.9. De conclusie is dat hetgeen [appellanten] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het uitwerkingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Kooijman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2009

177-605.