Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ9458

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
07-10-2009
Zaaknummer
200903581/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 augustus 2008 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) het rijbewijs van [appellant] voor alle categorieën ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200903581/1/H3.

Datum uitspraak: 7 oktober 2009.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 24 april 2009 in zaak nr. 08/1197 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 augustus 2008 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) het rijbewijs van [appellant] voor alle categorieën ongeldig verklaard.

Bij besluit van 11 september 2008 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 april 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Dordrecht (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 mei 2009, hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 september 2009, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.M.C. Wessels, advocaat te Zwijndrecht, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. J.J. Kwant, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994), voor zover thans van belang, doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen.

Ingevolge artikel 131, vierde lid, zoals dit artikel luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, legt het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen betrokkene overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels de verplichting op zich binnen een daarbij vastgestelde termijn te onderwerpen aan educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge artikel 132, eerste lid, zoals dit artikel luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, is degene die zich ingevolge het in artikel 131, vierde lid, bedoelde besluit dient te onderwerpen aan educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, verplicht de daartoe vereiste medewerking te verlenen.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, besluit het CBR bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde medewerking onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de houder.

Ingevolge artikel 132, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen worden, voor zover thans van belang, het tijdstip waarop en de plaats waar betrokkene de hem opgelegde educatieve maatregelen, bedoeld in artikel 131, vijfde lid (lees: vierde lid), van de wet dient te ondergaan, door het CBR vastgesteld.

Ingevolge het tweede lid worden, indien betrokkene niet op de vastgestelde tijd en plaats aanwezig is, tijd en plaats waarop betrokkene de hem opgelegde educatieve maatregelen dient te ondergaan, door het CBR opnieuw vastgesteld, tenzij naar het oordeel van het CBR geen sprake is van een geldige reden van verhindering.

2.2. Bij besluit van 31 maart 2008 heeft het CBR aan [appellant] de verplichting opgelegd deel te nemen aan een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (hierna: EMA). Het CBR heeft aan het in bezwaar gehandhaafde besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van [appellant] ten grondslag gelegd dat hij niet de vereiste medewerking heeft verleend aan de hem opgelegde EMA, aangezien hij zonder geldige reden van verhindering niet op het tot de EMA behorende voorgesprek van 8 juli 2008 is verschenen. De omstandigheid dat [appellant] van 7 juli 2008 tot en met 10 juli 2008 aan boord was van het marinefregat "Hr. Ms. De Ruyter" en dat hij deze verhinderdata niet binnen vier weken na het besluit van 31 maart 2008 aan het CBR heeft kunnen doorgeven omdat hij het vaarschema eerst op 13 juni 2008 heeft ontvangen, merkt het CBR niet als geldige reden van verhindering aan. Daarbij stelt het CBR zich op het standpunt dat zaken die met werk te maken hebben, niet als geldige reden worden beschouwd en dat [appellant] dit wist, althans behoorde te weten, aangezien dit duidelijk in de bij het besluit van 31 maart 2008 gevoegde folder "Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA)" was vermeld.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat hij niet alles heeft geprobeerd om bij het voorgesprek aanwezig te zijn en dat het CBR zich derhalve op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is gebleken van een geldige reden van verhindering, heeft miskend dat hij alle medewerking aan de EMA wilde verlenen, maar dat sprake was van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Daartoe voert [appellant] aan dat hij niet eerder dan na ontvangst van de brief van het CBR van 11 juni 2008 rekening heeft kunnen houden met de data waarop de EMA zou plaatsvinden, dat hij eerst op 13 juni 2008 het vaarschema heeft ontvangen en dat hij vervolgens bij brief van 16 juni 2008 aan het CBR heeft doorgegeven dat hij was verhinderd om op 8 juli 2008 bij het voorgesprek te verschijnen. Volgens [appellant] had het op de weg van het CBR gelegen om voor 7 juli 2008 op deze brief te reageren en hem te kennen te geven dat hij geen geldige reden van verhindering had, zodat hij de situatie nog op tijd aan zijn leidinggevende had kunnen voorleggen. Dat hij dit in eerste instantie niet uit zichzelf heeft gedaan, komt omdat hij bang was dat hij van zijn leidinggevende geen week thuis mocht blijven en omdat hij van de chef Operationele Dienst had vernomen dat hij al was ingeroosterd en geen vrij meer kon krijgen.

2.3.1. In de bij het besluit van 31 maart 2008 gevoegde folder "Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA)" wordt, voor zover thans van belang, vermeld dat uitstel van de EMA alleen mogelijk is in situaties die buiten de schuld van betrokkene ontstaan en die niet zijn te veranderen of te voorkomen. In dat soort situaties dient betrokkene bewijs aan te leveren. Tevens staat in die folder dat zaken die met werk te maken hebben, niet als geldige reden van verhindering worden aangemerkt. Hoewel dit ter zake door het CBR gevoerde beleid, zoals afgeleid kan worden uit de uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2007 in zaak nr. 200700859/1, niet onredelijk is, ziet de Afdeling in het voorliggende geval grond voor het oordeel dat het CBR, gezien de bijzondere omstandigheden van dit geval, namelijk dat [appellant] ten tijde van het voorgesprek aan boord was van het marinefregat "Hr. Ms. De Ruyter" en dat hij het vaarschema eerst op 13 juni 2008 heeft ontvangen, in beginsel nader had dienen te onderzoeken of deze omstandigheden aanleiding dienden te vormen voor een uitzondering op de regel dat zaken die met werk te maken hebben, niet als geldige reden van verhindering worden aangemerkt. Nader onderzoek kon echter achterwege blijven, omdat [appellant] eerst aannemelijk diende te maken dat de ontstane situatie niet te veranderen of te voorkomen was. In dat verband heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat [appellant] niet alles heeft geprobeerd om bij het voorgesprek aanwezig te zijn, nu uit de verklaring van zijn leidinggevende blijkt dat hij het probleem niet aan deze leidinggevende heeft voorgelegd. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het CBR [appellant] op 12 juni 2008 telefonisch heeft medegedeeld dat de datum van het voorgesprek niet zou worden gewijzigd. [appellant] had derhalve voor zijn beoogde vertrek op 7 juli 2008 de mogelijkheid om de situatie aan zijn leidinggevende voor te leggen, maar heeft dat niet gedaan.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat het CBR zich op het standpunt heeft mogen stellen dat niet is gebleken van een geldige reden van verhindering en dat het CBR niet gehouden was om een nieuwe datum voor de EMA vast te stellen.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2009.

176-611.