Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ9453

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-09-2009
Datum publicatie
07-10-2009
Zaaknummer
200905264/1/H1 en 200905264/2/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 februari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bernheze (hierna: het college) [appellante] gelast om uiterlijk op 26 februari 2009 de permanente bewoning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te beëindigen en beëindigd te houden onder oplegging van een dwangsom van € 2400,00 met een maximum van € 12.000,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2009/3202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905264/1/H1 en 200905264/2/H1.

Datum uitspraak: 29 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 4 juni 2009 in zaak nr. 08/3243 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bernheze.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bernheze (hierna: het college) [appellante] gelast om uiterlijk op 26 februari 2009 de permanente bewoning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te beëindigen en beëindigd te houden onder oplegging van een dwangsom van € 2400,00 met een maximum van € 12.000,00.

Bij besluit van 5 augustus 2008 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 juni 2009, verzonden op 8 juni 2009, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 5 augustus 2008 vernietigd voor zover het de hoogte van de opgelegde dwangsom betreft, het besluit van 26 februari 2008 in zoverre herroepen, de aan [appellante] opgelegde dwangsom vastgesteld op € 1000,00 per maand met een maximum van € 12.000,00 en bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit voor zover herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 juli 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 18 augustus 2009.

Bij laatstgenoemde brief heeft [appellante] tevens de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 17 september 2009, waar [appellante], in persoon en bijgestaan door mr. drs. A.A.P.M. Theunen, advocaat te Veghel, en het college, vertegenwoordigd door O.R.L.J.M. Frijns-Lau en M. Nieuwenhuis, ambtenaren van de gemeenten, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Niet in geschil is dat [appellante] sinds april 2007 haar hoofdverblijf heeft in de haar in eigendom toebehorende recreatiewoning op het perceel. Vaststaat dat zodanig gebruik van de recreatiewoning ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze" is verboden, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen concreet zicht op legalisatie bestond. Volgens [appellante] bewoont zij de recreatiewoning sinds september 2002 en komt de situatie op grond van de brief van de brief van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal en waarin een landelijke peildatum van 31 oktober 2003 wordt vermeld, in aanmerking voor legalisatie. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college zijn besluit van 5 augustus 2008 ten onrechte heeft gebaseerd op de op 7 december 2004 vastgestelde Nota onrechtmatige bewoning recreatiewoningen nu zij de recreatiewoning reeds vóór die datum bewoonde.

2.4. Het betoog faalt. Het gehandhaafde dwangsombesluit beoogt de beëindiging van de met het bestemmingsplan strijdige situatie die is ontstaan door de permanente bewoning van de recreatiewoning door [appellante] sinds april 2007. Dat [appellante] de recreatiewoning eerder van september 2002 tot oktober 2005 permanent heeft bewoond is voor de beoordeling van dit geschil niet relevant. Gelet op het tijdsverloop kan de bewoning van de recreatiewoning vanaf april 2007 niet worden aangemerkt als een voortzetting van die eerdere periode van bewoning door [appellante]. Dat [appellante] de woning in de tussenliggende periode heeft verhuurd, maakt dat niet anders. De rechtbank heeft gelet hierop terecht geoordeeld dat aan de in de brief van de minister van 31 oktober 2003 geformuleerde criteria voor mogelijke legalisatie niet wordt voldaan. Bovendien legt deze brief het college geen beperkingen op ter zake van handhaving. Evenmin valt in te zien dat handhavend optreden op grond van de Nota onrechtmatige bewoning recreatiewoningen achterwege had moeten blijven. Deze nota is gepubliceerd in december 2004 en vaststaat dat [appellante] niet voldoet aan de daarin geformuleerde criteria om in aanmerking te komen voor een persoonlijke gedoogbeschikking.

Ook overigens bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot handhavend optreden. [appellante] is de woning permanent gaan bewonen in de wetenschap dat dit niet was toegestaan. De persoonlijke omstandigheden waarin zij verkeert brengen niet met zich dat het college diende te berusten in de illegale situatie, temeer nu deze niet van geringe betekenis is en geen concreet zicht op beëindiging bestaat. Het college heeft in dit verband bovendien terecht gewezen op mogelijke precedentwerking die het afzien van handhavend optreden tot gevolg heeft. [appellante] is van het voornemen tot handhavend optreden reeds bij brief van het college van 9 oktober 2007 op de hoogte gesteld en haar is ruimschoots de gelegenheid gegeven om alternatieve woonruimte te bemachtigen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Willems

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2009

412.