Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ9158

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-09-2009
Datum publicatie
02-10-2009
Zaaknummer
200803515/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering afgifte verblijfskaart / verklaring van inschrijving burger van de Unie / geen strijd met Richtlijn 2004/38/EG / feitelijk belang

Hoewel, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, alle rechten die zijn verbonden aan het burgerschap van de Unie rechtstreeks uit het gemeenschapsrecht voortvloeien en derhalve zowel de verklaring als de verblijfskaart louter declaratoir van aard zijn en de vreemdelingen met een verblijfskaart derhalve geen aanvullende of sterkere aanspraken kunnen verkrijgen dan met een verklaring van inschrijving van burger van de Unie, kan niet worden staande gehouden dat zij geen enkel feitelijk belang hebben bij hetgeen zij beogen te bereiken met hun beroep. Zij hebben dan ook een rechtens te honoreren belang bij toetsing van de juistheid van het standpunt van de staatssecretaris dat hij niet langer bevoegd is aan hen een verblijfskaart te verstrekken. De Richtlijn staat er anders dan de staatssecretaris kennelijk meent niet aan in de weg dat het nationale recht voorziet in de mogelijkheid in dat geval een verblijfskaart af te geven, indien daar door een burger van de Unie uitdrukkelijk om wordt verzocht. Aan de Richtlijn zelf kan een burger van de Unie echter geen aanspraak ontlenen om in plaats van een verklaring in het bezit te worden gesteld van een verblijfskaart. Een nationale regeling, zoals neergelegd in artikel 8.12, eerste lid aanhef en onder a, van het Vb 2000, gelezen in samenhang met het vierde en zesde lid van dit artikel, op grond waarvan aan burgers van de Unie uitsluitend een verklaring en geen verblijfskaart wordt verstrekt, is dan ook niet in strijd met de Richtlijn.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 8.7
Vreemdelingenbesluit 2000 8.12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/433
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803515/1/V2.

Datum uitspraak: 23 september 2009

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[vreemdeling sub 1] en [vreemdeling sub 2],

appellanten,

tegen de uitspraak in zaken nrs. 07/38599 en 07/38458 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 16 april 2008 in de gedingen tussen:

[vreemdeling sub 2] en [vreemdeling sub 1]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [vreemdeling sub 1] (hierna: de vreemdeling sub 1) om afgifte van een verblijfskaart, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen en aan haar een "verklaring van inschrijving burger van de Unie" (hierna: de verklaring) verstrekt.

Bij besluit van 28 september 2007 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling sub 1 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij besluit van 21 juni 2007 heeft de staatssecretaris een aanvraag van [vreemdeling sub 2] (hierna: de vreemdeling sub 2) om afgifte van een verblijfskaart, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Bij besluit van 2 oktober 2007 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling sub 2 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en aan haar een verklaring verstrekt. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 16 april 2008, verzonden op 18 april 2008, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem (hierna: de rechtbank), de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen niet ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 14 mei 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Op 19 augustus 2009 heeft de staatssecretaris een nader stuk ingediend.

De vreemdelingen hebben op 20 en 28 augustus 2009 nadere stukken ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 augustus 2009, waar de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. C. Chen, advocaat te Rotterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.A. Pruss, ambtenaar in dienst van het Ministerie van Justitie, zijn verschenen. Tevens is verschenen R. Griep, werkzaam bij de Coöperatieve Dienstverlening Heerhugowaard.

2. Overwegingen

2.1. De vreemdelingen betogen in de eerste grief samengevat weergegeven en voor zover van belang dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij geen procesbelang hebben bij de beoordeling van hun beroep. Zij voeren daartoe aan dat het beschikken over een verblijfskaart in plaats van een verklaring verschillende praktische voordelen heeft, onder andere wat betreft de mogelijkheden om ten behoeve van overheids- en opsporingsdiensten rechtmatig verblijf aan te tonen en het openen van een bankrekening.

2.1.1. De bij de rechtbank bestreden besluiten behelzen, naast de verstrekking van een verklaring aan de vreemdeling sub 2, tevens de handhaving van de afwijzing van de aanvragen van de vreemdelingen om afgifte van een verblijfskaart. Aan de besluiten heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat hij thans, anders dan voorheen, op grond van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (hierna: de Richtlijn) niet langer bevoegd is aan vreemdelingen die de nationaliteit van een lidstaat bezitten een verblijfskaart te verstrekken. Hoewel, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, alle rechten die zijn verbonden aan het burgerschap van de Unie rechtstreeks uit het gemeenschapsrecht voortvloeien en derhalve zowel de verklaring als de verblijfskaart louter declaratoir van aard zijn en de vreemdelingen met een verblijfskaart derhalve geen aanvullende of sterkere aanspraken kunnen verkrijgen dan met een verklaring van inschrijving van burger van de Unie, kan niet worden staande gehouden dat zij geen enkel feitelijk belang hebben bij hetgeen zij beogen te bereiken met hun beroep. Zij hebben dan ook een rechtens te honoreren belang bij toetsing van de juistheid van het standpunt van de staatssecretaris dat hij niet langer bevoegd is aan hen een verblijfskaart te verstrekken.

2.2. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens in het hoger-beroepschrift is aangevoerd, behoeft geen verdere bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen van de vreemdelingen alsnog ongegrond verklaren. Daartoe wordt het volgende overwogen.

2.2.1. Ingevolge artikel 112 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, ter uitvoering van een verdrag, dan wel van een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie regels worden gesteld in verband met het rechtmatig verblijf van vreemdelingen waarbij ten gunste van deze vreemdelingen kan worden afgeweken van deze wet. Op grond van dit artikel is de Richtlijn onder meer in artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) geïmplementeerd.

Ingevolge artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 heeft de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, te weten onder andere een vreemdeling die de nationaliteit van een staat die partij bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bezit, langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf, indien hij in Nederland werknemer of zelfstandige is dan wel Nederland is ingereisd om werk te zoeken en kan bewijzen dat hij werk zoekt en een reële kans op werk heeft.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel meldt de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, zich uiterlijk binnen een maand na afloop van de in artikel 8.11, eerste lid, bedoelde periode te weten drie maanden na inreis aan bij de minister ter inschrijving in de vreemdelingenadministratie in geval hij beoogt langer dan drie maanden in Nederland te verblijven.

Ingevolge het zesde lid verstrekt de minister na de in het vierde lid bedoelde inschrijving onmiddellijk een verklaring van inschrijving, waarin naam en adres van de ingeschreven vreemdeling en de datum van inschrijving worden vermeld.

2.2.2. Doel van de Richtlijn is, gelet op onder meer de onderdelen (1) tot en met (4), (7) en (10) tot en met (12) van de Preambule, de sectorale en fragmentaire benadering van het recht van vrij verkeer en verblijf te verhelpen en de uitoefening van dit recht te vergemakkelijken door middel van één nieuw wetgevingsbesluit waarbij voor burgers van de Unie omslachtige en onverantwoorde administratieve werkwijzen worden afgeschaft. Te dien einde bepaalt artikel 8 van de Richtlijn dat lidstaten voor verblijf langer dan drie maanden inschrijving door burgers van de Unie kunnen verlangen, waarna onmiddellijk een verklaring van inschrijving wordt afgegeven. De Richtlijn staat er anders dan de staatssecretaris kennelijk meent niet aan in de weg dat het nationale recht voorziet in de mogelijkheid in dat geval een verblijfskaart af te geven, indien daar door een burger van de Unie uitdrukkelijk om wordt verzocht. Aan de Richtlijn zelf kan een burger van de Unie echter geen aanspraak ontlenen om in plaats van een verklaring in het bezit te worden gesteld van een verblijfskaart. Een nationale regeling, zoals neergelegd in artikel 8.12, eerste lid aanhef en onder a, van het Vb 2000, gelezen in samenhang met het vierde en zesde lid van dit artikel, op grond waarvan aan burgers van de Unie uitsluitend een verklaring en geen verblijfskaart wordt verstrekt, is dan ook niet in strijd met de Richtlijn.

2.2.3. Uit het vorenoverwogene volgt dat de staatssecretaris terecht heeft geweigerd de vreemdelingen in het bezit te stellen van een verblijfskaart. Hieraan doet niet af dat de vreemdelingen, naar zij stellen, met een verblijfskaart beter af zouden zijn geweest, aangezien deze bij financiële instellingen, overheids- en opsporingsdiensten beter bekend is. Het Vb 2000 is een algemeen verbindend voorschrift waaraan uitzonderingen die zich in dit geval niet voordoen daargelaten door de staatsecretaris onverkort toepassing dient te worden gegeven. Indien de staatssecretaris, zoals door de vreemdelingen wordt betoogd, aan anderen die zich in een vergelijkbare positie bevinden wel een verblijfskaart mocht hebben verstrekt, kan dit wat daarvan ook zij –, er niet toe leiden dat ook de vreemdelingen in het bezit van een verblijfskaart dienen te worden gesteld. Het gelijkheidsbeginsel strekt niet zover dat de staatssecretaris op grond daarvan tot herhaalde onjuiste wetstoepassing gehouden zou zijn.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 16 april 2008 in zaken nrs. 07/38599 en 07/38458;

III. verklaart de door de vreemdelingen bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroepen ongegrond;

IV. verstaat dat de secretaris van de Raad van State aan de vreemdelingen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 216,00 (zegge: tweehonderdzestien euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Loon

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2009

284/338.

Verzonden:23 september 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak