Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ8936

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-09-2009
Datum publicatie
30-09-2009
Zaaknummer
200809459/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 februari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college) geweigerd [Pension] een vergunning te verlenen voor het plaatsen van een verlicht reclameobject aan het pand gelegen aan de [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200809459/1/H3.

Datum uitspraak: 30 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], handelend onder de naam [Pension], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 12 november 2008 in zaak nr. 08/1380 in het geding tussen:

[Pension]

en

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college) geweigerd [Pension] een vergunning te verlenen voor het plaatsen van een verlicht reclameobject aan het pand gelegen aan de [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 10 maart 2008 heeft het college het door [Pension] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 12 november 2008, verzonden op 17 november 2008, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [Pension] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] handelend onder de naam [Pension] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 december 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting op 1 september 2009 aan de orde gesteld.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4.4.2, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Eindhoven 2008 (hierna: APV) is het verboden om op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, voor zover hier van belang, is in afwijking van het eerste lid toegestaan om onverlichte reclame-uitingen aan te brengen voor opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,5 m² die betrekking hebben op het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor de zaak is bestemd.

Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.

Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:11 blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.2. Bij brief van 5 maart 2009 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat ingevolge de APV voor het plaatsen voor vanaf de openbare weg zichtbare reclameobjecten thans geen reclamevergunning meer is vereist. Derhalve heeft [appellante] geen belang bij een beoordeling van de vraag of het college de reclamevergunning op grond van de APV terecht heeft geweigerd, aldus het college.

Dienaangaande overweegt de Afdeling dat in het thans geldende artikel 4.4.2 van de APV nog steeds een verbod is opgenomen dat ziet op het aanbrengen van verlichte reclameobjecten op een onroerende zaak. Gelet hierop heeft [appellante] een belang bij een inhoudelijke beoordeling van haar hoger beroep.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat het primaire besluit van 15 februari 2007 op 16 februari 2007 aan haar is verzonden gelet op het door het college geplaatste stempel van 22 maart 2007. [appellante] betoogt dat het besluit van 15 februari 2007 na 22 maart 2007 door haar is ontvangen en zij binnen de daarin vermelde termijn van zes weken na verzending van dat besluit bezwaar heeft gemaakt. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat, voor zover al moet worden aangenomen dat het besluit eerst op 22 maart 2007 is verzonden, niet zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs mogelijk alsnog bezwaar is gemaakt, nu zij in de periode na 22 maart 2007 in het buitenland verbleef, aldus [appellante].

2.4. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het besluit van 15 februari 2007, blijkens de afdruk uit het postregistratiesysteem van de gemeente en het verzendbewijs van TPG Post op 16 februari 2007 aangetekend is verzonden. Dit betekent dat de termijn voor het indienen van het bezwaar ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb is aangevangen op 17 februari 2007 en ingevolge artikel 6:7, eerste lid, van de Awb is geëindigd op 30 maart 2007. Weliswaar is het besluit van 15 februari 2007 op 19 maart 2007 nogmaals aangetekend aan [appellante] verzonden, echter daarmee is geen nieuwe beroepstermijn begonnen.

2.5. [appellante] heeft eerst op 25 april 2007 bezwaar gemaakt bij het college, zodat haar bezwaarschrift niet binnen de termijn is ingediend.

2.6. Bezien moet worden of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college de te late indiening van het bezwaarschrift terecht niet verschoonbaar heeft geacht.

2.7. Nu het besluit van 15 februari 2007 aangetekend is verzonden dient er in beginsel van uitgegaan te worden dat het [appellante] heeft bereikt, maar ook indien ervan wordt uitgegaan dat het besluit eerst na 22 maart 2007 door [appellante] is ontvangen is het bezwaarschrift niet zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk ingediend, dat wil zeggen in beginsel binnen twee weken nadat [appellante] van het bestaan van het besluit van 15 februari 2007 op de hoogte is geraakt of had kunnen raken. Het heeft immers nog ruim vier weken geduurd alvorens zij het bezwaarschrift heeft ingediend. Het besluit van 15 februari 2007 vermeldt onder meer een verzenddatum van 15 februari 2007 en bevat een rechtsmiddelenclausule, waarin een bezwaartermijn van zes weken na verzending van dat besluit is vermeld. Het had voor [appellante] dan ook duidelijk moeten zijn dat de in de rechtsmiddelenclausule vermelde termijn op het moment dat zij bekend werd met het besluit van 15 februari 2007 reeds was verstreken. Ten aanzien van de stelling dat [appellante] in de desbetreffende periode in het buitenland verbleef overweegt de Afdeling dat dit een omstandigheid is die voor het risico van [appellante] komt. Derhalve heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat het college het bezwaar van [appellante] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Wortmann w.g. Van Hardeveld

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2009

312-591.