Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ8931

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-09-2009
Datum publicatie
30-09-2009
Zaaknummer
200900735/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 september 2007 heeft de burgemeester van Maastricht (hierna: de burgemeester) de aan [appellante] voor de exploitatie van de [coffeeshop] verleende vergunning ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200900735/1/H3.

Datum uitspraak: 30 september 2009.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 23 december 2008 in zaak nr. 08/455 in het geding tussen:

[appellante]

en

de burgemeester van Maastricht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2007 heeft de burgemeester van Maastricht (hierna: de burgemeester) de aan [appellante] voor de exploitatie van de [coffeeshop] verleende vergunning ingetrokken.

Bij besluit van 14 februari 2008 heeft de burgemeester het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 december 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 januari 2009, hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 31 maart 2009 heeft [appellante] toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 september 2009, waar [appellante], in persoon en bijgestaan door mr. J.J.H.S. Thomassen, advocaat te Maastricht, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. S.A.R. Lely, advocaat te Maastricht, en door mr. G. Marcus-Silletti, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: de Wet bibob) kunnen bestuursorganen, voor zover zij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, weigeren een aangevraagde beschikking te geven, dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of

b. strafbare feiten te plegen.

Ingevolge het tweede lid wordt de mate van het gevaar, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten, als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a,

b. in geval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

Ingevolge het derde lid wordt de mate van het gevaar, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. in geval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

Ingevolge het vierde lid staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten, als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:

a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,

b. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of

c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.

Ingevolge het vijfde lid vindt de weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, slechts plaats indien deze evenredig is met:

a. de mate van het gevaar en

b. voor zover het ernstig gevaar, als bedoeld in het eerste lid, onder b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

Ingevolge het zevende lid kan het bestuursorgaan, voor zover blijkt dat geen sprake is van ernstig gevaar, als bedoeld in het eerste lid, bij mindere mate van gevaar aan de beschikking voorschriften verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar.

Ingevolge artikel 8 is er een Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: het Bureau).

Ingevolge artikel 9, eerste lid, heeft het Bureau tot taak aan bestuursorganen, voor zover deze bij of krachtens de wet de bevoegdheid hebben gekregen het Bureau daartoe te verzoeken, desgevraagd advies uit te brengen over de mate van gevaar, bedoeld in artikel 3, eerste lid.

2.2. De burgemeester heeft de aan [appellante] verleende exploitatievergunning ingetrokken, omdat naar zijn oordeel ernstig gevaar bestaat dat deze vergunning mede zal worden gebruikt om uit strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten en om strafbare feiten te plegen. Hij heeft aan dat oordeel ten grondslag gelegd dat [appellante] in een zakelijk samenwerkingsverband staat tot [persoon] en dat ten aanzien van deze beide personen strafbare feiten worden vermeld die grote financiële voordelen opleveren en die samenhangen met activiteiten waarvoor de exploitatievergunning is verleend. De burgemeester is daarbij afgegaan op een door het Bureau uitgebracht advies (hierna: het advies).

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de burgemeester ten onrechte aanleiding heeft gezien om het Bureau om advies te vragen. Volgens haar konden de in 2006 door een Belgische man tegenover de politie afgelegde verklaringen, volgens welke in de coffeeshop meer dan 5 gram softdrugs per transactie is verkocht, geen aanleiding geven tot een eigen onderzoek van de burgemeester, nu zij deze verklaringen heeft betwist en de Afdeling bij uitspraak van 15 oktober 2008 in zaak nr. 200709069/1 heeft geoordeeld dat deze verklaringen onvoldoende grond boden voor de door de burgemeester gelaste sluiting van de coffeeshop. Dat zij vervolgens niet in staat was om de door de burgemeester gevraagde financiële stukken over te leggen, had evenmin aanleiding behoeven te geven om het Bureau om advies te vragen, aangezien de burgemeester deze stukken had kunnen opvragen bij de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst - Economische Controledienst (hierna: de FIOD-ECD), waar de stukken zich bevonden, aldus [appellante].

2.3.1. De door [appellante] vermelde sluiting van de coffeeshop was gebaseerd op artikel 13b van de Opiumwet. Voor de toepassing van die bepaling is vereist dat het aannemelijk is dat in de betrokken lokaliteit in strijd met de Opiumwet drugs worden verhandeld of daartoe aanwezig zijn. Voor het instellen van een eigen onderzoek naar het bestaan van ernstig gevaar in de zin artikel 3, eerste lid, van de Wet bibob kan evenwel worden volstaan met feiten of omstandigheden die een dergelijk gevaar doen vermoeden. Dat de door de Belgische man afgelegde verklaringen door [appellante] zijn betwist en door de Afdeling onvoldoende zijn geacht om grondslag te bieden voor de sluiting van de coffeeshop, verzet zich er derhalve niet tegen dat de burgemeester in deze verklaringen aanleiding mocht zien om een eigen onderzoek in te stellen. Het door de burgemeester aangenomen vermoeden is daarenboven niet slechts gebaseerd op deze verklaringen, maar ook op door de politie verstrekte processen-verbaal, waarin is vermeld dat de FIOD-ECD onderzoek verricht naar malversaties bij de boekhouding van de coffeeshop, dat de coffeeshop door de politie is geobserveerd in verband met overlastmeldingen, dat de coffeeshop in werkelijkheid wordt geleid door [persoon] en dat in zijn opdracht aldaar in drugs wordt gehandeld.

In het kader van het eigen onderzoek van de burgemeester zijn aan [appellante] vragen gesteld betreffende, onder andere, de financiering van de coffeeshop. [appellante] heeft verschillende vragen betreffende de financiering niet beantwoord en de gevraagde financiële bewijsstukken niet verstrekt. Derhalve bleven na het eigen onderzoek vragen bestaan over, onder andere, de financiering van de coffeeshop, hetgeen volgens paragraaf 3 van de door de burgemeester bij de toepassing van de Wet bibob gehanteerde beleidslijn aanleiding geeft tot het vragen van advies aan het Bureau. Dat de burgemeester de niet verstrekte stukken bij de FIOD-ECD had kunnen opvragen, leidt niet tot een ander oordeel, nu de omstandigheid dat deze stukken zich bij de FIOD-ECD bevonden het vermoeden versterkte dat ernstig gevaar bestond als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet bibob. De rechtbank heeft dan ook terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de burgemeester niet in redelijkheid het Bureau om advies heeft kunnen vragen.

2.4. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank, door te overwegen dat de burgemeester op goede gronden het bestaan van een zakelijk samenwerkingsverband tussen [persoon] en haar heeft aangenomen, heeft miskend dat tussen hen geen andere banden hebben bestaan dan een huurovereenkomst ter zake van de bedrijfsruimte waarin de coffeeshop is gevestigd. Volgens haar is in de woning boven de coffeeshop uitsluitend om veiligheidsredenen een camerasysteem aangebracht en heeft [persoon] dat systeem niet gebruikt om toezicht te houden op de coffeeshop. Zij voert daarnaast aan dat [persoon] weliswaar medebestuurder is geweest van de [coffeeshop], maar dat die functie hem geen zeggenschap gaf over de coffeeshop, aangezien de ingetrokken exploitatievergunning niet aan de [coffeeshop], maar aan haar was verleend en aan haar persoon was gebonden.

2.4.1. Volgens het advies was [persoon] de eigenaar van het pand waarin de coffeeshop is gevestigd, ten behoeve waarvan hij de benedenverdieping als bedrijfsruimte verhuurde. Zelf verbleef hij in de woonruimte op de bovenverdieping, alwaar hij door middel van een camerasysteem de gang van zaken in de coffeeshop en voor de ingang daarvan kon volgen. Dat het camerasysteem de veiligheid beoogt te waarborgen laat onverlet dat [persoon] daarmee toezicht kon uitoefenen op de exploitatie van de coffeeshop, temeer nu hij de coffeeshop vanuit de woonruimte kon betreden. Invloed van [persoon] op de exploitatie van de coffeeshop kon tevens worden afgeleid uit het feit dat hij blijkens het handelsregister als algemeen directeur medebestuurder is geweest van de [coffeeshop], waarvan [appellante] thans enig aandeelhoudster en bestuurster is. Dat de exploitatievergunning niet aan de [coffeeshop], maar aan [appellante] was verleend, doet daar niet aan af, aangezien de [coffeeshop]. blijkens het handelsregister ten behoeve van de exploitatie van de coffeeshop is opgericht. Voorts hebben verschillende medewerkers van de coffeeshop in het kader van een strafrechtelijk onderzoek verklaard dat [persoon] de "grote man" is achter de coffeeshop.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de burgemeester op basis van deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, het bestaan van een zakelijk samenwerkingsverband tussen [appellante] en [persoon] heeft mogen aannemen.

2.5. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat de burgemeester niet zonder meer van de conclusie van het advies had mogen uitgaan, maar zich ervan had moeten vergewissen of het advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en of de daarin vermelde feiten de conclusie kunnen dragen. Volgens haar bieden de in het advies vermelde feiten onvoldoende grond voor het oordeel dat ernstig gevaar bestaat als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet bibob. Zij voert daartoe aan dat ten aanzien van haar slechts één veroordeling wordt vermeld, die volgens haar ten onrechte is uitgesproken en dat het desbetreffende feit, de aanwezigheid van meer dan de gedoogde maximumhoeveelheid softdrugs in het pand waarin de coffeeshop is gevestigd, volgens het gemeentelijke beleid ten aanzien van coffeeshops slechts aanleiding geeft tot een sluiting voor de duur van drie maanden en niet tot intrekking van de exploitatievergunning. Voorts zijn de in het advies vermelde vermoedens van strafbare feiten volgens haar niet of onvoldoende geobjectiveerd. In dat verband voert zij aan dat in het onderzoek naar mogelijke belastingdelicten en valsheid in geschrifte, waarin [persoon] en zij als verdachten zijn aangemerkt, de zaak tegen [persoon] wegens onvoldoende bewijs is geseponeerd. Zij betwist dat [persoon] in het verleden voor soortgelijke delicten is veroordeeld. Dat naar aanleiding van de vondst van verboden wapens in zijn verblijfplaats een transactie is opgelegd en geen strafvervolging is ingesteld, toont aan dat de openbare orde niet ernstig is aangetast, aldus [appellante].

2.5.1. Hetgeen [appellante] met betrekking tot de gestelde onjuistheid van haar veroordeling in 2007 wegens het aanwezig hebben van softdrugs heeft aangevoerd, dient buiten beschouwing te blijven. De juistheid van dat vonnis, dat in hoger beroep is bevestigd, staat in deze procedure niet ter toets en heeft als uitgangspunt te gelden. Het gemeentelijke beleid volgens welk het desbetreffende feit aanleiding geeft tot een sluiting voor de duur van drie maanden verzet zich evenmin tegen intrekking van de exploitatievergunning. De beleidsregels waarnaar [appellante] in dat verband heeft verwezen, betreffen immers niet de toepassing van artikel 3 van de Wet bibob, maar van artikel 13b van de Opiumwet. De intrekking van de exploitatievergunning is bovendien niet slechts gebaseerd op de genoemde veroordeling van [appellante]. Zo is in het advies ook vermeld dat naar haar een strafrechtelijk onderzoek loopt wegens een vermoeden van handelen in strijd met de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van valsheid in geschrifte. Dat in hetzelfde onderzoek de zaak tegen [persoon] is geseponeerd, neemt niet weg dat [appellante] wel veroordeeld zou kunnen worden. Daarnaast is de ernst van de tegen haar bestaande verdenkingen in het advies nader geconcretiseerd. Zo is volgens het advies bij een boekenonderzoek over de jaren 2000 tot en met 2004, waarbij vijftig kasboekingen zijn onderzocht, geconstateerd dat er aansluitingsverschillen zijn tussen de theoretische en werkelijke omzet, dat niet is voldaan aan de administratie- en bewaarplicht en dat voor een deel een vervalste administratie is gevoerd. De geconstateerde onregelmatigheden betreffen zowel de inkomsten- als de vennootschapsbelasting.

Nu tussen [persoon] en [appellante] het bestaan van een zakelijk samenwerkingsverband mocht worden aangenomen, kon [appellante] ook in verband worden gebracht met strafbare feiten die, al dan niet vermoedelijk, door [persoon] zijn gepleegd. De door de burgemeester overgenomen conclusie van het advies is dan ook mede gebaseerd op strafbare feiten die ten aanzien van [persoon] worden vermeld. Zo is ook hij veroordeeld voor de hiervoor genoemde aanwezigheid van softdrugs in het pand waarin de coffeeshop is gevestigd. Daarnaast is hij in 2001 onherroepelijk veroordeeld tot twee jaren en zes maanden gevangenisstraf wegens verschillende Opiumwetdelicten en deelneming aan een criminele organisatie. In hetzelfde jaar is hij tot achttien maanden gevangenisstraf veroordeeld wegens handel in drugsprecursoren in strijd met de Wet voorkoming misbruik chemicaliën. In 2006 is een zaak betreffende onder meer twee Opiumwetdelicten jegens hem geseponeerd en afgedaan met een schriftelijke waarschuwing. Voorts heeft [persoon] volgens het advies vermoedelijk belastingdelicten gepleegd. Naast het feit dat hij verdachte is geweest in het thans nog tegen [appellante] lopende onderzoek, is naar hem een strafrechtelijk onderzoek ingesteld wegens handelen in strijd met de Algemene wet inzake rijksbelastingen in de periode van 2000 tot en met 2005 en had de in 2006 jegens hem geseponeerde strafzaak tevens betrekking op twee belastingdelicten.

De vermelde strafbare feiten houden verband met de handel in drugs en met het ontduiken van belastingen en zijn derhalve naar hun aard gericht op het behalen van op geld waardeerbare voordelen. Gelet hierop, kunnen de in het advies vermelde bevindingen de conclusie dragen dat ernstig gevaar bestaat dat de exploitatievergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten voortvloeiende voordelen te benutten. Nu de strafbare feiten tevens samenhangen met activiteiten waarvoor de exploitatievergunning is verleend, kunnen de bevindingen eveneens de conclusie dragen dat ernstig gevaar bestaat dat de exploitatievergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Niet kan worden ingezien waarom aan die conclusie niet mede ten grondslag kon worden gelegd dat in 2006 aan [persoon] een transactie is aangeboden wegens verboden wapenbezit. Reeds het feit dat de justitiële autoriteiten aanleiding hebben gezien om aldus op te treden na de vondst van een gaspistool en een busje pepperspray in zijn verblijfplaats biedt voldoende grond voor het oordeel dat een ernstig vermoeden bestaat dat [appellante] in relatie staat tot een strafbaar feit dat de openbare orde aantast.

Nu het advies aldus op zorgvuldige en draagkrachtige wijze is gemotiveerd, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de burgemeester niet op basis daarvan zich op het standpunt heeft mogen stellen dat ernstig gevaar bestaat in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Wet bibob.

2.6. [appellante] betoogt ten slotte dat de rechtbank heeft miskend dat de intrekking van de exploitatievergunning een onevenredige maatregel is, aangezien de burgemeester had kunnen volstaan met het verbinden van voorwaarden aan de vergunning teneinde elke denkbare relatie tussen [persoon] en haar te voorkomen.

2.6.1. Ook dat betoog faalt. Gelet op de hoeveelheid strafbare feiten waarmee [appellante] in verband kan worden gebracht, alsmede op de aard en de ernst daarvan, wordt met de rechtbank overwogen dat de burgemeester de aan haar verleende exploitatievergunning in redelijkheid heeft kunnen intrekken.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2009.

176-582.