Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ8913

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-09-2009
Datum publicatie
30-09-2009
Zaaknummer
200808697/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juni 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) een verklaring als bedoeld in artikel 8.19, eerste lid en onder c, van de Wet milieubeheer gegeven met betrekking tot een verandering van een asfaltproductiebedrijf aan de Energieweg 28 te Nijmegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2009, 105 met annotatie van B. Arentz
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200808697/1/M2.

Datum uitspraak: 30 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging Vereniging Leefmilieu Groen- en Milieubeheer en de vereniging Vereniging Dorpsbelang Hees, beide gevestigd te Nijmegen,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) een verklaring als bedoeld in artikel 8.19, eerste lid en onder c, van de Wet milieubeheer gegeven met betrekking tot een verandering van een asfaltproductiebedrijf aan de Energieweg 28 te Nijmegen.

Bij besluit van 21 oktober 2008 heeft het college het door onder meer de vereniging Vereniging Leefmilieu Groen- en Milieubeheer (hierna: de Vereniging Leefmilieu) en de vereniging Vereniging Dorpsbelang Hees (hierna: de Vereniging Dorpsbelang) hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben de Vereniging Leefmilieu en de Vereniging Dorpsbelang bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 november 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 september 2009, waar de Vereniging Leefmilieu en de Vereniging Dorpsbelang, vertegenwoordigd door drs. ing. J.G. Vollenbroek, en het college, vertegenwoordigd door mr. T. van Esch en ing. R.C.H. Jansen, werkzaam bij de provincie en ing. R.W.M. Jansen, zijn verschenen. Voorts is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Dura Vermeer Deelnemingen B.V. gehoord, vertegenwoordigd door mr. T. Brouwer, ing. P.M.J. van den Eijnden, ing. H.R. Wagenaar en L. van Dijk.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting hebben de Vereniging Leefmilieu en de Vereniging Dorpsbelang ingetrokken: a. hun beroepsgrond dat in het bestreden besluit ten onrechte niet is ingegaan op het door hen gemaakte bezwaar tegen het besluit van 12 juni 2008; b. hun beroepsgrond dat bij de verspreidingsberekeningen de geuremissie is verspreid over 4.871 uur en daarmee de geurimmissie is onderschat; c. de beroepsgrond dat in de nachtperiode de geluidhinder zal toenemen; d. de gronden dat de schoorsteen vanwege zijn lengte en dat de voorschriften voor de puinbreker niet de in aanmerking te nemen beste beschikbare technieken zijn, dat ten minste één van de aan de vigerende vergunning ten grondslag liggende geuronderzoeken onbetrouwbaar is en dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de schadelijkheid van bitumenrook; e. de grond dat ten onrechte niet alle dampen vanwege het in werking zijn van de inrichting worden geëmitteerd via de schoorsteen. Deze gronden behoeven daarom geen bespreking.

2.2. De melding van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Dura Vermeer Deelnemingen B.V. (hierna: Dura Vermeer) die aan het besluit van 12 juni 2008 ten grondslag ligt ziet op het veranderen van de productieverhouding tussen nieuw asfalt en asfalt met een gedeelte gerecyclede materialen van respectievelijk 50%-50% naar 30%-70%, een toename van de productietijd van maximaal 1.000 uur per jaar naar maximaal 1.400 uur per jaar, een toename van het gebruik van een puinbreker van maximaal 12.000 naar maximaal 73.500 ton per jaar en het flexibeler invullen van de bedrijfstijden in de (akoestische) nachtperiode.

2.3. Ingevolge artikel 8.19, eerste lid, van de Wet milieubeheer geldt een voor een inrichting verleende vergunning tevens voor veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken, onder de voorwaarde dat:

a. deze veranderingen niet leiden tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend;

b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk overeenkomstig de krachtens het zevende (lees: zesde) lid, onder a, gestelde regels aan het bevoegd gezag is gemeld, en;

c. het bevoegd gezag aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan de aanhef en onderdeel a en de verandering naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot toepassing van de artikelen 8.22, 8.23 of 8.25.

2.4. De Vereniging Leefmilieu en de Vereniging Dorpsbelang voeren aan dat het college ten onrechte een verklaring als bedoeld in artikel 8.19, eerste lid en onder c, van de Wet milieubeheer heeft afgegeven. Wat betreft het aspect geurhinder voeren zij hiertoe aan dat door de gemelde verandering de geurimissienorm van 5 odour units per kubieke meter als 99,99-percentiel zal worden overschreden. Bij de berekening van de geurhinder zijn volgens hen te lage geuremissiefactoren gehanteerd omdat uitgegaan wordt van emissiefactoren die lager zijn dan de factoren die in de Nederlandse emissierichtlijn lucht (hierna: de NeR) worden aangehouden. Voorts zal de verhoging van het percentage recycle asfalt volgens de Vereniging Leefmilieu en de Vereniging Dorpsbelang extra stankoverlast opleveren waarmee geen rekening is gehouden.

2.4.1. Bij de melding is gevoegd de notitie "Notitie lucht A.P.N. in het kader van 8.19 melding" van Royal Haskoning B.V. van 29 april 2008 (hierna: het rapport Haskoning). Daarin is onder meer een beoordeling gemaakt van de gevolgen van de gemelde verandering voor het aspect geur. In het rapport is vermeld dat uit verspreidingsberekeningen blijkt dat de verandering niet leidt tot een toename van de geurhinder. Bij de verspreidingsberekeningen is uitgegaan van geuremissies vanwege de inrichting die door Pro Monitoring B.V. zijn vastgesteld tijdens metingen in de inrichting. Deze metingen zijn uitgevoerd tijdens bedrijfssituaties met een doorzet van 210 ton per uur met gedeeltelijk gerecyclede materialen en een doorzet van 180 ton per uur met 100% nieuw asfalt. Vaststaat dat de gemeten emissies aanzienlijk lager zijn dan de in de bijzondere regeling C5 Asfaltmenginstallaties van de NeR (InfoMil 2006; hierna: de bijzondere regeling) opgenomen indicatieve kengetallen voor geuremissie waarnaar door de Vereniging Leefmilieu en de Vereniging Dorpsbelang wordt verwezen. De Vereniging Leefmilieu en de Vereniging Dorpsbelang hebben niet aannemelijk gemaakt dat de door Pro Monitoring B.V. gemeten geuremissies in de inrichting onjuist zijn. Derhalve bestaat in hetgeen zij hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college bij de verspreidingsberekeningen van te lage geuremissies vanwege de inrichting is uitgegaan.

Hetgeen door de Vereniging Leefmilieu en de Vereniging Dorpsbelang is aangevoerd geeft daarom geen aanleiding voor het oordeel dat niet voldaan kan worden aan de geurimmissienorm van 5 odour units per kubieke meter als 99,99 percentiel. De verandering van de werking van de inrichting leidt in zoverre dan ook niet tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vigerende vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken. Er is daarom in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat het college de melding ten onrechte heeft geaccepteerd.

De beroepsgrond faalt.

2.5. De Vereniging Leefmilieu en de Vereniging Dorpsbelang voeren aan dat het college ten onrechte is uitgegaan van een afname van de emissie van zwevende deeltjes (PM10) van 1.369 kilogram per jaar naar 1.274 kilogram per jaar. Volgens hen zal de emissie van zwevende deeltjes toenemen omdat de schoorsteen ten gevolge van de gemelde verandering langer zal roken en de puinbreker zes keer langer in gebruik zal zijn. Het college gaat volgens hen in de berekening van de emissie van zwevende deeltjes in de voorgenomen situatie ten onrechte uit van een emissie van 5 mg/Nm3 uit de schoorsteen in plaats van van 10 mg/Nm3. Daarnaast stellen de Vereniging Leefmilieu en de Vereniging Dorpsbelang zich op het standpunt dat de stofemissie vanwege de puinbreker van 37 kilogram per jaar veel te laag wordt ingeschat.

2.5.1. In het rapport Haskoning wordt met betrekking tot de emissie van zwevende deeltjes vermeld dat in de huidige vergunning voor zwevende deeltjes een emissieconcentratie-eis voor de centrale schoorsteen is opgenomen van 10 mg/Nm3. In de voorgenomen situatie wordt volgens het rapport uitgegaan van een emissie van 5 mg/Nm3, omdat uit eerdere metingen waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport 'Emissiemetingen aan het afgas van de asfaltmenginstallatie bij A.P.N. Asfalt Productie Nijmegen te Nijmegen, d.d. 29 maart 2005' van 29 maart 2005 is gebleken dat de emissie van zwevende deeltjes uit de centrale schoorsteen van de inrichting kleiner is dan 1,5 mg/Nm3. Volgens het rapport Haskoning is de verwachting dat het vergunde doekfilter conform de best beschikbare technieken in staat zal zijn ook in de voorgenomen situatie een emissie te realiseren van ten hoogste 5 mg/Nm3. De Vereniging Leefmilieu en de Vereniging Dorpsbelang hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is.

Door de Vereniging Leefmilieu en de Vereniging Dorpsbelang is niet onderbouwd waarom een stofemissie van de puinbreker van 37 kilogram per jaar onwaarschijnlijk laag zou zijn, zodat hetgeen zij hebben aangevoerd geen grond biedt voor het oordeel dat de emissie van zwevende deeltjes vanwege de puinbreker te laag wordt ingeschat.

Gezien het vorenstaande biedt hetgeen de Vereniging Leefmilieu en de Vereniging Dorpsbelang hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het college er niet van uit kon gaan dat de emissie van zwevende deeltjes na de gemelde veranderingen kleiner is dan op grond van de vergunning is toegestaan. De verandering van de werking van de inrichting leidt in zoverre niet tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vigerende vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken. Er is daarom in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat het college de melding ten onrechte heeft geaccepteerd.

De beroepsgrond faalt.

2.6. De Vereniging Leefmilieu en de Vereniging Dorpsbelang voeren aan dat het college ten onrechte is uitgegaan van een afname van de emissie van NOx van 10.217 kilogram per jaar naar 7.625 kilogram per jaar. Volgens hen zal de dieselgenerator van de puinbreker meer NOx emitteren omdat er ruim zes maal zoveel puin wordt gebroken. Het college gaat volgens hen in de berekening van de emissie van NOx in de voorgenomen situatie ten onrechte uit van een emissie van 75 mg/Nm3 uit de schoorsteen in plaats van van 200 mg/Nm3.

2.6.1. In het rapport Haskoning wordt met betrekking tot de emissie van NOx vermeld dat in de huidige vergunning voor NOx voor de centrale schoorsteen een emissieconcentratie-eis is opgenomen van 200 mg/Nm3. In de voorgenomen situatie wordt volgens het rapport uitgegaan van een emissie van 75 mg/Nm3, omdat uit eerdere metingen waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport 'Emissiemetingen aan het afgas van de asfaltmenginstallatie bij A.P.N. Asfalt Productie Nijmegen te Nijmegen, d.d. 29 maart 2005', is gebleken dat de emissie van NOx uit de centrale schoorsteen van de inrichting 23 mg/Nm3 bedraagt. Volgens het rapport Haskoning kan worden gesteld dat met de voorgenomen beperkte verschuiving in de verhouding tussen nieuw asfalt en asfalt met een gedeelte gerecyclede materialen en onder toepassing van de best beschikbare technieken ook in de nieuwe situatie aan de emissie-eisen voldaan zal worden. De Vereniging Leefmilieu en de Vereniging Dorpsbelang hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Het college heeft er daarom van kunnen uitgaan dat de emissie van NOx uit de centrale schoorsteen in de voorgenomen situatie 75 mg/Nm3 bedraagt. Hetgeen de Vereniging Leefmilieu en de Vereniging Dorpsbelang hebben aangevoerd geeft voorts geen aanleiding voor het oordeel dat het college er niet van uit kon gaan dat de emissie van NOx na de gemelde veranderingen kleiner is dan op grond van de vergunning is toegestaan. De verandering van de werking van de inrichting leidt in zoverre evenmin tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vigerende vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken. Er is daarom in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat het college de melding ten onrechte heeft geaccepteerd.

De beroepsgrond faalt.

2.7. De Vereniging Leefmilieu en de Vereniging Dorpsbelang voeren aan dat geen aandacht is besteed aan de PAK-emissie van het dieselaggregaat terwijl volgens hen de PAK-emissie daarvan fors zal toenemen.

2.7.1. Het college heeft zich in het ambtsbericht dat is opgesteld naar aanleiding van de bezwaren van de Vereniging Leefmilieu en de Vereniging Dorpsbelang tegen het besluit van 12 juni 2008 op het standpunt gesteld dat voor PAK op vergelijkbare wijze als voor de emissies van zwevende deeltjes kan worden geconcludeerd dat de emissie vanuit de inrichting niet zal toenemen. In zoverre mist de stelling dat het college geen aandacht heeft geschonken aan de emissie van PAK feitelijke grondslag. De Vereniging Leefmilieu en de Vereniging Dorpsbelang hebben niet aannemelijk gemaakt dat de PAK-emissie van het dieselaggregaat zodanig zal zijn dat ten gevolge hiervan een grotere PAK-emissie vanuit de gehele inrichting plaatsvindt. In zoverre is niet aannemelijk geworden dat de gemelde veranderingen leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vigerende vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken.

De beroepsgrond faalt.

2.8. Voor zover de Vereniging Leefmilieu en de Vereniging Dorpsbelang aanvoeren dat toepassing gegeven had dienen te worden aan de artikelen 8.22, 8.23 of 8.25 van de Wet milieubeheer is er geen grond voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gemelde verandering geen aanleiding geeft voor toepassing van deze artikelen.

De beroepsgrond faalt.

2.9. Het beroep is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Taal

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2009

325-578.