Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ8912

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-09-2009
Datum publicatie
30-09-2009
Zaaknummer
200805117/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 mei 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Leiden (hierna: de raad) bij besluit van 25 september 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Leiden Noord".

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Besluit luchtkwaliteit 2005
Besluit luchtkwaliteit 2005 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/786
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805117/1/R1.

Datum uitspraak: 30 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Intercontinental Estate B.V., gevestigd te Leiden,

2. [appellant sub 2], gevestigd te [plaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Alliance Apotheek B.V., gevestigd te Goes,

4. [appellant sub 4], gevestigd te [plaats],

5. [appellanten sub 5], beide gevestigd te [plaats],

6. [appellant sub 6] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ETF Beheer B.V., wonend respectievelijk gevestigd te [plaats],

7. [appellante sub 7], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Leiden (hierna: de raad) bij besluit van 25 september 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Leiden Noord".

Tegen dit besluit hebben de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Intercontinental Estate B.V. (hierna: Intercontinental) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 juli 2008, [appellante sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 juli 2008, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Alliance Apotheek B.V. (hierna: Alliance) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 juli 2008, [appellante sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 juli 2008, [appellanten sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 juli 2008, [appellant sub 6] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ETF Beheer B.V. (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 6]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 juli 2008, alsmede [appellante sub 7] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 juli 2008, beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht. [appellant sub 6], [appellanten sub 5], Alliance, [appellante sub 2], [appellante sub 7], [appellante sub 3], de raad alsmede Intercontinental hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De raad en [appellante sub 7] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juli 2009, waar Intercontinental, [appellante sub 2] en Alliance, vertegenwoordigd door mr. K.T.E. Huisman, advocaat te 's-Hertogenbosch, [appellante sub 3] en [appellante sub 7], vertegenwoordigd door mr. J. Geelhoed, advocaat te Den Haag, [appellanten sub 5] en [appellant sub 6], vertegenwoordigd door mr. P.H. Revermann, alsmede het college, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Voorts is de raad, vertegenwoordigd door mr. D.S.P. Fransen, advocaat te Amsterdam, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor de noordkant van de binnenstad van Leiden. Grootschalige (her)ontwikkelings-locaties in het plangebied betreffen Nieuw Leyden op het voormalig EWR/Slachthuisterrein, de Groenoordhallen en omgeving alsmede het Kooiplein en omgeving.

De beroepen van [appellante sub 2] en Intercontinental

2.3. Intercontinental stelt zich op het standpunt dat bij het vaststellen van het plan sprake is geweest van een belangenconflict, aangezien de gemeente Leiden participeert in de projectontwikkelaar Portaal.

De Afdeling ziet geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de raad het plan in strijd met artikel 2:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet zonder vooringenomenheid heeft vastgesteld, reeds omdat de raad niet participeert in voormelde projectontwikkelaar.

2.4. Intercontinental en [appellante sub 2] kunnen zich niet verenigen met het vervallen van de huidige aansluiting van de Haarlemmerweg op de Willem de Zwijgerlaan. Zij voeren aan dat de noodzaak voor het vervallen van voormelde aansluiting ontbreekt en dat de bereikbaarheid van hun aan de [locatie 1] gevestigde winkel zodanig zal worden belemmerd dat geen rendabele bedrijfsvoering meer mogelijk zal zijn. Het verkeer dat zal worden omgeleid, zal volgens hen zorgen voor een verslechtering van de verkeersveiligheid en de luchtkwaliteit alsmede voor een toename van de geluidshinder.

2.4.1. De winkel van Intercontinental en [appellante sub 2] aan de [locatie 1] is in de huidige situatie onder meer bereikbaar via een aansluiting van de Haarlemmerweg op de Willem de Zwijgerlaan. De plankaart kent aan de desbetreffende gronden de bestemmingen "Gemengde doeleinden" en "Groenvoorzieningen" toe. Voormelde aansluiting zal derhalve niet kunnen worden gehandhaafd.

Het college en de raad hebben zich op het standpunt gesteld dat het vervallen van voormelde aansluiting nodig is om de verkeersveiligheid en doorstroming op de Willem de Zwijgerlaan verbeteren. De Afdeling ziet in hetgeen Intercontinental en [appellante sub 2] hebben aangevoerd geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college en de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt hebben kunnen stellen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat als gevolg van het vervallen van de aansluiting de thans aanwezige kruising ter hoogte van de Willem de Zwijgerlaan, de Haarlemmerweg en de Floris Versterlaan zal ophouden te bestaan. Het autoverkeer op de Willem de Zwijgerlaan zal dientengevolge minder dan thans het geval is met verkeerslichten alsmede passerende fietsers en voetgangers te maken krijgen.

2.4.2. De winkel aan de [locatie 1] zal in de toekomstige situatie via onder meer de Musschenbroekstraat en de Flemingstraat bereikbaar blijven voor verkeer van en naar de Willem de Zwijgerlaan. Intercontinental en [appellante sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de bereikbaarheid van hun winkel desondanks zodanig onder druk zal komen te staan dat geen rendabele bedrijfsvoering meer mogelijk zal zijn. Evenmin hebben zij aannemelijk gemaakt dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan in gedrang kan komen vanwege de hoogte van een eventuele planschadevergoeding.

Uit het rapport van TNO van april 2007, kenmerk 2007-A-R0446/A, volgt dat in 2010 en 2015 ter hoogte van de Haarlemmerweg en de Koningsstraat wordt voldaan aan de in het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: het Blk 2005) opgenomen grenswaarden voor stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM10). Blijkens het deskundigenbericht moet worden aangenomen dat in 2010 en 2015 ter hoogte van de tussenliggende straten, zoals de Musschenbroekstraat en de Flemingstraat, eveneens wordt voldaan voormelde grenswaarden. Hetgeen Intercontinental en [appellante sub 2] hebben aangevoerd, geeft geen aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid van dit onderdeel van het deskundigenbericht. Het college en de raad hebben zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het Blk 2005 in zoverre niet aan het plan in de weg staat.

Uit het rapport van TNO van 4 april 2006, kenmerk IS-RPT-060003, volgt dat mede als gevolg van de ontsluitingsroutewijziging voor de winkel aan de [locatie 1] in 2015 de geluidsbelasting op de gevel van woningen aan de Musschenbroekstraat maximaal 59 dB(A) zal bedragen. De Wet geluidhinder is op deze situatie niet van toepassing, aangezien ingevolge artikel 74, tweede lid, van voormelde wet geen zone geldt voor wegen zoals de onderhavige, waarvoor een maximum snelheid van 30 kilometer per uur van kracht is. Hetgeen Intercontinental en [appellante sub 2] hebben aangevoerd, biedt geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college en de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat voormelde geluidsbelasting op de gevel van woningen niet zodanig hoog is dat in de woningen geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.

Intercontinental en [appellante sub 2] hebben verder niet aannemelijk gemaakt dat het verkeer van en naar hun winkel dat afkomstig is van de Willem de Zwijgerlaan niet op een verkeersveilige wijze kan worden afgewikkeld via de Musschenbroekstraat en de Flemingstraat. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de bestemming "Verblijfsgebied" die aan de gronden ter plaatse van voormelde straten is toegekend, de ruimte biedt om zo nodig maatregelen te treffen die de verkeersveiligheid bevorderen.

2.4.3. Voor zover Intercontinental en [appellante sub 2] hebben aangevoerd dat ten onrechte geen alternatieven zijn onderzocht voor het vervallen van de aansluiting van de Haarlemmerweg op de Willem de Zwijgerlaan wordt het volgende overwogen. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

2.5. De conclusie is dat hetgeen Intercontinental en [appellante sub 2] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bestreden plandelen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 7]

2.6. Ter zitting heeft [appellante sub 7] de beroepsgrond over de bereikbaarheid van de aan de [locatie 2] gevestigde garage ingetrokken.

2.7. [appellante sub 7] voert aan dat de aanduiding "wijzigingsgebied 1" die rust op haar gronden aan de [locatie 2] niet juist op de plankaart is ingetekend.

Naar aanleiding van de door [appellante sub 7] tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze is toegezegd dat bij de vaststelling van het plan de intekening op de plankaart van de aanduiding "wijzigingsgebied 1" op een onderdeel zou worden aangepast. Deze aanpassing van de plankaart heeft evenwel, zoals de raad ook in zijn schriftelijke uiteenzetting en ter zitting heeft erkend, abusievelijk niet plaatsgevonden.

2.7.1. [appellante sub 7] voert aan dat met toepassing van voormelde wijzigingsbevoegdheid geen rendabele woningbouw op haar gronden kan worden gerealiseerd, aangezien te stringente eisen worden gesteld ten aanzien van het toegestane aantal bouwlagen en het parkeren van de bewoners.

2.7.2. Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover van belang, kunnen burgemeester en wethouders de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" van de gronden waarop de aanduiding "wijzigingsgebied 1" rust, wijzigen in de bestemming "Woondoeleinden" met dien verstande dat de hoogte van de woningen dient aan te sluiten bij de naastgelegen bebouwing, met een maximum van 2 bouwlagen, met een bouwhoogte van maximaal 9 m, met dien verstande dat de hoogte van de woningen gelegen aan de Haarlemmerweg maximaal 3 bouwlagen en 12 m bedraagt. Verder dient het parkeren van de bewoners op eigen grond dient plaats te vinden, al dan niet ondergronds.

2.7.3. Vast staat dat de parkeerdruk in het gebied nabij de gronden van de [appellante sub 7] reeds hoog is. Gelet hierop hebben het college en de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat hetgeen in artikel 25, eerste lid, van de planvoorschriften is bepaald over het parkeren op eigen grond nodig is om de parkeerdruk niet verder te laten toenemen.

Het college en de raad hebben onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat het in artikel 25, eerste lid, van de planvoorschriften opgenomen maximum aantal bouwlagen aansluit op de bestaande omliggende bebouwing. De Afdeling neemt daarbij het volgende in aanmerking. [appellante sub 7] heeft zich op het standpunt gesteld dat een maximum van 3 bouwlagen zonder kap voor haar gronden die grenzen aan de Bakker Korffstraat en een maximum van 4 bouwlagen zonder kap voor haar gronden die grenzen aan de Haarlemmerweg aansluit op de bestaande bebouwing. Zij heeft er in dit verband op gewezen dat in de Bakker Korffstraat woningen met drie bouwlagen zonder kap zijn gebouwd. Dit wordt bevestigd in het deskundigenbericht. Blijkens de bij het deskundigenbericht gevoegde foto's zijn in de Haarlemmerweg verder woningen gebouwd met een gevarieerd aantal bouwlagen die soms van een kap en soms van een plat dak zijn voorzien.

2.8. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 7] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat de aanduiding "wijzigingsgebied 1" die rust op haar gronden aan de [locatie 2] en artikel 25, eerste lid, van de planvoorschriften zijn vastgesteld in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met deze artikelen in samenhang bezien met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan voormelde planonderdelen. De Afdeling ziet aanleiding om in zoverre goedkeuring aan het plan te onthouden.

Het beroep van [appellante sub 3]

2.9. [appellante sub 3] stelt zich op het standpunt dat ten onrechte goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden", dat ziet op haar gronden kadastraal bekend gemeente Leiden, sectie K, nr. 6002. Daartoe voert zij aan dat de bestemming "Verkeersdoeleinden" zich niet verdraagt met de erfdienstbaarheid die op een deel van haar gronden rust. Dit klemt volgens [appellante sub 3] te meer nu in strijd met artikel 15 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: het Bro) inzicht ontbreekt in de functie van de voorziene weg op haar gronden. [appellante sub 3] betwijfelt verder of de realisering van het bestreden plandeel voldoende is verzekerd en of wordt voldaan aan de normen van het Blk 2005.

2.9.1. De plankaart kent aan een strook gronden van [appellante sub 3] aan zowel de zijde van de Willem de Zwijgerlaan als aan de zijde van de Gooimeerlaan de bestemming "Verkeersdoeleinden" toe.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart voor "Verkeersdoeleinden" aangewezen gronden bestemd voor gemotoriseerd verkeer (met name doorgaand verkeer en gebieds- en wijkontsluiting), openbaar vervoer (bus, tram en taxi) en langzaam verkeer, met de daarbij behorende voorzieningen zoals wegen, busbanen, smalspoor- c.q. sneltramtracés, fiets- en voetpaden, trottoirs, groenvoorzieningen, geluidsschermen, water, parkeerplaatsen, fietsenstallingen, abri's, leidingen, en bouwwerken van openbaar nut en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

2.9.2. De Afdeling stelt voorop dat privaatrechtelijke verhoudingen uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet van doorslaggevende betekenis zijn. Slechts indien deze van een zodanige aard zijn dat daarmee de realisering van het bestemmingsplan binnen de planperiode niet aannemelijk is, kan hieraan betekenis toekomen. De desbetreffende gronden van [appellante sub 3] zijn blijkens de stukken nodig ten behoeve van het verleggen van een deel van de Gooimeerlaan. Ter zitting is gebleken dat de gronden zo nodig zullen worden onteigend, indien over de verwerving daarvan geen overeenstemming met [appellante sub 3] kan worden bereikt. Gelet hierop moet de verwezenlijking van het bestreden plandeel afdoende verzekerd worden geacht. In verband hiermee behoeft de vraag of de bestemming "Verkeersdoeleinden" zich al dan niet verdraagt met de erfdienstbaarheid die op een deel van de gronden van [appellante sub 3] rust, geen nadere bespreking.

2.9.3. Gelet op artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bro dient het plan, voor zover de uitvoering van de Wet geluidhinder zulks vereist, de functie van de weg, alsmede het dwarsprofiel dan wel het aantal rijstroken daarvan aan te geven. De op de gronden van [appellante sub 3] voorziene weg is niet van belang voor de uitvoering van de Wet geluidhinder. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de kantoortoren van [appellante sub 3] niet kan worden beschouwd als een woning, een ander geluidsgevoelig gebouw of een geluidsgevoelig terrein als bedoeld in de Wet geluidhinder alsmede dat niet is gebleken dat één of meerdere van voormelde geluidsgevoelige objecten nabij de gronden van [appellante sub 3] mogelijk worden gemaakt. Gezien het voorgaande hebben het college en de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat voormeld artikel van het Bro in dit geval niet noopt tot het aangeven in het plan van de functie van de voorziene weg, het dwarsprofiel dan wel het aantal rijstroken daarvan.

2.9.4. In de nabijheid van de kantoortoren van [appellante sub 3] aan de [locatie 3] is een tunnelmond voorzien ten behoeve van de gedeeltelijke overkluizing van de Willem de Zwijgerlaan. Uit het bij de plantoelichting gevoegde rapport van TNO van april 2007, kenmerk 2007-A-R0446/A, volgt dat de concentraties van stikstofdioxide boven de overkluizing afnemen en dat deze boven de tunnelmonden, waaronder de tunnelmond in de nabijheid van de kantoortoren van [appellante sub 3], toenemen. Uit paragraaf 3.5 van het rapport van TNO van april 2007 volgt dat de oppervlakte van het gebied waar zich een overschrijding voordoet van de grenswaarde voor stikstofdioxide van 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010, per saldo afneemt. Uit voormeld rapport kan evenwel niet met zekerheid worden afgeleid dat het aantal blootgestelden aan de concentraties van stikstofdioxide per saldo afneemt. Aldus is onvoldoende inzichtelijk of het college en de raad zich op basis van voormeld rapport op het standpunt hebben kunnen stellen dat als gevolg van het plan de luchtkwaliteit per saldo verbetert als bedoeld in artikel 7, derde lid, aanhef en onder b, van het Blk 2005.

2.10. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 3] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden" dat ziet op de gronden van [appellante sub 3], kadastraal bekend gemeente Leiden, sectie K, nr. 6002, niet berust op een deugdelijke motivering.

Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

2.11. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand te laten en overweegt daartoe het volgende. In de onderhavige procedure is een rapport van TNO van maart 2009, kenmerk TNO-034-UT-2009-00424_RPT-ML, overgelegd waarin de gevolgen voor de luchtkwaliteit voor de [locatie 3] specifiek zijn bezien. Blijkens dit rapport leidt het plan niet tot een overschrijding van de grenswaarde voor stikstofdioxide van 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010, ter hoogte van de kantoortoren van [appellante sub 3], zodat in zoverre wordt voldaan aan artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005. [appellante sub 3] heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan het rapport van TNO van maart 2009 gebreken kleven.

Het beroep van Alliance

2.12. Alliance voert aan dat het bestreden besluit, na de bekendmaking ervan, en het plan ten onrechte niet binnen twee weken ter inzage zijn gelegd. Zij voert verder aan dat de bekendmaking van het bestreden besluit tekort heeft geschoten, nu een snelkoppeling op de gemeentelijke website niet functioneerde.

Voormelde onregelmatigheden - wat daarvan ook zij - dateren van na het nemen van het bestreden besluit en kunnen om deze reden de rechtmatigheid van dit besluit niet aantasten. In zoverre bestaat dan ook geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit.

2.13. Alliance vreest dat haar apotheek aan de Surinamestraat 7 na herontwikkeling van het gebied rond het Kooiplein niet opnieuw in dit gebied kan worden gevestigd. Zij voert in dit verband aan dat haar apotheek niet als detailhandel, maar als maatschappelijke voorziening moet worden aangemerkt. Verder voert Alliance aan dat bij het onderzoek naar de financiële uitvoerbaarheid van het plan ten onrechte geen rekening is gehouden met de sluiting van haar apotheek.

2.13.1. De plankaart kent aan het gebied rond het Kooiplein, waarvan de Surinamestraat deel uitmaakt, de bestemming "Uitwerkingsgebied Kooiplein" toe.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Uitwerkingsgebied Kooiplein" aangewezen gronden bestemd voor woondoeleinden, detailhandel, maatschappelijke voorzieningen, recreatieve inrichtingen, bedrijven, horeca, kantoren en dienstverlening, fietsenstallingen, tuinen, erven, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, verkeersdoeleinden en verblijfsgebied, voet- en fietspaden, groenvoorzieningen, water, speelruimte, nutsvoorzieningen, leidingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge het tweede lid dient het college van burgemeester en wethouders de bestemming "Uitwerkingsgebied Kooiplein" uit te werken met in achtneming van de uitwerkingsbepalingen.

Ingevolge artikel 1, voor zover hier van belang, wordt in de planvoorschriften onder maatschappelijke voorzieningen verstaan voorzieningen die ten dienste van medische, sociale, culturele, religieuze of recreatieve activiteiten, alsmede voorzieningen ten dienste van onderwijs- en overheidsdiensten, welke min of meer een openbaar karakter hebben.

2.13.2. Ter zitting is van de zijde van de raad aangegeven dat de apotheek van Alliance kan worden aangemerkt als een maatschappelijke voorziening als bedoeld in de planvoorschriften. De Afdeling deelt dit oordeel van de raad en neemt daarbij in aanmerking dat het merendeel van de omzet van de apotheek van Alliance door de verkoop van medicijnen op recept wordt behaald. Gelet hierop is de vrees van Alliance dat het bestreden plandeel niet zodanig kan worden uitgewerkt dat haar apotheek niet opnieuw binnen het gebied rond het Kooiplein kan worden gevestigd, onterecht.

De financiële uitvoerbaarheid van het plandeel met de bestemming "Uitwerkingsgebied Kooiplein" is blijkens hoofdstuk 13 van de plantoelichting gewaarborgd. Daarbij is een beschrijving gegeven van de kosten die in het onderzoek naar de financiële uitvoerbaarheid zijn meegenomen en op welke wijze deze kosten zijn gedekt. Alliance heeft niet aannemelijk gemaakt dat het onderzoek naar de financiële uitvoerbaarheid in zoverre ontoereikend zou zijn.

2.14. De conclusie is dat hetgeen Alliance heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestreden plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

De beroepen van [appellant sub 6] en [appellanten sub 5]

2.15. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ETF Beheer B.V. heeft zienswijzen noch bedenkingen ingediend.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig zienswijzen bij de raad naar voren gebracht alsmede die tegen het vastgestelde plan tijdig bedenkingen bij het college heeft ingebracht. Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig bedenkingen heeft ingebracht. Geen van deze omstandigheden doet zich in dit geval voor. Het beroep van [appellant sub 6] is derhalve niet-ontvankelijk voor zover dit is ingediend namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ETF Beheer B.V.

2.16. [appellant sub 6] en [appellanten sub 5] voeren aan dat in de bekendmaking van het bestreden besluit een onjuiste beroepstermijn staat vermeld.

Deze onregelmatigheid, wat daarvan ook zij, dateert van na het nemen van het bestreden besluit en kan om deze reden de rechtmatigheid van dit besluit niet aantasten. In zoverre bestaat dan ook geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit.

2.17. [appellant sub 6] voert aan dat op het perceel [locatie 4] / [locatie 5] (hierna: het perceel [locatie 4]) ten onrechte geen categorie 4 of 5-bedrijfsactiteiten worden toegestaan. Verder voert [appellant sub 6] aan dat in artikel 5, derde lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften ten onrechte wordt verwezen naar een aanduiding die niet op de plankaart staat vermeld en naar een categorie die niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten wordt genoemd.

2.17.1. De plankaart kent het perceel [locatie 4] de bestemming "Uitwerkingsgebied Groenoordhallen" en de aanduiding "bedrijven" toe.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Uitwerkingsgebied Groenoordhallen" aangewezen gronden bestemd voor eengezins- en meergezinshuizen, bijzondere woonvormen en wooneenheden, woon-werkunits, bedrijven, maatschappelijke voorzieningen, kantoren, dienstverlening, vrijetijdsvoorzieningen en sportvoorzieningen, met de daarbij behorende aanbouwen en bijgebouwen, verblijfsgebied met ontsluitingswegen, speelvoorzieningen, groenvoorzieningen, fietsenbergingen, tuinen, erven (gebouwde) parkeervoorzieningen, voet- en fietspaden, langzaamverkeerroutes, kunstwerken, straatmeubilair, waterpartijen, leidingen, geluidswerende voorzieningen, voorzieningen van openbaar nut en

bouwwerken geen gebouwen zijnde.

Ingevolge het tweede lid dient het college van burgemeester en wethouders de bestemming "Uitwerkingsgebied Groenoordhallen" uit te werken met in achtneming van de uitwerkingsbepalingen.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder b, geldt voor de gronden aan de Hallenweg met de aanduiding "bedrijfsdoeleinden" dat uitsluitend bedrijven zijn toegestaan die passen binnen de categorieën 1, 2 en 3.1 van de bij deze voorschriften gevoegde Staat van Bedrijfsactiviteiten, met dien verstande dat bedrijven in de categorieën 2 en 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten slechts zijn toegestaan op een afstand van ten minste 30 m respectievelijk ten minste 50 m van woningen.

2.17.2. Het perceel [locatie 4] maakt deel uit van bedrijventerrein de Hallen dat voor herontwikkeling in aanmerking komt. Blijkens de plantoelichting wordt beoogd ter plaatse een zone te realiseren die door een combinatie van vrij uitgeefbare kavels, bestaande bedrijven, bedrijfsverzamelgebouwen en enkele woon- werkunits wordt gekenmerkt. Daarbij is volgens de plantoelichting het uitgangspunt een hoogwaardige inrichting met bij voorkeur bedrijfsverzamelgebouwen voor kleinschalige (startende) ondernemers die zich goed mengen met de aansluitende woonomgeving.

Voor zover [appellant sub 6] heeft aangevoerd dat in het verleden een milieuvergunning is verleend voor een tot categorie 5 te rekenen vuurwerkfabriek op het perceel [locatie 4] overweegt de Afdeling dat deze vergunning niet meer geldt. Het college heeft de desbetreffende milieuvergunning namelijk bij besluit van 3 mei 2007 ingetrokken. Voor het perceel [locatie 4] geldt alleen een milieuvergunning voor een gemeentewerf. Dit bedrijf behoort blijkens het deskundigenbericht niet tot categorie 4 of 5, maar tot categorie 3 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Dat op perceel [locatie 4] feitelijk tot categorie 4 of 5 te rekenen bedrijfsactiviteiten plaatsvinden, heeft [appellant sub 6] niet aannemelijk gemaakt.

Gezien het voorgaande hebben het college en de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het, na uitwerking, toestaan van categorie 4 of 5-bedrijfsactiviteiten op het perceel [locatie 4] niet wenselijk is.

2.17.3. Daar waar in de planvoorschriften de aanduiding "bedrijfsdoeleinden" wordt vermeld, wordt de aanduiding "bedrijven" bedoeld die blijkens de plankaart onder meer aan het perceel [locatie 4] is toegekend. Deze kennelijke verschrijving kan naar het oordeel van de Afdeling in dit geval niet leiden tot rechtsonzekerheid. In artikel 5, derde lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften wordt evenwel ook verwezen naar categorie 3.1. Categorie 3.1 wordt niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten genoemd waardoor onduidelijkheid kan bestaan over de vraag welke bedrijven onder deze categorie vallen. Aldus is onvoldoende gewaarborgd dat het bestreden plandeel op de door het college en de raad beoogde wijze wordt uitgewerkt. Het beroep van [appellant sub 6] slaagt in zoverre.

2.18. [appellanten sub 5] stelt zich op het standpunt dat in artikel 5, derde lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften niet op toereikende wijze is geregeld dat op het perceel [locatie 6] categorie 4-bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan, indien algehele herontwikkeling van dit perceel achterwege blijft.

2.18.1. De plankaart kent aan het perceel [locatie 6] de bestemming "Uitwerkingsgebied Groenoordhallen" en de aanduidingen "bedrijven" en "afvalstoffen" toe.

Ingevolge artikel 5, derde lid, aanhef en onder d, geldt voor de gronden aan de Hallenweg met de aanduiding "bedrijfsdoeleinden" dat ter plaatse van het perceel [locatie 6] met de aanduiding "afvalstoffen" in een uitwerkingsplan kan worden bepaald - indien algehele herontwikkeling niet aan de orde is - dat de bestaande bebouwing en de bestaande bedrijfsvoering conform de alsdan actuele situatie zal worden vastgelegd met dien verstande dat:

1. de bedrijfsvoering overeenkomstig de Staat van Bedrijfsactiviteiten tot en met categorie 3.1 zal worden toegestaan;

2. in afwijking daarvan bepaald zal worden dat een bedrijf in de verwerking van afvalstoffen, de opslag en verhuur van goederen overeenkomstig een dergelijk bedrijf in categorie 4 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten tevens zal worden toegestaan;

3. een vrijstelling van het college van burgemeester en wethouders zal worden opgenomen op grond waarvan een bedrijf binnen categorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten kan worden toegelaten, mits de gevolgen voor de omgeving gelijk of minder zijn dan het onder 2. bedoelde bedrijf.

2.18.2. [appellanten sub 5] exploiteert op het perceel [locatie 6] een rioolreinigingsbedrijf waarbij tevens sprake is van toilettenverhuur. Met artikel 5, derde lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften hebben het college en de raad beoogd te waarborgen dat, indien algehele herontwikkeling niet aan het orde is, het bestreden plandeel zodanig kan worden uitgewerkt dat voormeld bedrijf wordt toegestaan. De Afdeling acht dit als zodanig niet onredelijk.

Zoals hiervoor bij de behandeling van het beroep van [appellant sub 6] is geoordeeld, kan de kennelijke verschrijving in de planvoorschriften terzake van de aanduiding "bedrijven" in dit geval niet leiden tot rechtsonzekerheid. In artikel 5, derde lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften wordt evenwel ook verwezen naar categorieën 3.1 en 3.2. De categorieën 3.1 en 3.2 worden niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten genoemd waardoor onduidelijkheid kan bestaan over de vraag welke bedrijven onder deze categorieën vallen. Aldus is onvoldoende gewaarborgd dat het bestreden plandeel op de door het college en raad beoogde wijze wordt uitgewerkt. Het beroep van [appellanten sub 5] slaagt in zoverre.

2.19. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 6] en [appellanten sub 5] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat artikel 5, derde lid, aanhef en onder b, alsmede artikel 5, derde lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften zijn vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Vanwege de samenhang van de uitwerkingsbepalingen met het plandeel met de bestemming "Uitwerkingsgebied Groenoordhallen" en de aanduiding "bedrijven" dat ziet op het perceel [locatie 4] alsmede met het plandeel met de bestemming "Uitwerkingsgebied Groenoordhallen" en de aanduidingen "bedrijven" en "afvalstoffen" dat ziet op het perceel [locatie 6], bestaat tevens aanleiding voor het oordeel dat deze plandelen zijn vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met voormeld artikel in samenhang bezien met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

De beroepen, voor zover ontvankelijk, zijn gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan voormelde planonderdelen. De Afdeling ziet aanleiding om in zoverre goedkeuring aan het plan te onthouden.

Proceskosten

2.20. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellante sub 7], [appellante sub 3], [appellant sub 6] en [appellanten sub 5] te worden veroordeeld.

Voor een proceskostenveroordeling ten behoeve van Intercontinental, [appellante sub 2] en Alliance bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 6] voor zover dit is ingediend namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ETF Beheer B.V. niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellante sub 7], [appellante sub 3], [appellante sub 4] geheel alsmede het beroep van [appellant sub 6] voor het overige gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 27 mei 2008, kenmerk PZH-2008-436211, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan:

- het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden" dat ziet op de gronden van [appellante sub 3], kadastraal bekend gemeente Leiden, sectie K, nr. 6002;

- het plandeel met de bestemming "Uitwerkingsgebied Groenoordhallen" en de aanduiding "bedrijven" dat ziet op het perceel [locatie 4] / [locatie 5];

- het plandeel met de bestemming "Uitwerkingsgebied Groenoordhallen" en de aanduidingen "bedrijven" en "afvalstoffen" dat ziet op het perceel [locatie 6];

- de aanduiding "wijzigingsgebied 1" die rust op de gronden van [appellante sub 7] aan de [locatie 2];

- artikel 25, eerste lid, van de planvoorschriften;

- artikel 5, derde lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften;

- artikel 5, derde lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften;

IV. onthoudt goedkeuring aan:

- het plandeel met de bestemming "Uitwerkingsgebied Groenoordhallen" en de aanduiding "bedrijven" dat ziet op het perceel [locatie 4] / [locatie 5];

- het plandeel met de bestemming "Uitwerkingsgebied Groenoordhallen" en de aanduidingen "bedrijven" en "afvalstoffen" dat ziet op het perceel [locatie 6];

- de aanduiding "wijzigingsgebied 1" die rust op de gronden van [appellante sub 7] aan de [locatie 2];

- artikel 25, eerste lid, van de planvoorschriften;

- artikel 5, derde lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften;

- artikel 5, derde lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit voor zover het de onder IV. genoemde planonderdelen betreft;

VI. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 27 mei 2008, kenmerk PZH-2008-436211, in stand blijven voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden" dat ziet op de gronden van [appellante sub 3], kadastraal bekend gemeente Leiden, sectie K, nr. 6002;

VII. verklaart de beroepen van Intercontinental Estate B.V., [appellante sub 2] en Alliance Apotheek B.V. ongegrond;

VIII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, in verband met de behandeling van onderstaande beroepen opgekomen proceskosten, tot vergoeding van:

- een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan [appellante sub 7];

- een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan [appellante sub 3];

- een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan [appellanten sub 5];

- een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan [appellant sub 6];

IX. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland het voor de behandeling van onderstaande beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

- een bedrag van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) aan [appellante sub 7];

- een bedrag van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) aan [appellante sub 3];

- een bedrag van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) aan [appellanten sub 5];

- een bedrag van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) aan [appellant sub 6].

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.S. Jansen, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Jansen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2009

399.