Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ8904

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-09-2009
Datum publicatie
30-09-2009
Zaaknummer
200806288/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2008:BD8298, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 november 2006 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voor zover thans van belang, [appellant] (hierna: de vreemdeling) ongewenst verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806288/1.

Datum uitspraak: 24 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant]

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 14 juli 2008 in zaak nr. 08/2653 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2006 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voor zover thans van belang, [appellant] (hierna: de vreemdeling) ongewenst verklaard.

Bij besluit van 17 januari 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 14 juli 2008, verzonden op 18 juli 2008, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 14 augustus 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Desgevraagd heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 19 maart 2009, een nader stuk ingediend. De vreemdeling heeft hierop bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 23 maart 2009, gereageerd.

De Afdeling heeft de zaak, tegelijkertijd met zaak nr. 200901907/1/V1, op 10 juni 2009 ter zitting behandeld, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te Den Haag, en de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. B.W.M. Toemen, advocaat te Boxtel, zijn verschenen. Ter zitting is informatie verstrekt door drs. J.A.M. van der Zeeuw, werkzaam bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

2. Overwegingen

2.1. In de grieven 2 en 3, gelezen in onderlinge samenhang en samengevat weergegeven, klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de "Note on the Structure and Operation of the KhAD/WAD in Afghanistan 1978-1992" van de United Nations High Commissioner for Refugees van 13 mei 2008 (hierna: de UNHCR-Note) geen concrete aanknopingspunten bevat voor twijfel aan de juistheid van het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake de veiligheidsdiensten in communistisch Afghanistan van 29 februari 2000 (hierna: het ambtsbericht).

De vreemdeling betoogt - samengevat weergegeven - dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris, gelet op de UNHCR-note, niet had mogen uitgaan van de conclusie in het ambtsbericht dat alle (onder-)officieren van de Afghaanse Khadimat-e Atal’at-e Dowlati en de Wazarat-e Amaniat-e Dowlati zich schuldig hebben gemaakt aan ernstige schendingen van de mensenrechten.

2.1.1. De in deze grieven opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling bij uitspraak van heden in zaak nr. 200901907/1/V1 (aangehecht ter voorlichting van partijen) beantwoord. Uit de overwegingen van die uitspraak, die hier van overeenkomstige toepassing zijn, vloeit voort dat de grieven niet kunnen leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.2. Hetgeen overigens in het hoger-beroepschrift is aangevoerd en voldoet aan het bepaalde in artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, kan evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Klein Nulent

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2009

218-565