Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ8898

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-09-2009
Datum publicatie
30-09-2009
Zaaknummer
200805534/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juni 2008, nr. 2008INT223325, heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college) opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Nieuwegein (hierna: de raad) bij besluit van 17 februari 2005 vastgestelde bestemmingsplan "Het Klooster 2004, correctieve herziening".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805534/1/R2.

Datum uitspraak: 30 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2008, nr. 2008INT223325, heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college) opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Nieuwegein (hierna: de raad) bij besluit van 17 februari 2005 vastgestelde bestemmingsplan "Het Klooster 2004, correctieve herziening".

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] (hierna in enkelvoud: [appellant]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 juli 2008, beroep ingesteld.

Het college van gedeputeerde staten van Utrecht heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht (hierna: het deskundigenbericht) uitgebracht.

[appellant] heeft zijn zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 augustus 2009, waar [appellant], in de persoon van [appellant A] en bijgestaan door mr. L.A.A. van Wakeren, werkzaam bij VW Juridisch Advies, en het college, vertegenwoordigd door G.A. de Mello, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door mr. D.S.P. Fransen, advocaat te Amsterdam, en I.S. Visser, ambtenaar in dienst van de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft de raad te kennen gegeven dat hij zijn bezwaar tegen de ontvankelijkheid van het beroep van [appellant], voor zover dat is ingediend door [appellant B], niet handhaaft. Verder heeft [appellant] zijn beroepsgrond met betrekking tot het aantal scheepvaartbewegingen op het Amsterdam-Rijnkanaal ter zitting ingetrokken.

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.3. Met het onderhavige plan, dat voor een gedeelte uitwerking behoeft, wordt een deel van het bedrijventerrein Het Klooster mogelijk gemaakt. Dit bedrijventerrein ligt in het buitengebied ten oosten van Nieuwegein en zal na volledige realisatie een oppervlakte beslaan van ongeveer 105 hectare, waarvan 75 hectare aan bedrijven kan worden uitgegeven. Het bedrijventerrein is verdeeld in vier deelgebieden. Het onderhavige plan voorziet, na uitwerking, in de realisering van een oppervlakte van ongeveer 65 hectare bruto en ongeveer 49 hectare netto bedrijventerrein. Voor de overige drie deelgebieden worden afzonderlijke bestemmingsplannen vastgesteld. Het onderhavige plangebied wordt aan de westzijde begrensd door het Lekkanaal, aan de zuidzijde door de Lek, aan de oostzijde door de grens met de gemeente Houten en aan de noordzijde door het Amsterdam-Rijnkanaal.

De woning van [appellant] aan de [locatie] bevindt zich ten noorden van het plangebied, aan de overzijde van het Amsterdam-Rijnkanaal, op een afstand van ongeveer 500 meter.

2.4. [appellant] stelt in beroep dat het college ten onrechte opnieuw goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemming "Uit te werken bedrijventerrein (UB)" met de nadere aanduidingen "uit te werken deelgebied I" of "uit te werken deelgebied II" en "kleinschalige bedrijven" (hierna: de plandelen). Volgens [appellant] had het college, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 29 november 2006, zaak 200509566/1, goedkeuring aan de plandelen moeten onthouden. Verder voert hij aan dat het college heeft miskend dat het plan in zoverre in strijd is met het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: Blk 2005). Hij stelt dat het college het vervolgonderzoek naar de luchtkwaliteit van 13 december 2007 ten onrechte bij zijn beoordeling heeft betrokken, nu dit van na de vaststelling van het plan dateert. Voorts voert hij aan dat dit luchtkwaliteitrapport zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat op basis daarvan niet kon worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de grenswaarden van het Blk 2005. Daartoe stelt hij hoofdzakelijk dat in het luchtkwaliteitonderzoek onjuiste invoergegevens zijn gehanteerd wat betreft de bedrijvigheid in het plangebied, het aantal passerende en aanmerende schepen en het aantal vrachtverkeersbewegingen.

2.5. Het college heeft bij het thans bestreden besluit wederom goedkeuring verleend aan de plandelen.

2.6. Het plan is op 17 februari 2005 door de raad vastgesteld. Vervolgens zijn de plandelen bij besluit van 30 september 2005 door het college goedgekeurd. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 29 november 2006, zaak 200509566/1, overwogen dat het college bij het besluit van 30 september 2005 niet inzichtelijk heeft gemaakt dat op voorhand aannemelijk is dat de plandelen verwezenlijkt kunnen worden zonder in strijd te komen met de regelgeving inzake luchtkwaliteit en heeft dat besluit voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de plandelen wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb vernietigd.

Het college dient, indien de Afdeling een besluit omtrent de goedkeuring geheel of ten dele vernietigt, behoudens indien de Afdeling met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laat, of wel met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorziet, een nieuw besluit te nemen, aangezien na vernietiging niet meer aan de verplichting van het college om te besluiten omtrent de goedkeuring van het door de raad vastgestelde bestemmingsplan wordt voldaan. Op het college rustte derhalve de verplichting een nieuw besluit te nemen voor zover zijn besluit van 30 september 2005 was vernietigd, met inachtneming van de uitspraak van 29 november 2006 en van nieuwe feiten en omstandigheden.

Het betoog van [appellant] dat het college gelet op de uitspraak van de Afdeling goedkeuring aan het plan had moeten onthouden en dat het college ten onrechte met een heroverweging heeft volstaan, faalt. Het college heeft door opnieuw te bezien of het plan in zoverre in strijd is met het Blk 2005 met het onderhavige besluit voldaan aan eerder genoemde verplichting. In dit verband wordt verder overwogen dat voorbijgegaan wordt aan het betoog van [appellant] wat betreft de windturbines en de duurzaamheidscan. Dit betreft onderdelen van het goedkeuringsbesluit van 30 september 2005 die, zoals door het college ter zitting is gesteld, geen rol spelen bij de beoordeling van de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit en thans niet meer aan de orde zijn. Niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die wat betreft deze gronden thans aanleiding zouden moeten geven tot een andersluidend oordeel.

2.7. Wat betreft het betoog van [appellant] dat het college ten onrechte het rapport "Luchtkwaliteitonderzoek Plangebied Het Klooster; Gemeente Nieuwegein" dat op 13 december 2007 door KEMA is uitgebracht (hierna: het luchtkwaliteitonderzoek) bij zijn besluit heeft betrokken wordt als volgt overwogen.

Alhoewel het in beginsel ingevolge artikel 9 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 primair de verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur is om bij de voorbereiding van een bestemmingsplan mede de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit te onderzoeken, staat deze bepaling, noch enige andere, er aan in de weg dat de gemeenteraad alsnog resultaten van onderzoek overlegt, voorafgaand aan het besluit omtrent goedkeuring van het bestemmingsplan. In dat geval kan het college dit onderzoek immers nog ten volle bij zijn besluitvorming betrekken. Verder is [appellant] in de gelegenheid gesteld om op het rapport te reageren voordat het college heeft besloten over de goedkeuring van het plan. Niet is gebleken dat deze gelegenheid onvoldoende was, zodat geen reden bestaat voor het oordeel dat het bestreden besluit niet met de te betrachten zorgvuldigheid is voorbereid. Het college heeft derhalve het luchtkwaliteitonderzoek bij zijn besluitvorming kunnen betrekken.

2.8. Volgens het college blijkt uit het luchtkwaliteitonderzoek dat het Blk 2005 niet aan de realisering van het bedrijventerrein in de weg staat.

2.9. Op 15 november 2007 is de wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. Bij deze wet is het Blk 2005 ingetrokken.

Ingevolge artikel V, van die wet, voor zover thans van belang, zijn titel 5.2 van de Wet milieubeheer, bijlage 2 van die wet en de op titel 5.2 berustende bepalingen niet van toepassing op een voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet met toepassing van artikel 7 van het Blk 2005 vastgesteld besluit of ontwerpbesluit, noch op ter uitvoering daarvan strekkende besluiten, overige rechtshandelingen en feitelijke handelingen. Nu het onderhavige bestemmingsplan is vastgesteld op 17 februari 2005, derhalve vóór de inwerkingtreding van vorenbedoelde wet, is het Blk 2005 in dit geval van toepassing.

2.10. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005, voor zover hier van belang, nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden dan wel bij de toepassingen van wettelijke voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in paragraaf 2 genoemde grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide en benzeen in acht.

Ingevolge het tweede lid worden onder de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden in ieder geval begrepen de vaststelling en goedkeuring van een bestemmingsplan.

2.11. In het luchtkwaliteitonderzoek staat dat de meest kansrijke doelgroepen voor vestiging op het bedrijventerrein zijn: groothandel, transport en distributie (logistiek), bouwbedrijven, reparatiebedrijven, (lichte) industrie en autoshowrooms. Verder wordt in het luchtkwaliteitonderzoek opgemerkt dat de luchtkwaliteit in het plangebied in de eerste plaats wordt bepaald door de heersende achtergrondconcentraties en dat de bijdragen van de diverse lokale emissies relatief gering zijn. In het luchtkwaliteitonderzoek zijn luchtkwaliteitsberekeningen opgenomen, gebaseerd op de meest actuele gegevens wat betreft achtergrondconcentraties. De concentraties stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10) worden in geringe mate verhoogd door een toename van lokale emissies ten gevolge van de realisering van het plan, maar de in het Blk 2005 gestelde grenswaarden worden op geen enkele locatie overschreden, aldus het luchtkwaliteitonderzoek.

2.12. Wat betreft het betoog van [appellant] dat in het luchtkwaliteitonderzoek ten onrechte alleen is gekeken naar de concentraties stikstofoxiden (NOx) en zwevende deeltjes (PM10) wordt als volgt overwogen. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de ervaring leert dat in Nederland de concentraties stikstofoxiden (NOx) en zwevende deeltjes (PM10) tot overschrijding van de in het Blk 2005 opgenomen grenswaarden kunnen leiden en dat gelet op de concentraties zwaveldioxide, lood, koolmonoxide en benzeen in Nederland de in het plan voorziene ontwikkelingen niet tot een overschrijding van de grenswaarden van deze stoffen zullen leiden. Nu [appellant] dit niet gemotiveerd heeft weersproken, heeft het college ervan uit mogen gaan dat de concentraties van andere stoffen dan stikstofoxiden (NOx) en van zwevende deeltjes (PM10) de grenswaarden niet overschrijden.

Verder heeft [appellant] ter zitting gesteld dat op voorhand aan de uitkomsten van het luchtkwaliteitonderzoek moet worden getwijfeld, omdat deze afwijken van eerdere onderzoeken naar de gevolgen van de in het plan voorziene ontwikkelingen voor de luchtkwaliteit terwijl het bestemmingsplan sindsdien niet is gewijzigd. Dit betoog faalt nu bij het onderhavige luchtkwaliteitonderzoek gebruik is gemaakt van de laatst bekende gevalideerde gegevens over achtergrondconcentraties die op berekeningen en metingen die zijn verstrekt door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu zijn gebaseerd. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd bestaat geen reden aan te nemen dat geen gebruik zou mogen worden gemaakt van deze nieuwe achtergrondconcentraties.

Verder voert [appellant] aan dat in het luchtkwaliteitonderzoek ten onrechte rekening is gehouden met een gefaseerde realisatie van het bedrijventerrein nu deze fasering niet in het plan is vastgelegd. De raad heeft ter zitting aangegeven dat met de uitgifte van de gronden, die in eigendom zijn van de gemeente, rekening wordt gehouden met de fasering waarvan in het luchtkwaliteitonderzoek is uitgegaan. Verder heeft de raad gesteld dat de fasering waarvan in het luchtkwaliteitonderzoek is uitgegaan niet zal worden gehaald reeds omdat de uitgifte van kavels als gevolg van de onderhavige procedure vertraging heeft opgelopen. Gelet op het vorenstaande en nu bovendien sprake is van uit te werken plandelen waarvoor eerst een uitwerkingsplan dient te worden opgesteld waarbij opnieuw moet worden getoetst aan het Blk 2005, heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat onder deze omstandigheden in het luchtkwaliteitonderzoek rekening mocht worden gehouden met een gefaseerde realisatie van het bedrijventerrein.

Voorts wordt overwogen dat in de luchtkwaliteitberekeningen geen rekening behoefde te worden gehouden met ontwikkelingen in de andere deelgebieden van het bedrijventerrein Het Klooster waarover nog geen concrete besluitvorming heeft plaatsgevonden. Er behoefde dan ook geen rekening te worden gehouden met het door [appellant] verwachte aantal aanmerende schepen, wat daar ook van zij, nu de toekomstige ontwikkeling van een haven niet in het voorliggende plan is voorzien en daarover ook anderszins geen besluitvorming heeft plaatsgevonden.

De enkele stelling van [appellant] dat overdag sprake is van meer scheepvaartbewegingen dan 's nachts leidt voorts niet tot het oordeel dat bij de luchtkwaliteitberekeningen ten onrechte is aangenomen dat de scheepvaartbewegingen gelijkmatig over de dag- en nachtperiode verdeeld zullen zijn. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in het kader van het onderzoek overleg heeft plaatsgevonden met de Verkeerspost Wijk bij Duurstede van Rijkswaterstaat. Bovendien volgt uit het deskundigenbericht dat de aanname dat al het scheepvaartverkeer gelijkmatig over de dag- en nachtperiode is verdeeld en niet voornamelijk in de dagperiode plaatsvindt juist tot een minder gunstig resultaat leidt.

Voorts is, anders dan [appellant] stelt, in het luchtkwaliteitonderzoek geen rekening gehouden met een reductie van emissies vanwege het realiseren van een biomassacentrale. Uit het luchtkwaliteitonderzoek blijkt daarentegen dat daarin rekening is gehouden met de emissies die een dergelijke centrale met zich brengt.

2.13. Verder stelt [appellant] dat bij de luchtkwaliteitberekeningen niet is uitgegaan van een representatief aantal vrachtverkeersbewegingen. Hij stelt in dit verband onder meer dat ten onrechte geen gebruik is gemaakt van de kengetallen van de Stichting Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (hierna: CROW).

2.13.1. In het deskundigenbericht staat dat de verkeersintensiteiten waarmee in het luchtkwaliteitonderzoek is gerekend voor wat betreft Rijksweg A27 zijn ontleend aan gegevens van Rijkswaterstaat. Voor wat betreft lokale wegen is gebruik gemaakt van de verkeersintensiteiten uit het rapport "Verkeersmodelberekeningen Het Klooster" van 23 mei 2007, opgesteld door Goudappel Coffeng.

In het rapport van Goudappel Coffeng is rekening gehouden met een gefaseerde realisatie van het bedrijventerrein dat bij volledige realisatie een oppervlakte heeft van ongeveer 75 hectare netto bedrijventerrein. Dit is ongeveer 26 hectare netto bedrijventerrein meer dan het onderhavige plan mogelijk maakt, zodat volgens het deskundigenbericht de verkeersintensiteiten in laatstgenoemd rapport te hoog zijn geprognosticeerd. De verkeersintensiteiten zijn volgens laatstgenoemd rapport geprognosticeerd aan de hand van het verwachte aantal arbeidsplaatsen en het aantal bewoners van het gebied. Er is daarbij uitgegaan van 4.767 arbeidsplaatsen en 100 bewoners.

In de CROW-publicaties worden kengetallen gegeven wat betreft aard en omvang van het goederenvervoer van en naar bedrijventerreinen, waarbij een onderscheid wordt gemaakt in het soort bedrijventerrein. Niet in geschil is dat wat betreft het onderhavige terrein sprake is van een gemengd bedrijventerrein zoals bedoeld in de CROW-publicaties. Evenmin is in geschil dat het aantal geprognosticeerde vrachtverkeersbewegingen waarvan in het luchtkwaliteitonderzoek wordt uitgegaan in ruime mate afwijkt van het aantal vrachtverkeersbewegingen die uit de CROW-publicatie "Goederenvervoer en bedrijventerrein - vuistregels en kengetallen vrachtverkeer" (publicatie 227C, november 2005) volgt. Dit is ook het geval indien rekening wordt gehouden met de lagere kengetallen die worden aanbevolen in de aanvullende CROW-publicatie "Verkeersgeneratie woon- en werkgebieden - vuistregels en kengetallen gemotoriseerd verkeer" (oktober 2007). Volgens het deskundigenbericht geldt in het algemeen dat de kengetallen grote marges hebben. Blijkens laatstgenoemde CROW-publicatie kan van de kengetallen worden afgeweken door een nauwkeuriger berekening te maken van de verkeersintensiteiten door rekening te houden met het verwachte aantal arbeidsplaatsen. Volgens het deskundigenbericht is het aantal verwachte arbeidsplaatsen op het bedrijventerrein waarmee in het rapport van Goudappel Coffeng is gerekend niet onaannemelijk en is het aantal vrachtverkeersbewegingen waarvan in het luchtkwaliteitonderzoek is uitgegaan niet onjuist.

2.13.2. De Afdeling stelt voorop dat, nu in het onderzoek van Goudappel Coffeng is uitgegaan van de realisatie van ongeveer 75 hectare netto bedrijventerrein, anders dan [appellant] stelt, in de verkeersmodelberekeningen voldoende rekening is gehouden met de realisatie van het zuidelijke gebied van het bedrijventerrein Het Klooster, dat niet in het onderhavige plan is opgenomen.

Gelet op de CROW-publicatie "Verkeersgeneratie woon- en werkgebieden - vuistregels en kengetallen gemotoriseerd verkeer" (oktober 2007), waarin expliciet wordt gesteld dat een nauwkeuriger berekening van de verkeersbewegingen gemaakt kan worden aan de hand van het aantal arbeidsplaatsen, heeft het college zich voorts op het standpunt kunnen stellen dat de verkeersberekeningen geprognosticeerd mochten worden aan de hand van het verwachte aantal arbeidsplaatsen. De enkele stelling van [appellant] dat ten onrechte is uitgegaan van 4.767 arbeidsplaatsen en 100 bewoners biedt voorts, gelet op het deskundigenbericht, onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat niet van deze aanname mocht worden uitgegaan. Nu voorts in het deskundigenbericht staat dat het rapport van Goudappel Coffeng een realistisch beeld geeft van het aantal te verwachten vrachtvoertuigbewegingen van en naar het bedrijventerrein en [appellant] geen tegenrapport heeft overgelegd, biedt het in beroep aangevoerde onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat de bij de luchtkwaliteitsberekening gehanteerde invoergegevens wat betreft de verkeersintensiteit en, in het verlengde daarvan, het aandeel daarin van het vrachtverkeer, onjuist zijn.

2.14. Verder betoogt [appellant] dat in het luchtkwaliteitonderzoek onvoldoende rekening is gehouden met de emissies van de op het bedrijventerrein te vestigen bedrijven. Volgens hem is ten onrechte niet uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden van het plan. In dit verband voert hij onder meer aan dat rekening had moeten worden gehouden met emissies van afvalverbrandingsinstallaties en chemische bedrijven, nu het plan vestiging van deze bedrijven toelaat. Verder stelt hij dat ten onrechte is uitgegaan van een reductie van de emissie van stikstofoxiden (NOx) en zwevende deeltjes (PM10) in 2015 en 2020, nu niet is gebleken op grond van welke gegevens tot deze reductie is gekomen.

2.14.1. Ingevolge artikel 6, eerste en tweede lid, gelezen in samenhang met het negende lid, van de planvoorschriften is het mogelijk dat in het uitwerkingsplan op de plandelen, rechtstreeks dan wel na vrijstelling, de vestiging van bedrijven mogelijk wordt gemaakt in de milieucategorieën 1 tot en met 4.2 voor zover deze bedrijven voorkomen op de bij de planvoorschriften behorende Lijst van bedrijfsactiviteiten. Wat betreft het plandeel met de bestemming "Uit te werken bedrijventerrein (UB)" met de nadere aanduiding "uit te werken deelgebied I" voorziet het plan voorts in de mogelijkheid dat in het uitwerkingsplan wordt bepaald dat vrijstelling kan worden verleend teneinde bedrijven in milieucategorie 5 mogelijk te maken.

Voormelde uit te werken plandelen dienen in een verplicht op te stellen uitwerkingsplan nadere invulling te krijgen. Dit neemt niet weg dat het college slechts goedkeuring aan deze plandelen kan verlenen indien en voor zover op voorhand aannemelijk is dat deze plandelen zonder in strijd te komen met het Blk 2005 verwezenlijkt kunnen worden. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat hij bij zijn beoordeling mocht uitgaan van een invulling van het plangebied die representatief is voor de maximale planologische mogelijkheden van het plan en dat hij niet behoefde uit te gaan van al hetgeen waarin het plan voorziet.

Bij de berekening van de bijdrage aan de luchtkwaliteit die de op het bedrijventerrein te vestigen bedrijven zullen leveren is uitgegaan van een gemiddelde emissie van stikstofoxiden (NOx) en van zwevende deeltjes (PM10) per hectare bedrijventerrein per jaar die zijn berekend aan de hand van door het Centraal Bureau voor de Statistiek gepubliceerde totale jaarlijkse emissie van stikstofoxiden (NOx) en van zwevende deeltjes (PM10) van alle industrie in Nederland. Ter zitting is door de raad onweersproken gesteld dat bij het bepalen van deze gemiddelden de emissies van de grote chemische bedrijven niet zijn meegenomen, maar dat bij de berekeningen wel rekening is gehouden met de emissies van de kleinere chemische bedrijven en de afvalverwerkingsbedrijven waarvan het plan de vestiging niet uitsluit. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat aldus in het luchtkwaliteitonderzoek is uitgegaan van een invulling van het bedrijventerrein die niet representatief is voor de maximale planologische mogelijkheden. Voorts wordt overwogen dat, alvorens in zoverre tot realisatie van het bedrijventerrein kan worden overgegaan, een uitwerkingsplan dient te worden vastgesteld, zodat het college aannemelijk heeft kunnen achten dat volledige realisatie van het bedrijventerrein niet in 2010 zal plaatsvinden. Gelet op de ruime marges die blijkens het luchtkwaliteitonderzoek in 2015 en 2020 bestaan ten opzichte van de eerder genoemde grenswaarden voor stikstofoxiden (NOx) en zwevende deeltjes (PM10) heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de omstandigheid dat in het luchtkwaliteitonderzoek rekening is gehouden met een emissiereductie in 2015 en 2020, wat daar ook van zij, niet betekent dat niet van de in dat onderzoek gebruikte emissies mocht worden uitgegaan. Hierbij is van belang dat vanwege de ruime onzekerheidsmarge de berekende emissiewaarden met een factor 2 zijn vermenigvuldigd om aldus zeker te stellen dat met een conservatieve marge is gerekend. Gelet op het vorenstaande en nu [appellant] geen tegenrapport heeft overgelegd, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat de emissies van de te vestigen bedrijven waarvan in luchtkwaliteitonderzoek is uitgegaan onjuist zijn.

2.14.2. Gelet op het vorenstaande heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat het luchtkwaliteitonderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat het college dit niet aan zijn besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Uit het vorenstaande volgt verder dat het college inzichtelijk heeft gemaakt dat op voorhand aannemelijk is dat de uit te werken plandelen kunnen worden gerealiseerd zonder in strijd te komen met de regelgeving omtrent luchtkwaliteit.

2.15. De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Smit-Colenbrander, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Smit-Colenbrander

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2009

432.