Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ8891

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-09-2009
Datum publicatie
30-09-2009
Zaaknummer
200903956/1/R2 en 200903956/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 april 2009, kenmerk PZH-2009-238234A, heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van Reeuwijk (hierna: het college van burgemeester en wethouders) bij besluit van 17 februari 2009 vastgestelde wijzigingsplan "perceel nabij [locatie 1]" (hierna: het wijzigingsplan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903956/1/R2 en 200903956/2/R2.

Datum uitspraak: 22 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2009, kenmerk PZH-2009-238234A, heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van Reeuwijk (hierna: het college van burgemeester en wethouders) bij besluit van 17 februari 2009 vastgestelde wijzigingsplan "perceel nabij [locatie 1]" (hierna: het wijzigingsplan).

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 juni 2009, beroep ingesteld. Bij afzonderlijke brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 juni 2009, heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 20 augustus 2009, waar [appellant], vertegenwoordigd door ing. G. Verkleij, en het college, vertegenwoordigd door mr. H. Kats, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door E.S. ten Cate, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [belanghebbende].

Partijen hebben toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij het besluit omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient het college te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb rust daarnaast op het college de taak te onderzoeken of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.3. In het bestemmingsplan "Lange Ruige Weide" (hierna: het bestemmingsplan) was aan de gronden nabij het perceel [locatie 1] te [plaats] de bestemming "Agrarische doeleinden" en de subbestemming "Grondgebonden veehouderij" toegekend. Het wijzigingsplan voorziet in een nieuw agrarisch bouwvlak op deze gronden ten behoeve van de verplaatsing van het agrarisch bedrijf van Vroege, dat thans is gevestigd op het perceel [locatie 1].

2.4. [appellant] voert als procedureel bezwaar aan dat het college van burgemeester en wethouders hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om zijn zienswijze nader mondeling toe te lichten. Verder voert hij, onder verwijzing naar Afdeling 3.4, met name artikel 3:15, en artikel 4:8 van de Awb, aan dat de aanvrager ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om schriftelijke te reageren op zijn zienswijze.

2.4.1. In artikel 24 van de voorschriften van het bestemmingsplan is bepaald dat, bij toepassing van een wijzigingsbevoegdheid ingevolge dat plan, de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van Afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is. Anders dan [appellant] veronderstelt, voorziet Afdeling 3.4 van de Awb niet in de verplichting voor het college van burgemeester en wethouders om de indiener van een zienswijze tegen een ontwerpwijzigingsplan te horen alvorens tot besluitvorming over te gaan. Evenmin voorziet de WRO of enig andere wettelijk voorschrift hierin. Ter zitting heeft het college van burgemeester en wethouders meegedeeld dat een hoorzitting is gehouden, hetgeen door [appellant] is betwist. Daargelaten de vraag of een hoorzitting heeft plaatsgevonden, volgt uit het voorgaande dat hiertoe geen verplichting bestond.

De voorzitter overweegt voorts dat het vaststellingsbesluit niet kan worden aangemerkt als een beschikking op aanvraag, waarop artikel 4:8 van de Awb van toepassing is. Het college van burgemeester en wethouders heeft het niet nodig geacht om een reactie te vragen op de zienswijze van [appellant], zoals bedoeld in artikel 3:15, derde lid, van de Awb. Het betoog dat door het college van burgemeester en wethouders in strijd is gehandeld met deze artikelen van de Awb faalt derhalve.

2.5. Ingevolge artikel 2, zesde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover hier van belang, is het college van burgemeester en wethouders - met toepassing van artikel 11 WRO - bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van een nieuw agrarisch bouwvlak en een bijbehorende erftoegangsweg ter plaatse van de gronden die als zodanig zijn aangeduid, met inachtneming van het volgende:

a. de wijzigingsbevoegdheid wordt uitsluitend toegepast ten behoeve van een duurzaam volwaardig grondgebonden veehouderijbedrijf;

b. de wijzigingsbevoegdheid wordt uitsluitend toegepast indien dit noodzakelijk is in verband met de bouw van nieuwe woningen;

c. op het bouwvlak is niet meer dan één bedrijfswoning toelaatbaar;

d. er dient voorzien te worden in een adequate landschappelijke inpassing; (…)

2.6. [appellant], die aan het [locatie 2] woont, stelt in beroep dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het wijzigingsplan, omdat niet wordt voldaan aan de in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden. In dit verband betwist hij de noodzaak van de bedrijfsverplaatsing. Verder voorziet het wijzigingsplan volgens [appellant] niet in een adequate landschappelijke inpassing. Daartoe voert hij aan dat karakteristieke kavelsloten worden gedempt, het bouwvlak buiten het bebouwingslint is gesitueerd en geen sprake is van inpassing in het landschap door gebiedseigen beplanting.

2.6.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het wijzigingsplan in overeenstemming is met de bepalingen uit het bestemmingsplan en dat het wijzigingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft ingestemd met de weerlegging van de zienswijze door het college van burgemeester en wethouders.

2.6.2. Het te verplaatsen bedrijf van [belanghebbende] op het perceel [locatie 1] bestaat uit een melkveehouderij - met 75 melkkoeien en 50 stuks jongvee - en een kaasmakerij.

Niet in geschil is dat het bedrijf van Vroege een duurzaam volwaardig grondgebonden veehouderijbedrijf is.

2.6.3. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de voorzitter van oordeel dat de noodzaak van de bedrijfsverplaatsing voldoende is komen vast te staan. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de verplaatsing blijkens de plantoelichting in verband met de bouw van nieuwe woningen ter plaatse van de Groendijck Oost vanuit milieutechnisch oogpunt nodig is. Ter zitting heeft het college van burgemeester en wethouders uiteengezet dat met de bedrijfsverplaatsing wordt vooruitgelopen op deze ontwikkeling, waarvoor inmiddels een herziening van het bestemmingsplan in voorbereiding is. Voorts is door hem ter zitting toegelicht dat de voorziene woningen op een afstand van minder dan 100 meter van de huidige locatie zullen worden gerealiseerd. Hierdoor komen de woningen binnen de stankcirkel van het bedrijf te liggen.

Ten aanzien van de landschappelijke inpassing overweegt de voorzitter dat het nieuwe bouwvlak zich weliswaar buiten het bebouwingslint bevindt, maar de locatie van het bouwvlak is reeds in het bestemmingsplan vastgelegd. Uit de plantoelichting blijkt dat bij de inrichting van het bouwvlak rekening is gehouden met de karakteristieken van het slagenlandschap. Voorts is van belang dat de bebouwing volgens de plantoelichting overwegend in de lengterichting wordt gerealiseerd, waardoor de invulling van het bouwvlak geen gevolgen heeft voor de samenhang, herkenbaarheid en identiteit van het gebied. De voorzitter is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat is voorzien in een passende landschappelijke inpassing van het voorziene bedrijf.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de voorzitter geen grond voor het oordeel dat niet aan de wijzigingsvoorwaarden is voldaan.

2.7. Met het bestaan van de door het college goedgekeurde wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan mag de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt echter niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat aan de in een bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden is voldaan, laat de plicht van het college onverlet om in de besluitvorming omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming is gerechtvaardigd.

2.8. [appellant] betoogt dat het toestaan van een bedrijfswoning in het bouwvlak in strijd is met het provinciaal beleid, omdat het bouwvlak buiten de rode bebouwingscontour is gelegen. Het wijzigingsplan voorziet volgens hem daarom ten onrechte niet in de aanduiding 'zonder woning (zw)'. Nu niet is geregeld dat de agrarische bebouwing inclusief de bedrijfswoning op de huidige locatie gesloopt dient te worden, is naar zijn mening geen sprake van een verplaatsing van het bedrijf en kan het bedrijf in de toekomst bovendien over twee bedrijfswoningen beschikken.

2.8.1. Bebouwingscontouren geven volgens het streekplan Zuid-Holland Oost (hierna: het streekplan) de grenzen van de verstedelijking aan. Onder verstedelijking wordt hierbij verstaan: het realiseren van woongebieden, alsmede van daaraan gelieerde bestemmingen zoals parkeerplaatsen, sportvoorzieningen, zorgvoorzieningen, openbaar groen, volkstuinen, oppervlaktewater, begraafplaatsen en dergelijke, alsmede het aanleggen van bedrijventerreinen en dergelijke, aldus het streekplan.

Vast staat dat de gronden waarop het nieuwe agrarische bouwvlak is voorzien, buiten de bebouwingscontour van het streekplan liggen. Een agrarische functie met bedrijfswoning valt niet aan te merken als verstelijking zoals bedoeld in het streekplan en in zoverre is dan ook geen sprake van strijd met provinciaal beleid. Het provinciaal beleid staat niet in de weg aan de verplaatsing van een bestaand agrarisch bedrijf. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat zich in onderhavig geval een bedrijfsverplaatsing voordoet. Ten aanzien van de huidige bedrijfslocatie is in het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die wijziging van de agrarische bestemming naar de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" mogelijk maakt. De omstandigheid dat juridisch nog niet is voorzien in de sloop van de bestaande bedrijfsbebouwing is onvoldoende om hieraan te twijfelen.

2.9. De bedrijfsvoering van het agrarische bedrijf van Vroege bestaat uit een grondgebonden veehouderij en tevens uit detailhandel in kaas en andere zuivelproducten. [appellant] vreest voor verkeersoverlast door deze detailhandel.

2.9.1. Volgens het college van burgemeester en wethouders is de verkoop van eigen producten op een agrarische bouwkavel geregeld in de voorschriften van het bestemmingsplan, waar het wijzigingsplan deel van uitmaakt.

2.9.2. Ingevolge artikel 19, aanhef en onder b, van het bestemmingsplan gelezen in samenhang met artikel 20, tabel 2.1 is de verkoop van eigen producten als nevenfunctie op bouwvlakken passend/toelaatbaar. Ingevolge voorschrift 4 behorende bij tabel 2.1, voor zover hier aan de orde, is deze functie alleen toegestaan bij wijze van neventak bij duurzame volwaardige agrarische bedrijven.

2.9.3. Voor zover [appellant] betoogt dat zijn woongenot wordt aangetast door de voorziene bedrijfsverplaatsing in het bijzonder door het verkeer als gevolg van de verkoop van producten, overweegt de voorzitter dat enige vermindering van het woongenot, gelet op het feit dat de gronden waarop het wijzigingsplan ziet, thans onbebouwd zijn, niet valt uit te sluiten. Nu detailhandel als nevenfunctie, voor zover dat op grond van de planvoorschriften is toegestaan, echter een geringe omvang heeft, moet het te verwachten aantal verkeersbewegingen beperkt worden geacht. Hierbij wordt eveneens betrokken dat Vroege ter zitting heeft toegelicht dat een deel van zijn klanten per fiets of lopend komt. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de nadelige gevolgen van het verkeer zo beperkt zijn dat hieraan geen overwegende betekenis kan worden toegekend.

2.10. [appellant] stelt voorts dat het wijzigingsplan niet uitvoerbaar is, omdat dit plan niet voorziet in een ontsluitingsweg. Daarnaast is volgens hem niet zeker of een vergunning van het waterschap kan worden verleend voor het dempen van kavelsloten. Hij voert tevens aan dat het wijzigingsplan in strijd met de Wet samenhangende besluiten is vastgesteld.

2.10.1. De ontsluiting van het nieuwe agrarische bedrijf zal plaatsvinden via een nieuw aan te leggen toegangsweg die aansluit op het Westeinde, aldus de plantoelichting. Voor het aanleggen van deze weg is ingevolge artikel 22 van het bestemmingsplan een aanlegvergunning vereist. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat inmiddels een aanlegvergunning is verleend en dat [appellant] hiertegen een bezwaarschrift heeft ingediend. Ook al zou het bezwaar en eventueel het beroep gegrond blijken te zijn en de ontsluitingsweg niet via deze verleende aanlegvergunning gerealiseerd kunnen worden, dan leidt dit niet tot het oordeel dat het college van burgemeester en wethouders geen gebruik had mogen maken van de wijzigingsbevoegdheid. Daarbij acht de voorzitter van belang dat denkbaar is dat de ontsluitingsweg op een andere wijze kan worden gerealiseerd.

2.10.2. Uit de plantoelichting blijkt dat ter compensatie van het dempen van een sloot nieuw oppervlaktewater dient te worden aangelegd en dat voor het aanpassen van het bestaande watersysteem een vergunning op grond van de keur van het waterschap is vereist. Niet gebleken is dat deze vergunning niet kan worden verleend, nu met de waterbeheerder overleg is gevoerd over de voorziene bedrijfsverplaatsing.

2.10.3. Het betoog van [appellant] dat het wijzigingsplan in strijd met de Wet samenhangende besluiten tot stand is gekomen, omdat de procedures met betrekking tot de aanlegvergunning en vergunning ingevolge de keur van de waterschap en de bestemmingsplanprocedure niet gelijktijdig zijn gestart, volgt de voorzitter niet. Voor zover [appellant] hiermee doelt op artikel 3:20 van de Awb, wordt overwogen dat dit artikel alleen betekenis heeft voor situaties waarin een belanghebbende een aanvraag heeft gedaan. Hiervan is bij een wijzigingsplan geen sprake. Overigens voorziet het voormelde artikel slechts in een inspanningsverplichting voor het bestuursorgaan.

2.11. Tot slot stelt [appellant] dat bij de economische uitvoerbaarheid ten onrechte geen rekening is gehouden met eventuele planschade.

2.11.1. Bijlage 1 van de plantoelichting bevat een brief van 12 december 2007 van Van Dieijen Administratie- en belastingzaken waarin staat dat berekeningen hebben aangetoond dat de economische uitvoerbaarheid verzekerd is.

Bij de uitvoerbaarheid is geen rekening gehouden met planschadevergoeding. Blijkens de Nota van Toelichting bij het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 ligt het in de rede bij het onderzoek met betrekking tot de financiële uitvoerbaarheid van het plan aan mogelijke planschade aandacht te besteden, indien planschade op voorhand is te voorzien. [appellant] heeft weliswaar gewezen op eventuele planschade, maar hij heeft daarbij geen argumenten aangevoerd op basis waarvan ten tijde van het nemen van het bestreden besluit moet worden aangenomen dat deze schade zodanig zal zijn dat het college geen goedkeuring aan het plan had mogen verlenen.

2.12. De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het wijzigingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.13. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Kooijman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 september 2009

177-586.