Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ8885

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-09-2009
Datum publicatie
30-09-2009
Zaaknummer
200905645/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 juli 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Groningen (hierna: het college) aan [verzoekster] te [plaats] lasten onder dwangsom opgelegd wegens het in werking hebben van een inrichting in strijd met artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 7.2
Wet milieubeheer 8.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009/347 met annotatie van F.C.M.A. Michiels
JOM 2010/158
JAF 2009/89 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905645/1/M1.

Datum uitspraak: 21 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Groningen (hierna: het college) aan [verzoekster] te [plaats] lasten onder dwangsom opgelegd wegens het in werking hebben van een inrichting in strijd met artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

Tegen dit besluit heeft [verzoekster] bezwaar gemaakt.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2009, heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 september 2009, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. W. Sleijfer, advocaat te Leeuwarden, en W. Hoeksema, werkzaam bij WNP raadgevende ingenieurs, en het college, vertegenwoordigd door C.C. Gerritsen, mr. R.J.B. Caderius van Veen, H.J. Bakker, H. Brinkman en W.J.W. Snippe, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 25 maart 2008 heeft het college aan [verzoekster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor, onder meer, het verwerken van groenafval tot een hoeveelheid van 100.000 ton per jaar. Bij de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2009, in zaak nr. 200803160/1/M1 is dit besluit vernietigd. De eerder aan [verzoekster] verleende vergunning voor onder meer het verwerken van groenafval is geëxpireerd. Niet in geschil is dat in de inrichting een hoeveelheid van ongeveer 80.000 ton groenafval per jaar wordt ingenomen en verwerkt.

2.2. Het college heeft gelast de inname van groenafval in de periode van 1 augustus 2009 tot en met 1 augustus 2010 te beperken tot 35.000 ton op verbeurte van een dwangsom per ton waarmee deze hoeveelheid wordt overschreden.

Voorts heeft het college gelast het omzetten van materiaal tot het einde van de werkdag stil te leggen na door het college geverifieerde geurklachten op diezelfde dag, op verbeurte van een dwangsom per keer dat deze last niet wordt opgevolgd.

2.3. Niet in geschil is dat is gehandeld in strijd met artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de inname van groenafval tot een maximum van 35.000 ton vergunbaar is, zodat in zoverre zicht op legalisatie bestaat, en is voor het meerdere overgegaan tot partiële handhaving. Volgens het college kan, anders dan ten tijde van het besluit van 25 maart 2008 was aangenomen, geen vergunning worden verleend voor de inname van 100.000 ton groenafval. Ten eerste dient volgens het college voor de aangevraagde hoeveelheid van 100.000 ton per jaar te worden beoordeeld of een milieu-effectrapport moet worden gemaakt, volgens de procedure bedoeld in de artikelen 7.8a tot en met 7.8e van de Wet milieubeheer (hierna: de mer-beoordelingsprocedure). Nu bij de aanvraag voor een vergunning geen afschrift is gevoegd van de beslissing dat geen milieu-effectrapport hoeft te worden gemaakt, noch een milieu-effectrapport is overgelegd kan de aanvraag volgens het college niet in behandeling worden genomen, gelet op artikel 7.28, tweede lid, van de Wet milieubeheer.

Ten tweede treedt volgens het college bij de aangevraagde hoeveelheid onaanvaardbare geurhinder op. Het college baseert zich daarbij op een in zijn opdracht door PRA/Odournet B.V. (hierna: Odournet) uitgevoerd aanvullend geuronderzoek, waarvan verslag is gedaan in het rapport Geuronderzoek [verzoekster] te [plaats], van 5 juni 2009. Volgens de berekening van het college is de geurbelasting die optreedt bij verwerking van 35.000 ton groenafval aanvaardbaar.

2.5. [verzoekster] kan zich niet met de lasten verenigen. Zij voert aan dat het college in het besluit van 25 maart 2008 reeds heeft overwogen dat geen milieu-effectrapport of mer-beoordelingsprocedure vereist was.

Voorts bestrijdt [verzoekster] dat van onaanvaardbare geuroverlast sprake zal zijn. Zij onderbouwt dit betoog met een notitie van WNP raadgevende ingenieurs (hierna: WNP) van 23 juni 2009 waarin een aantal aannames van Odournet wordt betwist. Volgens [verzoekster] is er gelet daarop wel concreet zicht op legalisatie.

[verzoekster]r betoogt voorts dat zij onevenredig belemmerd wordt in haar bedrijfsvoering, nu de inname van 80.000 ton groenafval al jaren wordt gedoogd en haar contracten daarop zijn afgestemd.

2.5.1. Naar het oordeel van de voorzitter heeft het college zich, gelet op artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 2, tweede lid en bijlage D, categorie 18.2 van het Besluit milieu-effectrapportage, terecht op het standpunt gesteld dat voor het verlenen van een vergunning voor een inrichting voor het bewerken en verwerken van groenafval tot een hoeveelheid van 100.000 ton per jaar de mer-beoordelingsprocedure zal moeten worden doorlopen. Dat het college in het vernietigde besluit van 25 maart 2008 anders heeft overwogen maakt dat niet anders. Naar het oordeel van de voorzitter brengt dit echter op zich niet mee dat de aangevraagde hoeveelheid niet vergunbaar zou zijn.

2.5.2. De voorzitter overweegt dat voor een zorgvuldige beoordeling van de bestrijding van het rapport van Odournet door de notitie van WNP nader onderzoek nodig is, maar dat er, gelet op deze notitie en het verhandelde ter zitting, aanleiding is voor twijfel aan de juistheid van een deel van de uitgangspunten van Odournet. De voorzitter overweegt voorts dat de berekeningen van Odournet wijzen op een geurbelasting op een aantal woningen die hoger is dan bij het besluit van 25 maart 2008 werd aangenomen, maar niet dermate hoog dat vast staat dat ten hoogste de inname van 35.000 ton groenafval vergunbaar is.

2.5.3. De voorzitter overweegt ten aanzien van de bij het besluit betrokken belangen dat, gelet op het verhandelde ter zitting, ongeveer 55 % van de inname van groenafval door [verzoekster] geschiedt op basis van contracten, waarbij [verzoekster] is uitgegaan van de verwerking van ongeveer 80.000 ton per jaar, zoals de afgelopen jaren is gedoogd. Voorts zijn met een aantal leveranciers prijsafspraken gemaakt zonder dat de hoeveelheid af te nemen afval contractueel is vastgelegd.

De voorzitter overweegt voorts dat aannemelijk is dat geurhinder vanwege de inrichting wordt ondervonden, gelet op klachten en verzoeken om handhaving door omwonenden. Bij afweging van de betrokken belangen ziet de voorzitter aanleiding bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de maximaal te verwerken hoeveelheid groenafval per jaar wordt gesteld op 60.000 ton. Op deze wijze kan de geurbelasting vanwege het bedrijf worden gematigd, zonder de continuïteit van de bedrijfsvoering van [verzoekster] onevenredig te schaden, aangezien in ieder geval de gecontracteerde hoeveelheid groenafval zal kunnen worden ingenomen, en tenminste een deel van het afval waarover prijsafspraken bestaan.

2.6. [verzoekster] betoogt dat het verbeuren van een dwangsom na het niet stilleggen van de omzetting van materiaal onterecht is, daar de verificatie van een geurklacht niet objectief is. Het college zou geen rekening hebben gehouden met windrichting, windkracht en weersgesteldheid, de aard van de geurhinder, de invloed van overige geurhinder en de subjectieve positie van de toezichthouder.

2.6.1. De voorzitter overweegt dat het verifiëren van geurklachten impliceert dat rekening wordt gehouden met factoren als de door [verzoekster] genoemde. De voorzitter gaat ervan uit dat het college voordat het overgaat tot verificatie van klachten duidelijk zal maken op welke wijze de verificatie zal geschieden. Gelet daarop is er geen aanleiding om het besluit van het college in zoverre te schorsen.

2.7. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.8. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. treft de voorlopige voorziening dat in het dictum van het besluit van het college van gedeputeerde staten van Groningen van 21 juli 2009, kenmerk 2009-43.434, MTZ, 35.000 ton groenafval wordt gelezen als 60.000 ton, en dat deze voorziening geldt tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;

II. wijst het verzoek voor het overige af;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Groningen tot vergoeding van bij [verzoekster] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 691,89 (zegge: zeshonderdeenennegentig euro en negenentachtig cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Groningen aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Sparreboom

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 september 2009

195-539.