Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ8884

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-09-2009
Datum publicatie
30-09-2009
Zaaknummer
200906531/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 juli 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westland (hierna: het college) besloten tot toepassing van bestuursdwang ten aanzien van zaken die zijn opgeslagen op een aan [verzoeker] toebehorend, ongenummerd perceel aan het Blauwhek te Maasdijk, gemeente Westland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906531/1/M1.

Datum uitspraak: 21 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Westland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 juli 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westland (hierna: het college) besloten tot toepassing van bestuursdwang ten aanzien van zaken die zijn opgeslagen op een aan [verzoeker] toebehorend, ongenummerd perceel aan het Blauwhek te Maasdijk, gemeente Westland.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 augustus 2009, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 september 2009, waar [verzoeker], in persoon en bijgestaan door mr. M. Bouman, advocaat te Delft, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.C. van Strien, advocaat te Naaldwijk, en W.M. van der Vlis, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het college heeft zijn besluit van 29 juli 2009 onder meer gebaseerd op overtreding van de voorschriften 2.6.1 en 3.1.1 van bijlage 2 bij het Besluit glastuinbouw (hierna: het Besluit).

2.2. Ingevolge artikel 4, eerste lid van het Besluit gelden de voorschriften, opgenomen in bijlagen 1 en 2, voor een ieder die een glastuinbouwbedrijf type B drijft.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van het Besluit draagt degene die een glastuinbouwbedrijf type B drijft, er zorg voor dat de voor het betrokken glastuinbouwbedrijf geldende artikelen en voorschriften worden nageleefd.

Ingevolge voorschrift 2.6.1 van bijlage 2 bij het Besluit vindt, indien vaste mest, afgedragen gewas of gebruikt substraatmateriaal gedurende een periode van een half jaar of langer wordt opgeslagen, deze opslag plaats op een ten minste mestdichte vloer met opstaande randen of een gelijkwaardige voorziening en op ten minste 5 meter van de erfafscheiding. Uitzakkend vocht kan niet in contact treden met de bodem en het oppervlaktewater en wordt bewaard in een vloeistofdichte opslagruimte of vloeistofdichte voorziening.

Ingevolge voorschrift 3.1.1 van bijlage 2 bij het Besluit, voor zover hier van belang, wordt het glastuinbouwbedrijf regelmatig schoongemaakt. De binnen het glastuinbouwbedrijf vrijkomende afvalstoffen worden regelmatig afgevoerd.

2.3. [verzoeker] stelt zich op het standpunt dat de voorschriften uit bijlage 2 bij het Besluit glastuinbouw niet van toepassing zijn op het perceel waarop de zaken zijn opgeslagen waar het besluit van 29 juli 2009 betrekking op heeft, aangezien dat perceel volgens hem geen deel uitmaakt van zijn glastuinbouwbedrijf.

2.3.1. Ingevolge artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, worden als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

2.3.2. Uit de stukken is gebleken dat het perceel aan het Blauwhek door [verzoeker] met name wordt gebruikt voor de opslag van zowel composteerbare als niet-composteerbare zaken die afkomstig zijn uit zijn glastuinbouwbedrijf. Gezien het vorenstaande zijn tussen het perceel en de daarop plaatsvindende activiteiten enerzijds en de rest van het glastuinbouwbedrijf van [verzoeker] anderzijds zodanige functionele en organisatorische bindingen aanwezig, dat dit perceel en de daarop plaatsvindende activiteiten geacht moeten worden deel uit te maken van de inrichting. Gelet op artikel 4, eerste lid, van het Besluit heeft het college zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat de voorschriften van bijlage 2 bij het Besluit ook van toepassing zijn op dit perceel en de daarop plaatsvindende activiteiten.

2.4. Het besluit van 29 juli 2009 is onder meer gebaseerd op een controle die op 6 mei 2009 heeft plaatsgevonden. Uit het inspectierapport dat betrekking heeft op deze controle, blijkt dat op het perceel aan het Blauwhek een berg aanwezig is waarin zich onder meer composteerbare zaken bevinden als grasmaaiafval, kluiten potgrond met plantenresten (zonder pot), boomsnoeiresten, bladresten, versnipperd snoeiafval en een kerstboom. Tussen partijen is niet in geschil dat deze opslag ten tijde van het besluit van 29 juli 2009 reeds langer dan een half jaar plaatsvond. Voorts is onbestreden dat deze opslag geschiedt zonder dat de in voorschrift 2.6.1 van bijlage 2 bij het Besluit glastuinbouw bedoelde voorzieningen zijn getroffen.

De conclusie is dat is gehandeld in strijd met voorschrift 2.6.1 van bijlage 2 bij het Besluit glastuinbouw, zodat het college ter zake handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is in dit geval niet gebleken.

Gezien het vorenstaande ziet de voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van het besluit van 29 juli 2009 voor zover dat besluit ziet op overtreding van voorschrift 2.6.1 van bijlage 2 bij het Besluit.

2.5. In het besluit van 29 juli 2009 wordt voor wat betreft de vraag welke opgeslagen zaken volgens het college afvalstoffen zijn, verwezen naar eerdergenoemd inspectierapport dat is opgesteld naar aanleiding van de controle op 6 mei 2009. In dit inspectierapport zijn van de opgeslagen zaken enkel de watergeef- en druppelslangen, de stalen buizen en goten en de betonpoeren als afvalstoffen aangemerkt. De langdurige opslag van deze zaken en het derhalve niet regelmatig afvoeren daarvan levert volgens het college overtreding op van voorschrift 3.1.1 van bijlage 2 bij het Besluit. Ter zitting heeft het college toegezegd dat het met betrekking tot die zaken in ieder geval tot 1 november 2009 geen bestuursdwang zal uitoefenen, zodat partijen tot die tijd overleg kunnen plegen om tot een oplossing te komen. Hierin ziet de voorzitter aanleiding om ook in zoverre af te zien van het treffen van een voorlopige voorziening.

2.6. Gezien het vorenstaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Lap

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 september 2009

288.