Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ8324

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-09-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
200802543/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 februari 2008, nummer 1317475, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Deurne (hierna: de raad) bij besluit van 27 juni 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Projectvestiging glastuinbouw Deurne" (hierna: het plan).

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 7.7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2009/1830
JM 2009/142 met annotatie van Van Velsen
JOM 2009/763
JOM 2009/792
OGR-Updates.nl 10-12 met annotatie van Tycho Lam
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802543/1/R1.

Datum uitspraak: 23 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], allen wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [appellanten sub 4], allen wonend te [woonplaats],

5. [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],

6. [appellant sub 6], wonend te [woonplaats],

7. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2008, nummer 1317475, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Deurne (hierna: de raad) bij besluit van 27 juni 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Projectvestiging glastuinbouw Deurne" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 april 2008, [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 april 2008, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 april 2008, [appellanten sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 april 2008, [appellant sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 april 2008, [appellant sub 6] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 april 2008, en [appellant sub 7] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 april 2008, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 24 april 2008. [appellanten sub 2] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 7 mei 2008. [appellant sub 3], [appellanten sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] hebben hun beroepen aangevuld bij brieven van 14 mei 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht (hierna: het deskundigenbericht). [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 5] en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De raad heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juni 2009, waar [appellant sub 1], in persoon en bijgestaan door mr. H.U. van der Zee, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, [appellanten sub 2], in de persoon van [gemachtigde] en bijgestaan door [appellant sub 1] en G.M. Kanters, [appellant sub 5], in persoon en bijgestaan door mr. E.M. van der Molen, werkzaam bij Achmea rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.C.H.A. Tulkens, ambtenaar in dienst van de provincie, en bijgestaan door ir. G. Beentjes, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door mr. W.J. Bosma, advocaat te Breda, ing. H.P.A. Kerkers, wethouder, en mr. M. Jochem en ing. C.W.A.M. Biemans, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Tuinbouwvestiging Deurne B.V., vertegenwoordigd door drs. H.W. Rijsdijk.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Het beroep van [appellanten sub 2] is mede ingediend namens [partij A] en [partij B].

2.1.1. [partij A] en [partij B] hebben geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten door de belanghebbende die tegen het plan tijdig een zienswijze bij de raad naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht.

2.1.2. Het beroep van [appellanten sub 2], voor zover ingediend namens [partij A] en [partij B], is niet gericht tegen de onthouding van goedkeuring aan een plandeel.

2.1.3. De raad heeft het plan gewijzigd vastgesteld. De wijziging betreft, voor zover thans van belang, de toevoeging aan de planvoorschriften van artikel 3.3.2.1., sub d. Dit artikelonderdeel voorziet, teneinde lichthinder te voorkomen, in de voorwaarde dat bij toepassing van assimilatieverlichting het gebruik van afdekschermen is vereist. [partij A] en [partij B] hebben tegen het ontbreken van een dergelijke voorwaarde in het ontwerpplan geen zienswijze kenbaar gemaakt bij de raad.

Bij de gewijzigde vaststelling heeft de raad de voorwaarde opgenomen dat bij toepassing van assimilatieverlichting de zijkant en de bovenkant van de kassen door middel van het gebruik van afdekschermen tot 99,9% onderscheidenlijk 98% lichtdicht moet zijn. Tegen die wijziging hebben [partij A] en [partij B], voor zover thans van belang, bedenkingen ingebracht met de strekking dat 100% afscherming mogelijk moet zijn.

Uit de strekking van artikel 27 van de WRO vloeit voort dat het beroep van [partij A] en [partij B] slechts ontvankelijk is voor zover de bij de vaststelling aangebrachte wijzigingen voor hen nadelig zijn ten opzichte van het ontwerpplan. Nu het ontwerpplan niet voorzag in de verplichting tot het gebruik van afdekschermen en het bij de gewijzigde vaststelling van het plan opgenomen artikel 3.3.2.1., sub d, van de planvoorschriften juist een extra voorwaarde stelt teneinde lichthinder te voorkomen, doet deze situatie zich hier niet voor.

De Afdeling overweegt voorts dat niet is gebleken dat [partij A] en [partij B] redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij ter zake geen zienswijze naar voren hebben gebracht.

Het beroep van [appellanten sub 2], voor zover ingediend namens [partij A] en [partij B], is dan ook niet-ontvankelijk.

2.2. De zoon van [appellant sub 7], [zoon], heeft bedenkingen bij het college ingebracht. [appellant sub 7] heeft zelf geen bedenkingen ingebracht.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, van de WRO en artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten door de belanghebbende die tegen het plan tijdig bedenkingen heeft ingebracht bij dit college. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig bedenkingen heeft ingebracht.

Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep van [appellant sub 7] is dan ook niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

2.3. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.4. In het streekplan "Brabant in balans" (hierna: het streekplan) dat op 22 februari 2002 is vastgesteld, is een gebied met een omvang van ongeveer 1.800 hectare ten oosten van Deurne aangewezen als zoekgebied voor een projectvestiging voor glastuinbouw. In het reconstructieplan "De Peel" (hierna: het reconstructieplan) dat op 22 april 2005 door provinciale staten van Noord-Brabant is vastgesteld, is het zoekgebied voor de projectvestiging voor glastuinbouw bij Deurne nader begrensd.

Het plan voorziet in de realisering van de eerste fase van de projectvestiging voor glastuinbouw in het buitengebied ten oosten van de kern Deurne. Het voorziet daartoe in de oprichting van ongeveer 85 hectare (netto uitgeefbaar) glas. Het plangebied heeft een oppervlakte van ongeveer 150 hectare en wordt omsloten door de Langstraat (N270), de Trienenbergweg, de Wittedijk en de Kanveldweg.

2.5. Het college heeft het plan goedgekeurd behoudens het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden" ten noorden van het bestaande profiel aan de Langstraat, dat voorziet in de aanleg van een rotonde ter plaatse. Aan het desbetreffende plandeel is op verzoek van de raad goedkeuring onthouden. De raad heeft daarbij aangegeven dat besloten is de beoogde rotonde zodanig in zuidelijke richting te verschuiven dat het noordelijke fietspad langs de Langstraat gehandhaafd kan blijven.

De beroepen van [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 3], [appellanten sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] richten zich tegen het besluit van het college voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plan.

2.6. Eerst ter zitting hebben [appellanten sub 2] aangevoerd dat het plan leidt tot een verstoring van de flora en fauna in het natuurgebied De Peel. Deze beroepsgrond is niet verwoord in het beroepschrift. Met het oog op een goede procesorde dient deze beroepsgrond buiten beschouwing te worden gelaten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat [appellanten sub 2] deze beroepsgrond niet eerder in de procedure hebben kunnen aanvoeren. Deze beroepsgrond kan derhalve niet bij de beoordeling van het bestreden besluit worden betrokken.

Alternatieven (milieueffectrapport)

2.7. [appellant sub 3], [appellanten sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] betogen dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar alternatieven.

2.7.1. Ten behoeve van de vaststelling van het plan is een milieueffectrapport (hierna: MER) opgesteld.

Ingevolge artikel 7.10, eerste lid, onder b, sub 2, van de Wet milieubeheer bevat een milieueffectrapport ten minste, indien het milieueffectrapport betrekking heeft op een besluit, een beschrijving van de voorgenomen activiteit en van de wijze waarop zij zal worden uitgevoerd, alsmede van de alternatieven daarvoor die redelijkerwijs in beschouwing dienen te worden genomen, en de motivering van de keuze voor de in beschouwing genomen alternatieven.

In het MER zijn binnen het zoekgebied zoals opgenomen in het streekplan en nader begrensd in het reconstructieplan, locaties onderzocht met een omvang van ongeveer 300 hectare. Volgens het MER wordt hierdoor bij de verdere uitwerking van de inrichting van de projectvestiging de ruimte geboden om een optimale ruimtelijke inrichting te ontwikkelen, waarbij aantasting van eventuele waarden op een locatie kan worden vermeden. In het MER is verder aangegeven dat bij de selectie van potentieel geschikte locaties een aantal uitsluitende criteria is toegepast. Het gaat daarbij om gebiedsdelen waar de vestiging van glastuinbouw in ieder geval is uitgesloten, zoals steden en natuurgebieden. Vervolgens is een selectie gemaakt van locaties die potentieel in aanmerking komen voor de realisering van een grootschalig glastuinbouwgebied. Dit heeft geresulteerd in vier locaties.

Deze vier locaties zijn op verschillende milieuaspecten alsmede op haalbaarheid en tuinbouwtechniek beoordeeld. Daarbij is de locatie zoals opgenomen in het voorliggende plan als de meeste milieuvriendelijke locatie naar voren gekomen.

Gelet op de beoordeling in het MER van de voor de projectvestiging glastuinbouw kwalificerende locaties heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voldoende onderzoek is uitgevoerd naar alternatieve locaties voor de in het plan voorziene glastuinbouw.

Verkeer

2.8. [appellanten sub 2], [appellant sub 3], [appellanten sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] voeren aan dat het plan leidt tot een toename van het aantal verkeersbewegingen en dat deze toename van het verkeer, met name op de Langstraat (N270), niet afdoende kan worden opgevangen. [appellanten sub 2] wensen in dat kader mede vanwege de verkeersveiligheid parallelwegen langs de Langstraat. Verder stellen zij dat bij het berekenen van de toename van de verkeersbewegingen de extra verkeersintensiteit ten gevolge van de tuinbouwgerelateerde bedrijvigheid niet is meegenomen.

2.8.1. Het college stelt zich met de raad op het standpunt dat de externe ontsluiting van het plangebied plaatsvindt via de Nachtegaalweg op de Langstraat. Volgens het college voorziet het plan in de aanleg van een rotonde ter plaatse van de kruising Nachtegaalweg/Langstraat en in ruimte voor de eventuele aanleg van parallelwegen langs de Langstraat. Daarbij heeft het college aangegeven dat de voorgestelde verkeersmaatregelen als zodanig ook zijn opgenomen in de provinciale verkenning "Duurzaam veilige inrichting N270 wegvak Deurne-Limburgse grens".

2.8.2. Volgens de plantoelichting zal het plangebied worden ontsloten via de Nachtegaalweg die uitkomt op de Langstraat (N270).

2.8.3. In het deskundigenbericht is vermeld dat het verkeer op de Nachtegaalweg zich voornamelijk zal begeven van en naar de Langstraat en dat niet verwacht wordt dat het verkeer zich via de bestaande Nachtegaalweg in zuidelijke richting zal begeven. Volgens het deskundigenbericht zal de verkeersintensiteit op de Langstraat ten gevolge van het plan toenemen.

2.8.4. In het deskundigenbericht is voorts aangegeven dat de uitritten van de woningen van percelen langs de Langstraat direct op de weg aansluiten. Aangezien het verkeer bij het in- en uitrijden van die inritten een lage snelheid moet aannemen, leidt dat volgens het deskundigenbericht tot verkeersonveilige situaties. Volgens het deskundigenbericht laat het plan het realiseren van parallelwegen aan de zuidzijde van de Langstraat toe. De gronden waar de gewenste parallelweg aan de noordzijde van de Langstraat gerealiseerd zou moeten worden zijn in het voorliggende plan niet opgenomen.

In het deskundigenbericht is verder vermeld dat het project "Duurzaam veilig Deurne-Venray" in het Meerjarenprogramma Infrastructuur en Transport 2009-2013 is opgenomen en dat een planstudie zal worden gestart naar een duurzaam veilige inrichting van de weg.

2.8.5. Ten behoeve van het plan is door Arcadis akoestisch onderzoek verricht naar de geluidsbelasting ten gevolge van het plan. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Glastuinbouw Deurne Akoestisch Onderzoek" van 6 maart 2006. In dit rapport is uitgegaan van een verkeersaantrekkende werking van het plangebied van ongeveer 5 motorvoertuigen per etmaal per hectare (netto) glasoppervlak. Volgens het deskundigenrapport is dit geen onrealistische aanname. Dit komt, uitgaande van de 85 hectare glas die op grond van het plan gerealiseerd kan worden, neer op een verkeersaantrekkende werking van ongeveer 425 motorvoertuigen per etmaal. Vanwege aankomst en vertrek genereren deze 425 motorvoertuigen 850 motorvoertuigbewegingen per etmaal.

2.8.6. In het in zoverre niet weersproken deskundigenbericht is verder aangegeven dat, gezien het feit dat zowel ten westen als ten oosten op vrijwel gelijke afstanden van het plangebied economische centra liggen, aangenomen mag worden dat van het verkeer van en naar de projectvestiging 50% in oostelijke richting reist en 50% in westelijke richting. Dit betekent volgens het deskundigenbericht dat het plan op het oostelijke en het westelijke deel van de Langstraat ongeveer 425 motorvoertuigbewegingen per etmaal genereert. Daarbij is aangegeven dat een toename van 425 motorvoertuigbewegingen per etmaal overeenkomt met een stijging van de verkeersintensiteit van ongeveer 4% ten opzichte van de getelde verkeersintensiteit in 2007 en dat het verwerken van deze extra verkeersbewegingen, gezien het profiel en de inrichting van de Langstraat, geenszins op problemen stuit. Verder is opgemerkt dat aangezien de aansluiting van de Nachtegaalweg op de Langstraat zal plaatsvinden door middel van een rotonde, deze extra verkeersbewegingen niet hoeven te leiden tot een verslechtering van de verkeersveiligheid. De rotonde zal door het snelheidsremmende effect dat wordt bewerkstelligd, juist bijdragen aan een verbetering van de verkeersveiligheid, aldus het deskundigenbericht.

2.8.7. In hetgeen [appellanten sub 2], [appellant sub 3], [appellanten sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] hebben aangevoerd ten aanzien van de ontsluiting van de in het plangebied voorziene glastuinbouwbedrijven ziet de Afdeling geen aanleiding om aan de in 2.8.6. genoemde conclusies in het deskundigenbericht te twijfelen. In dat verband overweegt de Afdeling dat de aanname van een verkeersaantrekkende werking van het plan van ongeveer 5 motorvoertuigen per etmaal per hectare (netto) glasoppervlak volgens het deskundigenbericht niet onrealistisch is en dat, anders dan [appellanten sub 2] betogen, niet is gebleken dat in deze aanname geen rekening is gehouden met de te verwachten verkeersintensiteit ten gevolge van de in het plan voorziene tuinbouwgerelateerde bedrijvigheid. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verkeersgevolgen van de ontsluiting van het plangebied opgevangen kunnen worden. Daarbij heeft het college terecht in aanmerking genomen dat het plan voorziet in de mogelijkheid van het realiseren van een parallelweg aan de zuidzijde van de Langstraat. Voorts heeft het daarbij kunnen betrekken dat een planstudie zal worden gestart naar een duurzaam veilige inrichting van de weg.

Geluid

2.9. [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 5] vrezen geluidsoverlast ten gevolge van het extra wegverkeer op de Langstraat. [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] betogen in dat kader dat de onderzoeken naar de geluidstoename ten gevolge van het wegverkeer als onvoldoende moeten worden aangemerkt. Daartoe voeren zij aan dat bij deze onderzoeken is uitgegaan van verouderde invoergegevens. Zij verwijzen daarbij naar de huidige hoge verkeersintensiteiten op de Langstraat. Volgens hen is daarnaast geen rekening is gehouden met de reflectie van het verkeersgeluid op de tuinbouwkassen. [appellanten sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 5] betwijfelen voorts of rekening is gehouden met afremmend en optrekkend verkeer bij de in het plan voorziene rotonde ter hoogte van de kruising Langstraat/Nachtegaalweg. Volgens [appellanten sub 2] moet de aanleg van de rotonde voorts worden aangemerkt als een reconstructie van een weg in de zin van de Wet geluidhinder (hierna Wgh).

2.9.1. Het college stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een reconstructie in de zin van de Wgh. Het college verwijst daarbij naar het rapport "Glastuinbouw Deurne Akoestisch Onderzoek" van Arcadis van 18 februari 2008 (hierna: het nieuwe geluidsrapport). In dit rapport is uitgegaan van een verschuiving van de rotonde naar een plaats enkele meters ten zuiden van de oorspronkelijk beoogde plaats. In het nieuwe geluidsrapport is volgens het college uitgegaan van verkeersgegevens die eerder te hoog zijn dan te laag.

2.9.2. Ingevolge artikel 1 van de Wgh wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder reconstructie van een weg: een of meer wijzigingen op of aan een aanwezige weg ten gevolge waarvan uit akoestisch onderzoek als bedoeld in artikel 77, eerste lid, onder a, en artikel 77, derde lid, blijkt dat de berekende geluidsbelasting vanwege de weg in het toekomstig maatgevende jaar zonder het treffen van maatregelen ten opzichte van de geluidsbelasting die op grond van artikel 100 dan wel het bepaalde krachtens artikel 100b, aanhef en onder a, als de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting geldt met 2 dB of meer wordt verhoogd.

Ingevolge artikel 99, eerste lid, wordt tot reconstructie van een weg, indien binnen de aanwezige of toekomstige zone van die weg woningen, andere gebouwen dan woningen of andere geluidsgevoelige objecten aanwezig, in aanbouw of geprojecteerd zijn, niet overgegaan dan in overeenstemming met een bestemmingsplan of een besluit tot vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO dat in de reconstructie voorziet dan wel met een besluit van het college van burgemeester en wethouders, met overeenkomstige toepassing van artikel 81 genomen naar aanleiding van een door de wegbeheerder aan het college van burgemeester en wethouders gedane mededeling van zijn voornemen en na een met overeenkomstige toepassing van artikel 80 ingesteld onderzoek.

Ingevolge artikel 99, derde lid, worden bij het nemen van een besluit als bedoeld in het eerste lid de waarden die ingevolge de artikelen 100, 100a en 100b als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt, in acht genomen.

2.9.3. Het plan voorziet in (een) wijziging(en) op of aan een aanwezige weg, namelijk het verleggen van de Nachtegaalweg in westelijke richting en het aanbrengen van een rotonde ter plaatse van de kruising Nachtegaalweg/Langstraat.

2.9.4. In het kader van de vaststelling van het plan is onderzoek gedaan naar de gevolgen van het plan voor de geluidsbelasting. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Glastuinbouw Deurne Akoestisch Onderzoek" van Arcadis van 6 maart 2006. In dit rapport wordt gerefereerd aan de Wgh, zoals deze voor 1 januari 2007 luidde. In het rapport is uitgegaan van de aanleg van de rotonde op de oorspronkelijk gedachte plaats, enkele meters noordelijk van de thans beoogde plaats. In dit rapport is voorts uitgegaan van een maximumsnelheid op de Langstraat in 2016 van 80 kilometer per uur. Volgens dit rapport bedraagt de grootste geluidstoename 3,05 dB(A). In het rapport is aangegeven dat door een verlaging van de maximumsnelheid op de Langstraat tot minder dan 70 kilometer per uur, ingevolge artikel 103 van de toentertijd geldende Wgh, een aftrek van 5 dB(A) kan worden toegepast waardoor geen sprake meer zal zijn van een reconstructie.

2.9.5. Ten behoeve van de aanleg van de rotonde op de thans voorziene plaats is op verzoek van het college een nieuw onderzoek verricht naar de geluidsbelasting ten gevolge van het plan. Daarbij is getoetst aan de Wgh zoals deze sinds 1 januari 2007 luidt. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in het in 2.9.1. genoemde nieuwe geluidsrapport.

In dit rapport is vermeld dat ten behoeve van de bepaling of sprake is van een reconstructie als gevolg van de aanleg van de rotonde geen geluidsberekeningen zijn uitgevoerd, maar is gekeken naar de bronvermogens tijdens de verschillende periodes en de ligging van de nieuw aan te leggen rotonde. In het nieuwe geluidsrapport is geconcludeerd dat het bronvermogen van het verkeer op de rotonde in de Langstraat niet met 2 dB of meer zal toenemen. Aangezien de rotonde ook nog iets verder van de woningen komt te liggen dan in het akoestisch onderzoek van 6 maart 2006 was aangenomen, kan volgens Arcadis verwacht worden dat er op de gevels van de nabijgelegen woningen geen toename van geluid zal plaatsvinden van 2 dB of meer. Volgens dit rapport is er dan ook geen sprake van een reconstructie in de zin van de Wgh.

2.9.6. De raad heeft in zijn zienswijze op het deskundigenbericht, onder verwijzing naar een memo van Arcadis, nog geluidsberekeningen ten behoeve van de aanleg van de rotonde op de thans voorziene plaats overgelegd. Ook volgens deze berekeningen leidt de rotonde niet tot een geluidstoename op de nabijgelegen woningen van 2 dB of meer. Volgens deze memo is ter plaatse van de rotonde als snelheid 50 kilometer per uur ingevoerd. Voorts is aangegeven dat op de berekende geluidsbelastingen voor de Langstraat en de rotonde krachtens artikel 110g van de Wgh een aftrek van 2 dB is toegepast en dat in de geluidsberekeningen een obstakeltoeslag is toegepast vanwege het afremmende en optrekkende verkeer bij de rotonde.

2.9.7. De raad heeft in de schriftelijke uiteenzetting aangegeven dat bij de akoestische onderzoeken gebruik is gemaakt van het regionale verkeersmodel van het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven (hierna: SRE). Daarbij is aangegeven dat het in het kader van dit type studies gebruikelijk is om te werken met een verkeersmodel teneinde zicht te krijgen op de te verwachten toekomstige verkeersintensiteiten en dat in het model naast de autonome ontwikkeling van het verkeer ook allerlei ruimtelijke, infrastructurele, demografische en economische ontwikkelingen worden meegenomen. Alleen een extrapolatie van de huidige intensiteiten naar de toekomst zou een vertekend beeld geven, aldus de raad.

2.9.8. In het deskundigenbericht is aangegeven dat in het nieuwe geluidsrapport gebruik is gemaakt van dezelfde invoergegevens als die zijn gebruikt ten behoeve van het eerder uitgevoerde akoestische onderzoek van 6 maart 2006, waarbij nog uitgegaan werd van een meer noordelijk gelegen rotonde.

In het deskundigenbericht is voorts aangegeven dat uit provinciale verkeerstellingen op de Langstraat blijkt dat de in de akoestische onderzoeken aangenomen verkeersintensiteit van 14.710 motorvoertuigen per etmaal in 2005 te hoog is bepaald. Uit de provinciale verkeerstellingen blijkt dat op werkdagen in het jaar 2005 de Langstraat een verkeersintensiteit van 10.802 motorvoertuigen per etmaal kende. Volgens het deskundigenbericht is de geluidsbelasting voor het jaar 2016 berekend op 16.603 motorvoertuigen per etmaal, door bij de aangenomen 14.710 motorvoertuigen per etmaal in 2005 de in 2.8.5. genoemde 850 extra verkeersbewegingen ten gevolge van de projectvestiging en de autonome groei van het verkeer op te tellen. Daarbij is aangegeven dat de autonome groei van het verkeer op de Langstraat in het SRE-model is gesteld op gemiddeld 0,85% per jaar.

Ter zitting is door de raad gesteld dat tellingen met name plaatsvinden om het verkeersmodel te toetsen. Daarbij is aangegeven dat weliswaar naar aanleiding van de verkeerstellingen in 2005 verschillen zijn geconstateerd tussen de berekende en de feitelijke verkeersintensiteiten, maar dat de raad in de omstandigheid dat in dat jaar lagere intensiteiten zijn geteld geen aanleiding heeft gezien om van de met het model berekende intensiteiten af te wijken en dat de raad de uitgangspunten van het model nog steeds onderschrijft. Door de raad is ter zitting voorts bevestigd dat bij de nader overgelegde geluidsberekeningen van dezelfde verkeersintensiteiten is uitgegaan als in de eerdere onderzoeken.

2.9.9. In de schriftelijke uiteenzetting heeft de raad verder aangegeven dat de geluidsberekeningen zijn uitgevoerd met toepassing van Standaardrekenmethode II, zoals omschreven in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 (hierna: het Reken- en meetvoorschrift). Volgens de raad is in de geluidsberekeningen overeenkomstig het bepaalde in het Reken- en meetvoorschrift rekening gehouden met de weerkaatsing van het geluid op de tuinbouwkassen.

2.9.10. In hetgeen [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 5] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet kon uitgaan van de in de akoestische onderzoeken gehanteerde verkeersintensiteiten. In dat verband overweegt de Afdeling dat de geluidsonderzoeken zijn uitgevoerd met verkeersintensiteiten die eerder te hoog dan te laag zijn berekend. Voor zover [appellanten sub 2] en [appellant sub 5] naar aanleiding van het deskundigenbericht betogen dat de geluidsbelasting in 2016 verhoudingsgewijs meer zal toenemen dan berekend, aangezien in 2005 feitelijk lagere verkeersintensiteiten zijn geteld, wordt overwogen dat daarmee niet aannemelijk is gemaakt dat dit, indien van de getelde intensiteiten zou zijn uitgegaan, tot andere uitkomsten zou leiden, aangezien in dat geval voor het jaar 2016 een lagere autonome groei zou zijn berekend.

Voorts wordt overwogen dat volgens de raad in de geluidsonderzoeken, overeenkomstig het bepaalde in het Reken- en meetvoorschrift, rekening is gehouden met de weerkaatsing van het geluid op de tuinbouwkassen alsmede dat bij de nader overgelegde geluidsberekeningen een obstakeltoeslag is toegepast vanwege het afremmende en optrekkende verkeer. [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 5] hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt onjuist is.

Nu volgens het nieuwe geluidsrapport op gevels van de nabij de rotonde gelegen woningen geen geluidstoename van 2 dB of meer zal plaatsvinden en voorts de bij de zienswijze op het deskundigenbericht overgelegde geluidsberekeningen deze conclusie bevestigen, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een reconstructie in de zin van de Wgh. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 5] niet aannemelijk hebben gemaakt dat het nieuwe geluidsrapport, gelezen in samenhang met de nadien overgelegde geluidsberekeningen, zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat het college zich bij het nemen van zijn besluit hierop niet had mogen baseren.

Luchtkwaliteit

2.10. [appellant sub 1] betoogt verder dat het plan niet voldoet aan het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: Blk 2005). Daartoe voert hij aan dat bij het onderzoek naar de luchtkwaliteit is uitgegaan van verouderde gegevens en dat uit de thans gehanteerde gegevens reeds blijkt dat de uitvoering van het plan leidt tot een hoge concentratie zwevende deeltjes (PM10). Volgens [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] is in het onderzoek naar de luchtkwaliteit bovendien geen rekening gehouden met de mogelijkheid in het plangebied warmtekrachtkoppelstations op te richten.

2.10.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het plan voldoet aan het Blk 2005 en dat in het onderzoek naar de luchtkwaliteit is uitgegaan van verkeersgegevens die eerder te hoog zijn dan te laag.

2.10.2. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005, voor zover hier van belang, nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in dit besluit genoemde grenswaarden voor onder meer stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10) in acht.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, onder b, geldt voor stikstofdioxide (NO2) een grenswaarde van 40 microgram per m³ als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010, en een grenswaarde van 200 microgram per m³ als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

Ingevolge artikel 20 geldt voor zwevende deeltjes (PM10) een grenswaarde van 50 microgram per m³ als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden, en een grenswaarde van 40 microgram per m³ als jaargemiddelde concentratie.

Ingevolge artikel 7, derde lid, sub a, kunnen bestuursorganen de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van dat lid mede uitoefenen indien de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft.

2.10.3. Ingevolge artikel 3.1., sub a, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Projectvestiging glastuinbouw" aangewezen gronden bestemd voor glastuinbouwbedrijven met bijbehorende bedrijfsbebouwing. In het deskundigenbericht is terzake aangegeven dat een warmtekrachtkoppelstation tegenwoordig een zeer gebruikelijke installatie is bij een glastuinbouwbedrijf.

Ingevolge artikel 3.3.2.4, sub b, gelezen in samenhang met artikel 3.2.6., zijn op de gronden met de bestemming "Projectvestiging glastuinbouw" en de subbestemming "Tuinbouwgerelateerde bedrijvigheid" tuinbouwgerelateerde bedrijven toegestaan met dien verstande dat energievoorziening ten behoeve van de tuinbouwbedrijven daaronder wordt begrepen.

2.10.4. In het kader van de vaststelling van het plan is door Arcadis onderzoek gedaan naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport "Luchtonderzoek glastuinbouw Deurne" van 3 maart 2006.

Volgens het rapport worden in 2010 en 2015 de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) niet overschreden. In dit rapport is voorts aangegeven dat in 2010 en 2015 de concentratie zwevende deeltjes (PM10) meer dan 35 dagen de grenswaarde van 50 microgram per m³ als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie overschrijdt. Volgens het rapport zijn deze overschrijdingen te wijten aan de hoge achtergrondconcentratie zwevende deeltjes in de regio. Volgens het rapport is het aantal overschrijdingsdagen na realisatie van de projectvestiging echter gelijk aan het aantal overschrijdingsdagen in de autonome situatie en nemen de overschrijdingen niet verder toe door het plan.

2.10.5. Volgens het deskundigenbericht is in het rapport van Arcadis uitgegaan van dezelfde verkeersintensiteiten op de Langstraat als die ook in het geluidsrapport zijn gebruikt, met dien verstande dat de gevolgen voor de luchtkwaliteit zijn berekend voor de jaren 2010 en 2015 en de gevolgen van het plan voor de geluidsbelasting zijn berekend voor het jaar 2016.

In het deskundigenbericht is voorts aangegeven dat in het luchtkwaliteitsonderzoek geen rekening is gehouden met de mogelijkheid om bij de tuinbouwbedrijven warmtekrachtkoppelstations op te richten. Volgens het deskundigenbericht kan als gevolg van de uitstoot van die warmtekrachtkoppelstations de luchtkwaliteit ter plaatse verder verslechteren.

2.10.6. Vast staat dat in het plangebied warmtekrachtkoppelstations kunnen worden opgericht. Nu in het luchtkwaliteitsonderzoek geen rekening is gehouden met de uitstoot van warmtekrachtkoppelstations en het onderzoek zodoende onvolledig moet worden geacht, heeft het college zich bij het nemen van het bestreden besluit niet mogen baseren op het luchtkwaliteitsrapport.

2.10.7. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dit betreft de verlening van goedkeuring aan het plan, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Deze beroepsgrond van [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] slaagt.

Lichthinder

2.11. [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 3], [appellanten sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] vrezen voorts lichthinder ten gevolge van de assimilatiebelichting in de kassen. [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 5] betogen in dat kader dat het plan niet in afdoende waarborgen voorziet ter voorkoming van lichthinder. Volgens [appellanten sub 2] zou het plan moeten voorzien in de verplichting de assimilatiebelichting tot 100% af te schermen. [appellanten sub 2] en [appellant sub 5] vragen zich voorts af hoe kan worden gegarandeerd dat uitsluitend wordt geventileerd met gedoofde verlichting.

2.11.1. Het college stelt zich met de raad op het standpunt dat in het kader van het plan maatregelen worden genomen die lichtuitstraling naar de omgeving tot een minimum beperken. Deze maatregelen bestaan volgens het college uit de verplichting de zijkant en de bovenkant van de kassen tot 99,9% onderscheidenlijk 98% lichtdicht te maken. Deze verplichting is in de planvoorschriften opgenomen en zal ook privaatrechtelijk worden vastgelegd, aldus het college.

2.11.2. In artikel 3.3.2.1., sub d, van de planvoorschriften is bepaald dat vanwege de externe werking bij toepassing van assimilatiebelichting het gebruik van afdekschermen is vereist. Hierbij dient de zijafscherming te bestaan uit materiaal dat zorgt voor een afscherming van ten minste 99,9% en de bovenafscherming dient te bestaan uit materiaal dat zorgt voor een afscherming van ten minste 98%.

2.11.3. In de plantoelichting is aangegeven dat indien om praktische redenen, bijvoorbeeld in verband met het regelen van de luchtvochtigheid in de kas, het bovenscherm geopend moet worden, dat alleen mag plaatsvinden als het licht in de kas gedoofd is. Volgens de plantoelichting zal nooit meer dan 2% van het licht via het bovendek mogen uittreden en zal het gemeentebestuur daar ook op handhaven.

2.11.4. In de zienswijzenota is door de raad aangegeven dat de voorgeschreven mate van lichtafscherming technisch maximaal haalbaar is en dat ook in de praktijk de daarvoor noodzakelijke schermen reeds worden toegepast. Voorts is vermeld dat met de in artikel 3.3.2.1., sub d, van de planvoorschriften opgenomen normen verder wordt gegaan dan het lichtconvenant dat de Stichting Natuur en Milieu en LTO Glaskracht Nederland hebben afgesloten.

2.11.5. In het kader van het Plan van Aanpak lichtemissie (hierna: Plan van Aanpak) van 2 november 2006 hebben de Stichting Natuur en Milieu en LTO Glaskracht Nederland afspraken gemaakt over de verdere invulling van het Plan van Aanpak. In die afspraken is onder meer vastgelegd dat alle bedrijven die vanaf 1 januari 2008 gaan belichten, een "minimaal 95%-scherm" installeren. In de afspraken is verder vastgelegd dat de donkerteperiode (licht uit of 95%-afscherming) in de winter (november t/m maart) van 18.00 tot 24.00 uur duurt en in het voor- en naseizoen (april, september en oktober) van 20.00 tot 02.00 uur. Bedrijven die vanaf 1 januari 2014 gaan belichten dienen een nagenoeg 100%-scherm te installeren waarbij in de donkerteperiode (licht uit of scherm volledig dicht) het afschermingsdoek minimaal een 98%-afschermingsniveau moet hebben.

2.11.6. In het Besluit glastuinbouw is in voorschrift 1.5.1. van bijlage 2 gesteld dat de gevel van een permanente opstand waarin assimilatiebelichting wordt toegepast op een zodanige wijze afgeschermd moet zijn dat de lichtuitstraling op een afstand van ten hoogste 10 meter van die gevel met ten minste 95% wordt gereduceerd en dat de lampen buiten de inrichting niet zichtbaar mogen zijn.

In voorschrift 1.5.5. van bijlage 2 is voorts bepaald dat van 1 september tot 1 mei de toepassing van assimilatiebelichting van 20.00 tot 24.00 uur niet is toegestaan, tenzij de bovenzijde van de permanente opstand waarin assimilatiebelichting wordt toegepast op een zodanige wijze wordt afgeschermd dat de lichtuitstraling met ten minste 85% en ten hoogste 95% wordt gereduceerd.

2.11.7. Niet kan worden uitgesloten dat de in het plan voorziene glastuinbouw zal leiden tot enige lichtuitstraling in de omgeving. Het college heeft zich evenwel in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de lichtuitstraling niet zodanig ernstig is dat hieraan zwaarwegende betekenis toekomt. In dat verband overweegt de Afdeling dat het plan in artikel 3.3.2.1., sub d, van de planvoorschriften in waarborgen voorziet ter voorkoming van lichthinder en dat het desbetreffende artikelonderdeel terzake strenger is dan de afspraken in het kader van het Plan van Aanpak en de voorschriften behorende bij het Besluit glastuinbouw.

2.11.8. Voor zover [appellanten sub 2] en [appellant sub 5] een garantie wensen dat zal worden opgetreden tegen overtreding van artikel 3.3.2.1. sub d, van de planvoorschriften, wordt overwogen dat dit een handhavingsaspect betreft dat buiten het toetsingskader van de bestemmingsplanprocedure valt.

Aantasting woongenot

2.12. [appellant sub 3], [appellanten sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] betogen voorts dat het plan hun privacy en uitzicht aantast. [appellanten sub 2] betogen dat het plan leidt tot een onevenredige aantasting van de omgeving.

2.12.1. De gronden waarop de glastuinbouw is voorzien hebben thans een agrarische functie. [appellant sub 3], [appellanten sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] wonen op een afstand van 90 tot 300 meter tot de gronden met de bestemming "Projectvestiging glastuinbouw".

Ingevolge artikel 3.1., sub a en b, van de planvoorschriften mogen op de gronden met de bestemming "Projectvestiging glastuinbouw" glastuinbouwbedrijven met bijbehorende bedrijfsbebouwing en, voor zover is voorzien in een daartoestrekkende aanduiding, dienstwoningen worden gebouwd.

Ingevolge artikel 3.3.2.1., sub b, mogen de goothoogte en de nokhoogte van de ter plaatse toegestane kassen niet meer bedragen dan 8 meter onderscheidenlijk 12 meter. Ingevolge de artikelen 3.3.2.2., sub b, en 3.3.2.3, sub d, mag de nokhoogte van bedrijfsgebouwen en dienstwoningen niet meer dan 12 onderscheidenlijk 10 meter bedragen.

2.12.2. In het plan is aan een ongeveer 20 meter brede strook gronden ten noorden en ten oosten van de bestemming "Projectvestiging glastuinbouw", waar de omliggende woningen dichter bij de gronden met die bestemming zijn gelegen dan de woningen ten westen en ten zuiden daarvan, de bestemming "Groene ruimte" toegekend.

Ingevolge artikel 7 van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor groenvoorzieningen, landschappelijke inpassing alsmede voor openbare nutsvoorzieningen.

2.12.3. Niet kan worden ontkend dat de bebouwing op het glastuinbouwgebied en het gebruik daarvan voor [appellant sub 3], [appellanten sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] van invloed zullen zijn op hun uitzicht en privacy en dat het plan van invloed zal zijn op de omgeving. Gelet op de ter plaatse toegestane bouwhoogten en de afstanden tussen de in het plan voorziene bebouwing en de woningen van [appellant sub 3], [appellanten sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5], alsmede gelet op de in het plan opgenomen groenvoorziening ten noorden en ten oosten van de bestemming "Projectvestiging glastuinbouw", heeft het college zich evenwel in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de invloed van het plan op uitzicht, privacy en open landschap niet zodanig ernstig is dat hierdoor een onaanvaardbare situatie zou ontstaan. Daarbij heeft het college in aanmerking kunnen nemen dat in zijn algemeenheid geen recht op een blijvend vrij uitzicht bestaat.

Waardevermindering

2.13. [appellant sub 3], [appellanten sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] stellen verder dat het plan leidt tot een waardevermindering van hun eigendommen. Volgens hen heeft het plan een dermate waardeverminderend effect op hun eigendommen dat voor de financiële haalbaarheid van het plan moet worden gevreesd.

2.13.1. In de plantoelichting is aangegeven dat een grondexploitatie is opgesteld waaruit blijkt dat het plan financieel-economisch uitvoerbaar is. Volgens de plantoelichting zijn in deze grondexploitatie de kosten voor grondverwerving, bouw- en glasrijpmaken en planontwikkeling meegenomen.

Ter zitting heeft de raad bevestigd dat in de grondexploitatie ook planschadekosten zijn verdisconteerd en voorts aangegeven dat eventuele planschade zal worden vergoed.

Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 3], [appellanten sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan voldoende is gewaarborgd.

Waterhuishouding

2.14. [appellanten sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 5] vrezen dat als gevolg van de vestiging van glastuinbouwbedrijven in het plangebied het grondwaterpeil ter plaatse van nabijgelegen agrarische gronden zal dalen en dat een beregeningsverbod zal gaan gelden.

2.14.1. Het college stelt zich met de raad op het standpunt dat uit de geohydrologische systeemanalyse blijkt dat de planontwikkeling geen nadelige invloed op de grondwaterstand in de omgeving heeft.

2.14.2. Door het Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen TNO is een geohydrologische systeemanalyse uitgevoerd naar de gevolgen van de projectvestiging glastuinbouw. De resultaten daarvan zijn weergegeven in het rapport "Geohydrologische systeemanalyse Projectvestiging glastuinbouw Deurne e.o." (hierna: de systeemanalyse) van 31 augustus 2005.

2.14.3. In het deskundigenbericht is aangegeven dat op grond van de systeemanalyse, waarbij de ruimtelijke relaties in en om het plangebied zijn onderzocht, het breukensysteem is geanalyseerd en de bodemopbouw en de grondwaterstanden zijn beschreven, een model is ontwikkeld waarmee veranderingen in het hydrologische systeem kwantitatief kunnen worden voorspeld. Volgens het deskundigenbericht zijn met het model drie scenario’s doorgerekend en is op grond van de resultaten daarvan een principeplan voor de waterhuishouding opgesteld. Dit principeplan is beschreven in het door Arcadis opgestelde rapport "Principeplan waterhuishouding/waterparagraaf projectvestiging glastuinbouw Deurne" (hierna: het principeplan). In het principeplan is aangegeven hoe het watersysteem vorm gegeven dient te worden om het plangebied hydrologisch neutraal te kunnen inrichten.

2.14.4. Volgens het deskundigenbericht zijn in het plan, overeenkomstig het principeplan, gronden bestemd voor infiltratie, retentie en gietwaterbassins en kan het plan aldus als hydrologisch neutraal worden aangemerkt. Volgens het deskundigenbericht betekent dit dat het plan niet leidt tot een verlaging van de grondwaterstand in de omgeving en dat het plan geen gevolgen heeft voor de beregeningsmogelijkheden van agrariërs.

2.14.5. In hetgeen [appellanten sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 5] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan geen nadelige invloed op de grondwaterstand in de omgeving heeft. In dat verband overweegt de Afdeling dat onderzoek is gedaan naar de gevolgen van het plan op de waterhuishouding en dat in het plan, overeenkomstig het principeplan, gronden zijn bestemd voor infiltratie, retentie en gietwaterbassins. Niet aannemelijk is gemaakt dat aan de systeemanalyse en het principeplan zodanige gebreken kleven of dat deze zodanige leemten in kennis bevatten dat de raad en het college deze documenten niet bij de besluitvorming hadden mogen betrekken.

2.15. [appellant sub 1] voert aan dat de beoogde afwatering in het plangebied, zoals aangegeven op dwarsprofiel 4 op de plankaart, niet mogelijk is omdat de watergang hoger ligt dan de gronden in het plangebied waarop kassen gebouwd kunnen worden. [appellant sub 1] betoogt bovendien dat, anders dan op dwarsprofiel 4 op de plankaart is aangegeven, ter plaatse van de infiltratiezone geen bomenweide is toegestaan.

2.15.1. Op dwarsprofiel 4 van de plankaart is parallel aan de Langstraat een watergang ingetekend. Naast de watergang is een talud met bomen met daarnaast een retentie- en infiltratiezone ingetekend.

2.15.2. In het deskundigenbericht is aangegeven dat de gronden ten zuiden van de Langstraat aanzienlijk lager liggen dan het wegdek van de Langstraat. In het deskundigenbericht is verder aangegeven dat in de systeemanalyse en het principeplan rekening is gehouden met de huidige lagere ligging van de gronden waarop kassen kunnen worden gebouwd en dat ten behoeve van het bouwrijp maken van de gronden de lager gelegen delen opgehoogd worden. Volgens het deskundigenbericht is het aldus mogelijk dat de situatie zoals weergegeven in dwarsprofiel 4 gerealiseerd wordt.

2.15.3. Nu, anders dan [appellant sub 1] betoogt, op dwarsprofiel 4 de bomen niet in de retentie- en infiltratiezone zijn ingetekend maar op het talud daarnaast en voorts in het deskundigenbericht is aangegeven dat de lager gelegen delen opgehoogd worden, heeft het college zich terecht op het standpunt kunnen stellen dat de afwatering zoals weergegeven in dwarsprofiel 4 gerealiseerd kan worden.

Uitbreidingsmogelijkheden [appellant sub 5]

2.16. [appellant sub 5] betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding "dienstwoningen (DW)". Daartoe voert hij aan dat deze aanduiding tot een beperking van de uitbreidingsmogelijkheden van zijn veehouderij leidt omdat de dienstwoningen binnen de stankcirkel van zijn bedrijf zouden kunnen komen te liggen.

2.16.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de geurgevoelige dienstwoningen die in het centrum van het plangebied zijn gesitueerd ruim buiten de bestaande geurcontour van het bedrijf van [appellant sub 5] zijn gelegen. Volgens het college leidt de mogelijkheid tot het oprichten van dienstwoningen niet tot een beperking van de uitbreidingsmogelijkheden van [appellant sub 5].

2.16.2. In het plan is aan gronden in het midden van het plangebied de bestemming "Projectvestiging glastuinbouw" met de nadere aanduiding "dienstwoningen (DW)" toegekend. Ingevolge artikel 3.1., sub b, van de planvoorschriften zijn op gronden met de bestemming "Projectvestiging glastuinbouw" met deze aanduiding dienstwoningen toegestaan.

2.16.3. In het deskundigenbericht is aangegeven dat [appellant sub 5] op het perceel [locatie] woont, op ruime afstand van het plangebied. Volgens het deskundigenbericht heeft [appellant sub 5] ter plaatse een varkenshouderij en beschikt hij ook over stallen aan de Langstraat, op een afstand van ongeveer 100 meter ten westen van het plangebied.

In het deskundigenbericht is tevens aangegeven dat de afstand van de stallen van [appellant sub 5] aan de Langstraat tot de gronden in het plangebied waar dienstwoningen kunnen worden opgericht, ongeveer één kilometer bedraagt.

In het deskundigenbericht is verder vermeld dat op een afstand van minder dan één kilometer van de stallen van [appellant sub 5] meerdere geurgevoelige objecten zijn gelegen.

2.16.4. Door de Milieudienst van het SRE is onderzoek gedaan naar de gevolgen van het glastuinbouwproject voor de omliggende agrarische bedrijven. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in de notitie "Projectvestiging glastuinbouw en geurhinder van omliggende veehouderijen" van 24 januari 2008. Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat de geurcirkel van de stallen van [appellant sub 5] aan de Langstraat niet tot in het plangebied reikt.

2.16.5. Niet in geschil is dat een dienstwoning als geurgevoelig object in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) kan worden aangemerkt.

Nu de geurcirkel van het bedrijf van [appellant sub 5] niet tot in het plangebied reikt en in de directe omgeving van het bedrijf van [appellant sub 5] reeds meerdere geurgevoelige objecten aanwezig zijn, is niet aannemelijk gemaakt dat [appellant sub 5] door de in het plan voorziene dienstwoningen in zijn uitbreidingsmogelijkheden zal worden beperkt. Het college heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in het plan voorziene dienstwoningen niet leiden tot een beperking van de uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf van [appellant sub 5].

Tuinbouwgerelateerde bedrijvigheid

2.17. [appellanten sub 2] stellen in beroep dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding "tuinbouwgerelateerde bedrijvigheid". Daartoe voeren zij aan dat hiermee een biovergistingsinstallatie mogelijk wordt gemaakt. Vanwege de geluids- en stankoverlast die een dergelijke installatie veroorzaakt en vanwege logistieke aspecten, achten zij een locatie voor deze installatie centraal in het plangebied meer op zijn plaats.

2.17.1. Het college stelt zich met de raad op het standpunt dat het plandeel met de aanduiding "tuinbouwgerelateerde bedrijvigheid" dicht bij de hoofdontsluiting van het plangebied is gesitueerd om redenen van verkaveling en vervoersbewegingen.

2.17.2. In de zienswijzenota heeft de raad voorts aangegeven dat, als er een biovergistingsinstallatie zal komen, deze aan de zuidzijde van het desbetreffende plandeel zal worden gesitueerd. Volgens de raad zullen bovendien bij de vergunningverlening de effecten op de omgeving worden betrokken.

2.17.3. In het plan is aan gronden in het noordoosten van het plangebied de bestemming "Projectvestiging glastuinbouw" met de aanduiding "tuinbouwgerelateerde bedrijvigheid" toegekend.

Ingevolge artikel 3.2.6. van de planvoorschriften is op gronden met deze aanduiding bedrijvigheid alleen toegestaan voor zover het tuinbouwgerelateerde bedrijven betreft.

Ingevolge artikel 1, sub 33, wordt onder "tuinbouwgerelateerde bedrijvigheid", voor zover thans van belang, verstaan een bedrijfsmatige activiteit die een relatie heeft met één of meerdere glastuinbouwbedrijven op de projectvestiging en die gericht is op het verlenen van diensten aan glastuinbouwbedrijven (…) en/of het opwekken of leveren van energie aan glastuinbouwbedrijven (…).

2.17.4. In de plantoelichting is aangegeven dat binnen de aanduiding "tuinbouwgerelateerde bedrijvigheid" onder meer ruimte is gereserveerd voor een vergistingsinstallatie.

2.17.5. Op het noordelijke en het zuidelijke deel van het desbetreffende plandeel is op de plankaart voorts de aanduiding "I/II" onderscheidenlijk "I/II/III" ingetekend.

2.17.6. In artikel 3.3.2.4., sub a, van de planvoorschriften is bepaald dat tuinbouwgerelateerde bedrijven zijn toegestaan met dien verstande dat voor zover de gronden zijn aangeduid met de aanduiding "I/II", uitsluitend bedrijven in milieucategorie 1 t/m 2 zijn toegestaan dan wel daarmee vergelijkbare bedrijven en voor zover de gronden zijn aangeduid met de aanduiding "I/II/III", uitsluitend bedrijven in milieucategorie 1 t/m 3 zijn toegestaan dan wel daarmee vergelijkbare bedrijven.

2.17.7. De Afdeling stelt vast dat in artikel 3.3.2.4. van de planvoorschriften noch in een ander voorschrift wordt verwezen naar een staat van bedrijven. Voor zover door de raad is aangegeven dat voor de aangegeven milieucategorieën aansluiting moet worden gezocht bij de milieucategorieën genoemd in de brochure Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, wordt overwogen dat dit niet volgt uit de planvoorschriften. Aldus is niet duidelijk wat onder de verschillende aangegeven milieucategorieën moet worden verstaan en komt in zoverre aan het bepaalde in artikel 3.3.2.4. van de planvoorschriften geen betekenis toe. De planvoorschriften laten derhalve toe dat, anders dan de raad heeft beoogd, binnen het gehele plandeel met de aanduiding "tuinbouwgerelateerde bedrijvigheid" een biovergistingsinstallatie kan worden opgericht. De beroepsgrond van [appellanten sub 2] slaagt reeds om deze reden.

Vogels-aantrekkende werking groenstrook

2.18. [appellant sub 3] stelt in beroep dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Groene ruimte" ten zuiden van de Langstraat. Hij voert daartoe aan dat de ter plaatse voorziene groenstrook vogels aantrekt die schade zullen toebrengen aan zijn maïsopslag.

2.18.1. Het college acht het met de raad niet aannemelijk dat, gezien de ligging van het bedrijf van [appellant sub 3] in de buurt van bestaande bosgebieden en gelet op de omvang van de ter plaatse voorziene groenstrook, deze groenstrook een grote nadelige invloed zal hebben op de bedrijfsvoering van [appellant sub 3]. Volgens het college kan eventuele schade bovendien worden voorkomen door de maïsopslag af te dekken.

2.18.2. In het plan is onder meer aan een ongeveer 20 meter brede strook gronden ten zuiden van de Langstraat de bestemming "Groene ruimte" toegekend. Ingevolge artikel 7 van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor groenvoorzieningen, landschappelijke inpassing alsmede voor openbare nutsvoorzieningen.

2.18.3. In het deskundigenbericht is aangegeven dat de ter plaatse beoogde groenvoorzieningen het uitzicht op de kassen en de gietwaterbassins zullen verzachten.

2.18.4. In het deskundigenbericht is verder aangegeven dat de door [appellant sub 3] gesignaleerde problematiek van vogels bij maïskuilen niet uniek is voor Deurne, maar zich Brabant-breed voordoet. In het deskundigenbericht is voorts aangegeven dat de laanbeplanting langs de in het plangebied gelegen Kuilkensweg zal verdwijnen om plaats te maken voor de ter plaatse voorziene glastuinbouw. Volgens het deskundigenbericht is het maar zeer de vraag of de extra bomen die naast dan wel in plaats van bestaande bomen in het plangebied geplant kunnen worden de bestaande problematiek ernstig zullen verslechteren.

2.18.5. [appellant sub 3] heeft niet met feiten of omstandigheden aannemelijk gemaakt dat de ten zuiden van de Langstraat voorziene groenstrook tot een grote vogelaantrekkende werking bij zijn bedrijf zal leiden. Daarbij wordt van belang geacht dat niet is gebleken dat de mogelijke negatieve effecten niet door het treffen van maatregelen kunnen worden tegengegaan. Gelet hierop heeft het college in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen aan het belang van een goede landschappelijke inpassing van het glastuinbouwgebied dan aan het belang van [appellant sub 3] bij het voorkomen van schade aan zijn maïsopslag.

Huisvesting tijdelijke werknemers

2.19. [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 3], [appellanten sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] betogen verder dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 3.6.2. van de planvoorschriften. Volgens hen voorziet dit artikel ten onrechte in een vrijstellingsregeling ten behoeve van (structurele) huisvesting van tijdelijke werknemers. Zij menen dat (structurele) huisvesting van tijdelijke werknemers in de omliggende kernen dient plaats te vinden en vrezen dat de huisvesting van tijdelijke werknemers in het plangebied tot spanningen bij de werknemers en tot sociale ontwrichting en overlast voor de omgeving zal leiden. In dat kader betogen zij voorts dat het aantal tijdelijke werknemers dat in het plangebied gehuisvest kan worden te groot is.

2.19.1. Het college stelt zich op het standpunt dat met de vrijstellingsbepaling kan worden voorzien in de huisvesting van tijdelijke werknemers waarvoor de raad een opvangmogelijkheid in het plangebied wenst te realiseren. Volgens het college sluit de vrijstellingsbepaling grotendeels aan bij het beleid, zoals dit door het SRE is geformuleerd. Dit beleid laat de tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers toe voor een maximale periode van zes maanden. Wel constateert het college dat de duur van de huisvesting niet is gemaximeerd, doch het college gaat er van uit dat aan een eventuele vrijstelling terzake nadere voorwaarden zullen worden verbonden.

2.19.2. Ingevolge artikel 3.4.2. van de planvoorschriften is het verboden de voor "Projectvestiging glastuinbouw" aangewezen gronden en opstallen te gebruiken in strijd met de bestemming.

Ingevolge artikel 3.4.3., aanhef en onder a, geldt in ieder geval als strijdig met de bestemming gebruik van gronden en opstallen voor bewoning, behoudens de dienstwoningen die zijn toegestaan in en op de gronden die op de plankaart zijn aangeduid met de letters DW.

In artikel 3.6.2. is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is vrijstelling te verlenen ten behoeve van huisvesting van tijdelijke medewerkers, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a. de huisvesting vindt plaats in:

- of een bestaand gebouw;

- of een nieuw te vestigen bedrijfsgebouw voor het tuinbouwbedrijf niet zijnde een tuinbouwgelieerd bedrijf;

b. een dergelijke huisvesting is noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering vanuit het oogpunt van de opvang van de tijdelijke grote arbeidsbehoefte van dat bedrijf;

c. de huisvesting betreft uitsluitend medewerkers, die alleen binnen het bedrijf waar ze gehuisvest zijn, werkzaamheden verrichten;

d. het aantal werknemers per bedrijf is maximaal 40, de vloeroppervlakte per werknemer is minimaal 6 m² en maximaal 9 m²;

e. ten behoeve van de werknemers zijn (centrale) voorzieningen aanwezig op het gebied van sanitair, koken en verzorging, de vloeroppervlakte voor deze (centrale) voorzieningen is maximaal 5 m² per werknemer;

f. de huisvesting is zodanig dat geen last wordt ondervonden van de bedrijfsactiviteiten die in het bedrijfsgebouw plaatsvinden;

g. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven.

2.19.3. Teneinde de gemeenten in de regio Eindhoven een handreiking te bieden bij het oplossen van problemen rond de huisvesting van tijdelijke werknemers uit het buitenland heeft het SRE op 18 januari 2006 de notitie "Tijdelijk (werken en) wonen" (hierna: de SRE-notitie) opgesteld. De SRE-notitie heeft voor de raad in beginsel als uitgangspunt gediend.

In de SRE-notitie is onderscheid gemaakt tussen tijdelijke huisvesting voor tijdelijke werknemers en structurele huisvesting voor tijdelijke werknemers. Tijdelijke huisvesting is bedoeld voor het onderdak bieden aan tijdelijke werknemers voor een periode van maximaal zes maanden per jaar. Deze situatie doet zich volgens de SRE-notitie vooral voor bij agrarische bedrijven waar in de piekperiode (zaai-, poot- of oogstperiode) behoefte is aan de inzet van tijdelijke arbeidskrachten. Huisvesting langer dan zes maanden wordt volgens de SRE-notitie gezien als structurele huisvesting.

In de SRE-notitie is aangegeven dat het bieden van tijdelijke huisvesting in de piekperiode met een vrijstellingsregeling in het bestemmingsplan geregeld kan worden, waarbij bijvoorbeeld vrijstelling kan worden verleend voor de huisvesting in een bedrijfsgebouw. In dat verband zijn bij de SRE-notitie voorbeeldvoorschriften voor een vrijstellingsregeling gevoegd waarin onder meer de voorwaarde is opgenomen dat de huisvesting niet meer dan zes maanden per kalenderjaar bedraagt.

De structurele huisvesting dient volgens de SRE-notitie niet in het buitengebied gerealiseerd te worden maar in de bebouwde kom of in een bebouwingsconcentratie. Daarbij kan gedacht worden aan het oprichten van logiesgebouwen in nieuwe of bestaande gebouwen en het gebruik maken van vrijkomende agrarische bebouwing mits deze in kernen, bebouwingsconcentraties of kernrandzones liggen. Volgens de SRE-notitie zouden hiervoor ook leegstaande kantoren kunnen worden benut.

2.19.4. De raad heeft in het kader van de advisering door de Provinciale Planologische Commissie aangegeven dat de SRE-notitie voornamelijk is toegespitst op de vollegrondstuinbouw met relatief korte oogstseizoenen.

2.19.5. In de plantoelichting is in dat kader aangegeven dat de oogstpiek bij bedekte teelt in de glastuinbouw soms wel negen maanden kan duren. In de plantoelichting is verder vermeld dat de ervaring leert dat een individuele werknemer in de glastuinbouw minder dan zes maanden bij een bedrijf werkzaam is en dat er gedurende het seizoen meerdere werknemers van dezelfde opvangplek gebruik maken.

2.19.6. In het deskundigenbericht is aangegeven dat de vrijstellingsregeling het mogelijk maakt dat (een gedeelte van) een bestaand of op te richten bedrijfsgebouw permanent of structureel (langer dan zes maanden) wordt gebruikt voor de huisvesting van tijdelijke werknemers en dat uit de SRE-notitie volgt dat een gebouw dat structureel gebruikt kan worden voor de huisvesting van tijdelijke werknemers niet in het buitengebied hoort.

2.19.7. De raad heeft in zijn zienswijze op het deskundigenbericht aangegeven dat een jaar na het uitbrengen van de SRE-notitie al bleek dat de huisvestingsmogelijkheden onvoldoende waren ten opzichte van de vraag en dat het SRE de mogelijkheden tot verruiming heeft onderzocht. Volgens de raad heeft een gemeentelijke werkgroep, aan de hand van dit onderzoek, aanvullende huisvestingsmogelijkheden geformuleerd. Vanwege de in de glastuinbouw te verwachten grote aantallen seizoensarbeiders en de grote druk die hierdoor in de kommen en kernrandzone en bebouwingsconcentratie zou ontstaan, voorziet één van deze door de werkgroep geformuleerde aanvullende huisvestingsmogelijkheden in het gebruik - als pilot - van bedrijfsbebouwing in het buitengebied, zij het dat dit volgens de werkgroep alleen op de projectvestigingslocatie glastuinbouw is toegestaan. Daarbij is aangegeven dat de werkgroep bij drie bezochte tuinbouwbedrijven heeft gezien hoe in bedrijfsbebouwing professionele woonvoorzieningen kunnen worden gerealiseerd.

2.19.8. Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is van bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen met inachtneming van de in het plan vervatte regelen. Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een vrijstellingsbepaling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 15 van de WRO berustende vrijstellingsbevoegdheid dient door voldoende objectieve normen te worden begrensd.

2.19.9. Voor zover [appellant sub 5] betoogt dat de voorwaarde dat "er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven" onvoldoende objectief bepaalbaar is, wordt overwogen dat daarmee opdracht is gegeven aan het college van burgemeester en wethouders tot het maken van een belangenafweging die passend is bij een bevoegdheid als hier aan de orde, en dat dit op zichzelf niet tot de conclusie leidt dat de vrijstellingsbepaling in dit opzicht niet door voldoende objectieve normen is begrensd.

2.19.10. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 12 februari 2003, zaak nr. 200200568/1, wordt blijkens de geschiedenis van de totstandkoming met artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO beoogd het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid te geven op ondergeschikte onderdelen van het plan af te wijken.

Met de thans voorliggende vrijstellingsregeling is beoogd te voorzien in de huisvesting van tijdelijke werknemers in bedrijfsgebouwen voor de duur van negen maanden per jaar. In de vrijstellingsregeling is geen maximumtermijn als randvoorwaarde opgenomen en evenmin is een maximumaantal werknemers binnen het gebied vastgelegd. Dit zou ertoe kunnen leiden dat in bedrijfsgebouwen op het glastuinbouwgebied permanent enkele honderden werknemers woonachtig zijn. Indien in de vrijstellingsregeling een maximumtermijn van negen maanden zou worden opgenomen en het maximumaantal werknemers in het gebied zou worden bepaald, zou deze situatie niet wezenlijk anders zijn. Met toepassing van een dergelijke vrijstellingsregeling zou derhalve op grote schaal kunnen worden voorzien in woonvoorzieningen in een gebied dat grotendeels met kassen ten behoeve van de glastuinbouw kan en zal worden ingevuld. Hierbij komt dat niet is uitgesloten dat een dergelijke invulling van het plangebied ertoe zou kunnen leiden dat de in het Besluit glastuinbouw genoemde afstanden niet kunnen worden gehaald en dat de glastuinbouwbedrijven zodoende milieuvergunningplichtig zullen zijn.

De Afdeling is van oordeel dat ten aanzien van een vrijstellingsregeling die tot de hiervoor geschetste gevolgen kan leiden, niet gesteld kan worden dat daarmee op ondergeschikte onderdelen van het bestemmingsplan wordt afgeweken. Het college heeft derhalve ten onrechte niet onderkend dat de in dit bestemmingsplan voorziene huisvestingsmogelijkheden niet met een vrijstellingsbevoegdheid mogelijk kunnen worden gemaakt. De raad zal, indien hij dergelijke huisvestingsmogelijkheden wil bieden, een alomvattende afweging bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moeten maken en, zo hij zich op het standpunt stelt dat dergelijke huisvestingsmogelijkheden uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar zijn, dat bij recht dan wel door middel van een wijzigingsbevoegdheid, als bedoeld in artikel 11 van de WRO, dienen te regelen.

Deze beroepsgrond van [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 3], [appellanten sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] slaagt derhalve. Hetgeen zij in zoverre voor het overige hebben betoogd, behoeft geen bespreking.

Conclusies

2.20. Uit 2.10.7. volgt de conclusie dat hetgeen [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] hebben aangevoerd, aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover daarmee goedkeuring is verleend aan het plan, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Uit 2.17.7. volgt de conclusie dat hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd, aanleiding geeft voor het oordeel dat de aanduiding "tuinbouwgerelateerde bedrijvigheid" is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Door de aanduiding niettemin goed te keuren heeft het college gehandeld in strijd met dit beginsel, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Uit 2.19.10. volgt de conclusie dat hetgeen [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 3], [appellanten sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat artikel 3.6.2. van de planvoorschriften in strijd is met artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO. Door het desbetreffende artikel niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met deze bepaling in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 1] is gegrond. Het beroep van [appellanten sub 2] is, voor zover ontvankelijk, gegrond. De beroepen van [appellant sub 3], [appellanten sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] zijn gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarmee goedkeuring is verleend aan het plan, dient te worden vernietigd.

2.20.1. Hetgeen [appellant sub 3], [appellanten sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] verder hebben aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voor het overige niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit voor het overige anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen van [appellant sub 3], [appellanten sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] zijn voor het overige ongegrond.

2.20.2. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling aanleiding goedkeuring te onthouden aan artikel 3.6.2. van de planvoorschriften en aan de aanduiding "tuinbouwgerelateerde bedrijvigheid".

Toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb.

2.21. De Afdeling ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, met uitzondering van de planonderdelen waaraan goedkeuring zal worden onthouden, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten. Daartoe wordt het volgende overwogen.

2.21.1. In reactie op het deskundigenbericht heeft de raad een nieuw luchtkwaliteitsonderzoek laten uitvoeren door Arcadis. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport "Luchtonderzoek glastuinbouw Deurne" van 11 februari 2009. In dit onderzoek is rekening gehouden met de uitstoot van de warmtekrachtkoppelstations die in het plangebied kunnen worden opgericht alsmede met de meest recente inzichten wat betreft emissies en achtergrondconcentraties, zoals aangegeven door het RIVM/MNP. In dit rapport wordt geconcludeerd dat in 2010 en 2020 wordt voldaan aan de grenswaarden van bijlage 2 van de Wet milieubeheer.

Alhoewel in dit nieuwe luchtkwaliteitsonderzoek is getoetst aan titel 5.2 van de Wet milieubeheer en bijlage 2 van die wet, terwijl ingevolge het overgangsrecht titel 5.2 van de Wet milieubeheer en bijlage 2 van die wet niet van toepassing zijn op een vóór 15 november 2007 vastgesteld besluit, wordt overwogen dat het Blk 2005 niet aan het plan in de weg staat, aangezien de grenswaarden voor stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM10) in bijlage 2 van de Wet milieubeheer niet verschillen van de grenswaarden in het Blk 2005.

Proceskostenveroordeling

2.22. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellant sub 1], [appellant sub 3], [appellanten sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] te worden veroordeeld.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden samenhangende zaken voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, onder a, beschouwd als één zaak. In het tweede lid is bepaald dat samenhangende zaken zijn: gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig door een of meer belanghebbenden tegen nagenoeg identieke besluiten op vergelijkbare gronden ingestelde beroepen, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, is verleend door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. In dit verband ziet de Afdeling aanleiding om ten aanzien van [appellant sub 3], [appellanten sub 4] en [appellant sub 6] toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Ten aanzien van [appellanten sub 2] is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van [appellant sub 7] geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 7] en het beroep van [appellanten sub 2], voor zover ingediend namens [partij A] en [partij B], niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 1] geheel, het beroep van [appellanten sub 2], voor zover ontvankelijk, en de beroepen van [appellant sub 3], [appellanten sub 24], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 26 februari 2008, nummer 1317475, voor zover goedkeuring aan het bestemmingsplan is verleend;

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven, behoudens voor zover het betreft de aanduiding "tuinbouwgerelateerde bedrijvigheid" en artikel 3.6.2. van de planvoorschriften;

V. onthoudt goedkeuring aan:

a. de aanduiding "tuinbouwgerelateerde bedrijvigheid";

b. artikel 3.6.2. van de planvoorschriften;

VI. bepaalt dat deze uitspraak voor zover het betreft het onder V. genoemde in de plaats treedt van het besluit van 26 februari 2008;

VII. verklaart de beroepen van [appellant sub 3], [appellanten sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5] voor het overige ongegrond;

VIII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten ten aanzien van:

- [appellant sub 1] tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 3] tot een bedrag van € 107,33 (zegge: honderdzeven euro en drieëndertig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellanten sub 4] tot een bedrag van € 107,33 (zegge: honderdzeven euro en drieëndertig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 6] tot een bedrag van € 107,33 (zegge: honderdzeven euro en drieëndertig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 5] tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 3], [appellanten sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 5], ieder afzonderlijk, het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Bechinka

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2009

371-525.