Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ8316

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-09-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
200903814/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 november 2007 heeft de hoofddirectie Informatie Beheer Groep (hierna: de hoofddirectie) het verzoek van [wederpartij] om restitutie van lesgeld voor het studiejaar 2006-2007 wegens het behalen van haar diploma afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903814/1/H2.

Datum uitspraak: 23 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de hoofddirectie Informatie Beheer Groep,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 april 2009 in zaak nr. 08/1117 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

de hoofddirectie Informatie Beheer Groep.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2007 heeft de hoofddirectie Informatie Beheer Groep (hierna: de hoofddirectie) het verzoek van [wederpartij] om restitutie van lesgeld voor het studiejaar 2006-2007 wegens het behalen van haar diploma afgewezen.

Bij besluit van 15 december 2007 heeft de hoofddirectie het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 april 2009, verzonden op 16 april 2009, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 december 2007 vernietigd en bepaald dat de hoofddirectie een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de hoofddirectie bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 mei 2009, hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 september 2009, waar de hoofddirectie, vertegenwoordigd door mr. G.J.M. Naber, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep, en [wederpartij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De hoofddirectie heeft het verzoek van [wederpartij] om restitutie van lesgeld voor het studiejaar 2006-2007 afgewezen, omdat haar verzoek is ontvangen na afloop van het studiejaar 2006-2007.

Bij besluit op bezwaar heeft de hoofddirectie de afwijzing gehandhaafd en daaraan mede ten grondslag gelegd dat van een eerder verzoek tot restitutie in mei 2007 niet is gebleken, zodat ervan moet worden uitgegaan dat [wederpartij] niet eerder dan op 11 oktober 2007 een verzoek heeft gedaan.

2.2. De rechtbank heeft het besluit van 15 december 2007 vernietigd, omdat de hoofddirectie niet staande kan houden dat zij eerst bij brief van 5 oktober 2007 een verzoek om restitutie heeft ontvangen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat namens de hoofddirectie ter zitting is bevestigd dat uit computergegevens blijkt dat het door [wederpartij] verzonden diploma en het bewijs van uitschrijving in mei 2007 zijn ontvangen en dat daarmee aannemelijk is dat het door [wederpartij] in dezelfde envelop verstuurde verzoek door de Informatie Beheer Groep is ontvangen, nu het niet goed denkbaar is dat het insturen van beide documenten een ander doel kan hebben dan het ondersteunen van een verzoek om restitutie van het lesgeld. De rechtbank heeft voorts bepaald, dat de hoofddirectie een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is bepaald.

2.3. De hoofddirectie betoogt in hoger beroep dat de rechtbank er ten onrechte van is uitgegaan dat uit computergegevens blijkt dat het door [wederpartij] verzonden diploma en het bewijs van uitschrijving in mei 2007 door de Informatie Beheer Groep zijn ontvangen. Daartoe voert zij aan dat ter zitting bij de rechtbank namens haar niet is verklaard dat zij het diploma en het bewijs van uitschrijving heeft ontvangen. De rechtbank heeft haar verklaring dat in de maand mei 2007 uit een controle door middel van een geautomatiseerde gegevensuitwisseling met de basisregistratie onderwijsnummer in het kader van de Wet studiefinanciering 2000 is gebleken dat [wederpartij] tot 19 februari 2007 bij de onderwijsinstelling als deelnemer stond ingeschreven mogelijkerwijs onjuist geïnterpreteerd.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 februari 2006 in zaak nr. 200502440/1), moet in beginsel worden uitgegaan van de juistheid van hetgeen door de griffier is vastgelegd in het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van het verhandelde ter zitting. Alleen indien er duidelijke aanwijzingen zijn dat het proces-verbaal geen juiste weergave is van het ter zitting verhandelde, kan van dit beginsel worden afgeweken.

2.3.2. In het proces-verbaal is vermeld dat namens de hoofddirectie is verklaard: "Voor een verzoek om restitutie van het lesgeld hebben wij formulieren als daarom wordt verzocht maar in principe is een dergelijk verzoek vormvrij. Er moet wel sprake zijn van een verzoek. Als wij geen verzoek hebben ontvangen dan ligt het risico van het niet ontvangen van het verzoek bij de verzender. Doordat wij wel het diploma en het bewijs van uitschrijving hebben ontvangen wil dat niet zeggen dat het verzoek ook is ingediend."

De hoofddirectie heeft ter zake van de onjuistheid van het proces-verbaal niets anders aangevoerd dan de in 2.3 vermelde alternatieve verklaring van het verhandelde ter zitting. In het proces-verbaal wordt specifiek de ontvangst van het diploma vermeld. Dit stuk wordt niet verkregen door de automatische gegevensuitwisseling waarop de hoofddirectie doelt. Voorts ligt het niet voor de hand dat het diploma in het kader van gegevens verkregen door de automatische gegevensuitwisseling met de onderwijsinstelling ter sprake komt. De uitleg van de hoofddirectie is dan ook niet zonder meer aannemelijk. Hetgeen de hoofddirectie aanvoert is dan ook onvoldoende om van voormeld uitgangspunt af te wijken, zodat moet worden uitgegaan van de juistheid van het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal en in rechte als vaststaand moet worden aangenomen dat de Informatie Beheer Groep in mei 2007 het diploma en het bewijs van uitschrijving van [wederpartij] heeft ontvangen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. De hoofddirectie dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de hoofddirectie Informatie Beheer Groep tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 22,39 (zegge: tweeëntwintig euro en negenendertig eurocent);

III. verstaat dat de secretaris van de Raad van State van de hoofddirectie Informatie Beheer Groep griffierecht ten bedrage van € 447,00 (zegge: vierhonderdzevenenveertig euro) heft.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2009

362.