Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ8312

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-09-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
200900743/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 november 2007 heeft de burgemeester van Rotterdam (hierna: de burgemeester) de exploitatievergunning ten behoeve van de door [appellant] geëxploiteerde horeca-inrichting "[naam]", (hierna: de horeca-inrichting), gevestigd aan de [locatie] te [plaats], met onmiddellijke ingang ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2010, 70 met annotatie van F.R. Vermeer
Module Horeca 2009/2167
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200900743/1/H3.

Datum uitspraak: 23 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 december 2008 in zaak nr. 08/1827 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Rotterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 november 2007 heeft de burgemeester van Rotterdam (hierna: de burgemeester) de exploitatievergunning ten behoeve van de door [appellant] geëxploiteerde horeca-inrichting "[naam]", (hierna: de horeca-inrichting), gevestigd aan de [locatie] te [plaats], met onmiddellijke ingang ingetrokken.

Bij besluit van 20 maart 2008 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 december 2008, verzonden op 18 december 2008, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 januari 2009, hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 augustus 2009, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.C. Herrewijnen, advocaat te Rotterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. S.B.H. Fijneman, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2.3.2, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam (hierna: APV), voor zover thans van belang, is het verboden een inrichting te exploiteren zonder exploitatievergunning.

Ingevolge artikel 2.3.6, eerste lid, aanhef en onder e, weigert de burgemeester de exploitatievergunning of trekt deze in indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

In de toelichting op artikel 2.3.6 is, voor zover thans van belang, vermeld: "Voor de reikwijdte van het begrip 'niet in enig opzicht van slecht levensgedrag' moet aansluiting worden gevonden bij de terminologie van de Drank- en Horecawet. De toetsing aan deze eis is niet bij voorbaat aan regels gebonden. Derhalve is de burgemeester bij de beoordeling of er sprake is van slecht levensgedrag vrij in de wijze van beoordeling en zijn er geen beperkingen opgelegd aan de feiten of omstandigheden die mogen worden betrokken bij dit oordeel (zie ook ABRvS 26 juni 2002, 200106008/1). Op basis van de huidige jurisprudentie is een onherroepelijke veroordeling niet noodzakelijk om in de terminologie van de APV te mogen spreken van in enig opzicht slecht levensgedrag (zie ook ABRvS 12 maart 2001, GS 151 (2001) 7141, 2)".

2.2. In het besluit op bezwaar van 20 maart 2008, waarbij het besluit van 15 november 2007 is gehandhaafd, heeft de burgemeester zich op het standpunt gesteld dat [appellant] van slecht levensgedrag is. Daaraan heeft de burgemeester een advies van 26 september 2007 van de Politie Rotterdam-Rijnmond ten grondslag gelegd waarin is vermeld dat uit een door de Divisie Recherche Ondersteuning, Unit Zware Criminaliteit van de Politie Zuid-Holland-Zuid uitgevoerd onderzoek, genaamd GIGANT, is gebleken dat [appellant] betrokken is geweest bij de handel in verdovende middelen. Voor deze betrokkenheid is [appellant] veroordeeld door de rechtbank Dordrecht tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan drie voorwaardelijk.

2.3. Anders dan de burgemeester betoogt, leidt de omstandigheid dat [appellant] te kennen heeft gegeven zich uit de exploitatie terug te trekken en dat hij de enige exploitant was van de horeca-inrichting niet tot het oordeel dat hij geen belang heeft bij de beoordeling van zijn hoger beroep. De Afdeling acht niet onaannemelijk dat [appellant] een slechte naam heeft gekregen door het in bezwaar gehandhaafde besluit van 15 november 2007. [appellant] heeft dan ook belang bij de beoordeling van zijn hoger beroep.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij niet van slecht levensgedrag is. [appellant] stelt zich voorts op het standpunt dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit tot intrekking van de exploitatievergunning een punitief karakter heeft, omdat met de intrekking de openbare orde niet is gediend. Hij heeft zich inmiddels teruggetrokken uit de onderneming, waarmee het doel van de intrekking van de exploitatievergunning is bereikt, aldus [appellant]. Hij betoogt tenslotte dat bij de beoordeling van de noodzakelijkheid van de opgelegde maatregel de burgemeester zijn belang als exploitant ten onrechte niet dan wel onvoldoende heeft meegewogen.

2.4.1. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de burgemeester zich voor zijn standpunt dat [appellant] in enig opzicht van slecht levensgedrag is, heeft mogen baseren op het advies van 26 september 2007 van de Politie Rotterdam-Rijnmond en de aan dat advies ten grondslag liggende processen-verbaal van het onderzoek GIGANT van de Politie Zuid-Holland-Zuid. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het advies van 26 september 2007 en de daaraan ten grondslag liggende processen-verbaal onjuistheden bevatten. De niet nader gemotiveerde stellingen dat belangrijke ontlastende getuigenverklaringen niet zijn opgenomen in het strafdossier en dat de verklaringen van de anonieme getuige wisselen, zijn onvoldoende om de aan het advies ten grondslag liggende, op ambtseed opgemaakte processen-verbaal van de politie te ontkrachten. Dat uit officiële in- en uitreisgegevens volgt dat [appellant] van 14 mei 2006 tot 19 mei 2006 in Turkije verbleef, zoals hij stelt, maakt niet dat de burgemeester niet aannemelijk heeft mogen achten dat [appellant] betrokken is geweest bij handel in verdovende middelen. Uit de processen-verbaal van het onderzoek volgt immers dat [appellant] ook na zijn verblijf in Turkije betrokken was bij deze handel.

Zoals de rechtbank terecht, in navolging van de Afdeling (uitspraak van 31 oktober 2007 in zaak nr. 200702818/1), heeft overwogen, is in het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999, waarnaar in de toelichting bij artikel 2.3.6 van de APV wordt verwezen, geen nadere omschrijving gegeven van de eis dat de leidinggevenden niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn. Gelet hierop zijn geen beperkingen opgelegd ten aanzien van feiten of omstandigheden, die bij de beoordeling van het levensgedrag mogen worden betrokken. De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat, anders dan [appellant] stelt, niet vereist is dat aan de beoordeling van de burgemeester een onherroepelijke veroordeling ten grondslag ligt. De burgemeester heeft bij zijn oordeel dat [appellant] in enig opzicht van slecht levensgedrag is, betekenis mogen toekennen aan het strafvonnis van de rechtbank Dordrecht. Anders dan [appellant] betoogt, is evenwel het in bezwaar gehandhaafde besluit noch de uitspraak van de rechtbank enkel gebaseerd op het strafvonnis van de rechtbank Dordrecht. In het besluit van 15 november 2007 is immers overwogen dat het is gebaseerd op het advies van de Politie Rotterdam-Rijnmond van 26 september 2007 en de daaraan ten grondslag liggende processen-verbaal van het onderzoek GIGANT, alsmede het strafvonnis van de rechtbank Dordrecht. De rechtbank heeft ter motivering van het oordeel dat [appellant] in enig opzicht van slecht levensgedrag is, eveneens verwezen naar voornoemd advies en de daaraan ten grondslag liggende processen-verbaal.

Zoals de rechtbank terecht, in navolging van de Afdeling (uitspraak van 14 februari 2007 in zaak nr. 200604486/1), heeft overwogen, betreft de intrekking van een exploitatievergunning een reparatoire sanctie in het kader van de openbare orde gericht op het bestrijden van laakbaar gedrag van horecaondernemers. De rechtbank heeft in dit verband terecht geoordeeld dat de omstandigheid dat [appellant] heeft aangeboden zich vrijwillig terug te trekken uit de exploitatie van het café, niet noopt tot het oordeel dat het reparatoire karakter van de intrekking verandert en met de intrekking de openbare orde niet meer kon zijn gediend, gelet op de gevolgen die een intrekking ook overigens heeft.

Met de rechtbank is de Afdeling voorts van oordeel dat, nu de intrekking van de exploitatievergunning geen vervolging betreft als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, de onschuldpresumptie en het recht op het ondervragen van getuigen à charge en het oproepen van getuigen à décharge geen toetsingsmaatstaf vormen voor de zorgvuldigheid van de feitenvaststelling door de burgemeester. De omstandigheid dat [appellant] niet de mogelijkheid heeft gehad om de anonieme getuige te horen, leidt ook overigens niet zonder meer tot de conclusie dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Nu [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het advies van 26 september 2007 en de daaraan ten grondslag liggende processen-verbaal onjuistheden bevatten, behoefde de burgemeester reeds hierom geen aanleiding te zien hem in de gelegenheid te stellen de anonieme getuige te horen.

De rechtbank is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat de burgemeester in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat [appellant] niet voldoet aan de eis dat hij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Ingevolge artikel 2.3.6, eerste lid, aanhef en onder e, van de APV was de burgemeester gehouden de exploitatievergunning in te trekken. De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat de door [appellant] voorgestane belangenafweging terecht achterwege is gelaten.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Neuwahl

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2009

280-581.