Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ8303

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-09-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
200807259/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 augustus 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Geldermalsen (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een kleinfruitbedrijf en schapenhouderij op het perceel [locatie 1] naast [locatie 2] te [plaats]. Dit besluit is op 22 augustus 2008 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807259/1/M2.

Datum uitspraak: 23 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Geldermalsen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 augustus 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Geldermalsen (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een kleinfruitbedrijf en schapenhouderij op het perceel [locatie 1] naast [locatie 2] te [plaats]. Dit besluit is op 22 augustus 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 september 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 28 oktober 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juli 2009, waar [appellanten], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. H.J.M. Wingens, advocaat te Nijmegen, en het college, vertegenwoordigd door M.L.C. Laurey, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder, bijgestaan door R.J. Lievaart, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting hebben [appellanten] de beroepsgronden dat de combinatie van een kleinfruitbedrijf en een schapenhouderij onwenselijk is, dat is verzuimd onderzoek te doen naar de redelijkerwijs te verwachten toekomstige ontwikkelingen met betrekking tot de inrichting en dat de aanvraag om oprichtingsvergunning niet voldoet aan het gestelde in artikel 5.1 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit, ingetrokken.

2.2. [appellanten] voeren aan dat het college bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten geurhinder de woning aan de [locatie 3] ten onrechte als geurgevoelig object buiten beschouwing hebben gelaten.

2.2.1. Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de woning aan de [locatie 3] deel uitmaakt van een andere inrichting. Volgens het college moet daarom ten opzichte van deze woning ingevolge artikel 3, tweede lid van de Wet geurhinder en veehouderij een afstand van 50 meter worden aangehouden. Aan die afstand wordt voldaan, aldus het college.

2.2.2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij betrekt het bevoegd gezag bij een beslissing inzake de vergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 9.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij, voor zover hier van belang, wordt een vergunning voor een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet geurhinder en veehouderij, voor zover hier van belang, bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

2.2.3. Anders dan [appellanten] aanvoeren heeft het college de woning aan de [locatie 3] bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten geurhinder niet buiten beschouwing gelaten. In zoverre mist de beroepsgrond feitelijke grondslag.

Niet in geschil is dat de woning aan de [locatie 3] onderdeel uitmaakt van een akkerbouw- en fruitteeltbedrijf. Deze woning maakt derhalve geen onderdeel uit van een veehouderij. Gelet hierop heeft het college voor de beoordeling van de geurhinder met betrekking tot de woning aan de [locatie 3] ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 3, tweede lid, van de Wet geurhinder en veehouderij.

Ter zitting is evenwel gebleken dat de woning aan de [locatie 3] op ongeveer dezelfde afstand van het dichtstbijzijnde emissiepunt van de inrichting ligt als de woning aan de [locatie 4]. In het bestreden besluit is de geurbelasting vanwege de onderhavige inrichting op de woning aan de [locatie 4] berekend met inachtneming van het verspreidingsmodel 'V-stacks vergunningen'. Deze geurbelasting bedraagt 0,63 odourunits. [appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat aan deze berekening gebreken kleven. Nu de woning aan de [locatie 4] op ongeveer dezelfde afstand van de onderhavige inrichting ligt als de woning aan de [locatie 3] en de geurbelasting vanwege de onderhavige inrichting ter plaatse van de [locatie 4] ruimschoots onder de in artikel 3, eerste lid, van de wet Geurhinder en veehouderij genoemde 8,0 odour units blijft, is naar het oordeel van de Afdeling voldoende aannemelijk geworden dat ter plaatse van de woning aan de [locatie 3] de geurbelasting eveneens minder dan 8,0 odour units bedraagt. Het college heeft zich derhalve terecht, zij het op verkeerde gronden, op het standpunt gesteld de Wet geurhinder en veehouderij niet aan vergunningverlening in de weg staat. De beroepsgrond faalt.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.4. [appellanten] voeren aan dat het college de krachtens de Wet milieubeheer verleende oprichtingsvergunning had moeten weigeren wegens strijd met het bestemmingsplan.

2.4.1. Artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer, zoals deze bepaling bij wet van 25 juni 2009 met terugwerkende kracht tot 1 juli 2008 is gewijzigd, bepaalt, voor zover hier van belang, dat in afwijking van het eerste lid de vergunning tevens kan worden geweigerd ingeval door verlening van de vergunning strijd zou ontstaan met een bestemmingsplan.

2.4.2. In de gevallen waarop artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer betrekking heeft, bestaat geen plicht maar een bevoegdheid om de gevraagde milieuvergunning te weigeren.

Ter zitting is gebleken dat het college voornemens is om het bestemmingsplan zodanig aan te passen dat daarmee de vestiging van de inrichting planologisch mogelijk wordt gemaakt. In dit verband heeft zij ter zitting onweersproken gesteld dat daartoe een ontwerp van een bestemmingsplan is opgesteld en ter inzage gelegd, waartegen geen zienswijzen zijn ingediend. Onder deze omstandigheden heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vergunning niet geweigerd behoefde te worden. De beroepsgrond faalt.

2.5. [appellanten] voeren aan dat de inrichting zoals deze is aangevraagd tezamen met de reeds bestaande inrichting van vergunninghouder op een aangrenzend perceel, het perceel van Huize Crayestein, één inrichting vormt. In zoverre was mogelijk een revisievergunning vereist in plaats van een oprichtingsvergunning, aldus [appellanten].

2.5.1. Ingevolge artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer, voor zover thans van belang, worden als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

De aanvraag om vergunning heeft uitsluitend betrekking op een kleinfruitbedrijf en schapenhouderij op het perceel [locatie 1]. De aanvraag ziet niet op activiteiten die elders plaatsvinden.

Ter zitting heeft vergunninghouder verklaard dat hij op het perceel van Huize Crayestein gronden in pacht heeft. Met de gevraagde vergunning wordt beoogd de activiteiten te verplaatsen naar het onderhavige perceel. [appellanten] hebben naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat, buiten hetgeen is aangevraagd, tot de inrichting installaties behoren die onderling zodanige technische, organisatorische of functionele bindingen hebben dat deze met de aanvraagde inrichting als één inrichting moeten worden beschouwd.

De beroepsgrond faalt.

2.6. [appellanten] voeren aan dat bij de beoordeling of in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast ten onrechte slechts ammoniakemissie in de beoordeling is betrokken en voorbij is gegaan aan andere categorieën milieugevolgen.

2.6.1. In het bestreden besluit heeft het college bij zijn beoordeling of de gevraagde vergunning kan worden verleend de aspecten ammoniak, geur, water, bodem, afval, afvalwater, geluid, energie en veiligheid betrokken.

[appellanten] hebben naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat het college zich met inachtneming van voormelde aspecten ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat binnen de inrichting de beste bestaande technieken worden toegepast.

De beroepsgrond faalt.

2.7. [appellanten] vrezen geluidhinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting. In dat kader voeren zij aan dat het college de woningen aan de [locatie 3] en [locatie 2] niet hebben betrokken in de beoordeling rondom de geluidhinder. Voorts voeren zij aan dat het aantal vervoersbewegingen, zoals opgenomen in de aanvraag om vergunning, onrealistisch is en dat ook andere geluidbronnen in de beoordeling hadden moeten worden betrokken. Ten slotte stellen zij dat het college onderzoek had moeten laten verrichten naar de geluidbelasting op alle geluidgevoelige objecten.

2.7.1. De Afdeling begrijpt deze grond aldus dat [appellanten] vrezen dat niet aan de in de voorschriften 8.1 en 8.2 opgenomen geluidgrenswaarden kan worden voldaan.

2.7.2. Ingevolge het aan de vergunning verbonden voorschrift 8.1 mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen, werktuigen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten ter plaatse van de woningen van derden of 50 meter uit de grens van de inrichting niet meer zijn dan: 40 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur op 1,5 meter hoogte, 35 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur op 5 meter hoogte en 30 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur op 5 meter hoogte.

Ingevolge voorschrift 8.2 mag het maximale geluidniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen, werktuigen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten ter plaatse van woningen van derden of 50 meter uit de grens van de inrichting niet meer zijn dan 70, 65 en 60 dB(A) gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

2.7.3. Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat gezien de afstand tussen de inrichting en de woning aan de [locatie 4] wordt verwacht dat in de representatieve bedrijfssituatie aan de voorkeursgrenswaarde van 40 dB(A) etmaalwaarde bij woningen van derden wordt voldaan. Hierbij heeft het college in aanmerking genomen dat in de aanvraag om oprichtingsvergunning slechts één tractor en één minitractor als geluidbronnen binnen de inrichting zijn opgenomen alsmede drie vervoersbewegingen met een bestelauto per dag. Voorts is ter zitting gebleken dat er twaalf keer per jaar kadavers van de inrichting zullen worden afgevoerd met behulp van een vrachtauto. Voor het overige is niet gebleken van relevante geluidbronnen. De Afdeling ziet, in aanmerking genomen dat de aanvraag deel uitmaakt van de vergunning en gelet op de aard en omvang van de inrichting, geen grond voor de stelling dat dit aantal vervoersbewegingen onjuist is. Gelet hierop is aannemelijk dat de inrichting kan voldoen aan de in de voorschriften 8.1 en 8.2 opgenomen geluidgrenswaarden.

De beroepsgrond faalt.

2.8. [appellanten] voeren aan dat niet aannemelijk is dat de grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) niet worden overschreden. In dit verband hebben zij aangevoerd dat het college ten onrechte eraan voorbij gegaan zijn dat er andere bronnen van zwevende deeltjes zijn dan de in de inrichting te houden dieren.

2.8.1. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, onder a, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, volgt dat bestuursorganen de bevoegdheid te beslissen op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 8.2 van de Wet milieubeheer, waarvan de uitoefening gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, uitoefenen in gevallen waarin bij uitoefening aannemelijk is gemaakt dat die uitoefening, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet leidt tot het overschrijden, of het tot op of na het tijdstip van ingang waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde.

Ingevolge voorschrift 4.1 van bijlage 2 bij de Wet milieubeheer gelden voor zwevende deeltjes de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie;

b. 50 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

2.8.2. Gelet op de aangevraagde en vergunde activiteiten zullen, naast het houden van de schapen uitsluitend de verkeersbewegingen, voor zover die aan de inrichting zijn toe te rekenen, een bijdrage leveren aan de emissie van zwevende deeltjes.

Gelet op het in overweging 2.7.3 genoemde zeer beperkte aantal verkeersbewegingen heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling op goede gronden op het standpunt gesteld dat aannemelijk is dat de inrichting geen relevante invloed heeft op de luchtkwaliteit. De beroepsgrond faalt.

2.9. [appellanten] voeren aan dat als gevolg van het in werking zijn van de inrichting moet worden gevreesd voor schade aan de bedrijfsmatig geteelde fruitbomen in de directe nabijheid van de nieuw op te richten stal door directe opname uit de lucht van ammoniak. Volgens [appellanten] zijn deze fruitbomen op ongeveer 10 meter van de nieuw op te richten stal gesitueerd en voldoet deze afstand niet aan de minimaal aan te houden afstand ingevolge het rapport Stallucht en Planten 1981 (hierna: het rapport).

2.9.1. Volgens het rapport kan directe schade door de uitstoot van ammoniak zich in de praktijk voordoen bij intensieve kippen- en varkenshouderijen. Die inrichtingen zijn in het onderhavige geval niet aanwezig. Desondanks heeft het college bij de beoordeling van de effecten van de ammoniakemissie uit de inrichting op gewassen in de omgeving van de inrichting het rapport gehanteerd. Ter voorkoming van dergelijke schade wordt in het rapport een afstand van minimaal 50 meter tussen stallen en meer gevoelige planten en bomen, zoals coniferen, en een afstand van minimaal 25 meter tot minder gevoelige planten en bomen aanbevolen. Daarbij wordt uitgegaan van de afstand van het gevoelig object tot de dichtstbijzijnde gevel van de dichtstbijzijnde stal en niet tot het dichtstbijzijnde emissiepunt, waarvan het college is uitgegaan.

Ter zitting is gebleken dat op de westelijke perceelsgrens van de inrichting een groensingel staat met elzen. Direct naast deze groensingel staan bedrijfsmatig geteelde fruitbomen. Uit de overgelegde kaart blijkt dat de afstand van deze fruitbomen tot de dichtstbijzijnde gevel van de nieuw op te richten stal minder dan 25 meter bedraagt. Met deze afstand wordt niet voldaan aan de ingevolge het rapport aanbevolen afstand.

Aangezien het college het rapport als uitgangspunt heeft genomen bij de beoordeling van de effecten van de ammoniakemissie uit de inrichting op gewassen in de omgeving van de inrichting, berust het bestreden besluit, nu niet wordt voldaan aan de in het rapport aanbevolen aan te houden afstand, naar het oordeel van de Afdeling in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering. De beroepsgrond slaagt.

2.10. Het besluit van 13 augustus 2008 komt voor vernietiging in aanmerking.

2.11. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Geldermalsen van 13 augustus 2008;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Geldermalsen tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Geldermalsen aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Taal

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2009

325-570.