Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ8298

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
200906584/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juli 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bunschoten (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Boboli Benelux B.V. (hierna: Boboli) een last onder dwangsom opgelegd wegens het overtreden van voorschrift A.5 van de voor haar inrichting aan de Ansjovisweg 7 te Bunschoten-Spakenburg geldende vergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906584/1/M2.

Datum uitspraak: 18 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Boboli Benelux B.V., gevestigd te Bunschoten Spakenburg, gemeente Bunschoten,

verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van Bunschoten,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bunschoten (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Boboli Benelux B.V. (hierna: Boboli) een last onder dwangsom opgelegd wegens het overtreden van voorschrift A.5 van de voor haar inrichting aan de Ansjovisweg 7 te Bunschoten-Spakenburg geldende vergunning.

Tegen dit besluit heeft Boboli bezwaar gemaakt.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 augustus 2009, heeft Boboli de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 september 2009, waar Boboli, vertegenwoordigd door mr. L.C.A.C. Hoogewerf, advocaat te Hoorn, en R.C. Hop, en het college, vertegenwoordigd door J.M. Polman, werkzaam bij het Servicebureau Gemeenten te Amersfoort, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 juli 2009 is de zogenoemde Vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat indien een bestuurlijke sanctie wordt opgelegd wegens een overtreding die plaatsvond voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing blijft.

2.2. Bij het bestreden besluit heeft het college een last onder dwangsom opgelegd wegens het overtreden van voorschrift A.5 van de bij besluit van 29 juli 1993 voor de inrichting verleende vergunning. Op grond van voorschrift A.5 mag het equivalent geluidniveau vanwege het in werking zijn van de inrichting niet meer bedragen dan 50, 45 en 40 dB(A) gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

De last onder dwangsom houdt in dat Boboli vóór 7 augustus 2009 verdere overtreding van voorschrift A.5 van de milieuvergunning van 29 juli 1993 moet beëindigen, in die zin dat ter plaatse van woningen van derden het equivalent geluidniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties niet meer bedraagt dan de in voorschrift A.5 gestelde grenswaarden. Indien niet aan deze lastgeving wordt voldaan, wordt een dwangsom verbeurd van € 2.000,00 voor elke geconstateerde overtreding van voorschrift A.5. Het maximum waarboven geen dwangsom wordt verbeurd, bedraagt € 10.000,00.

2.3. Niet in geschil is dat voorschrift A.5 van de vergunning van 29 juli 1993 is overtreden, zodat het college ter zake kon handhaven.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3.1. Boboli voert aan dat er concreet zicht op legalisatie bestaat en dat het college daarom had moeten afzien van handhavend optreden. Zij stelt dat zij op 9 juni 2009 een aanvraag om een revisievergunning heeft ingediend en dat het college voornemens is deze vergunning te verlenen.

2.3.2. Ter zitting heeft het college gesteld dat op de aanvraag zoals die is ingediend niet kan worden beslist, omdat aanvullende informatie nodig is. Reeds daarom is er naar het oordeel van de voorzitter geen concreet zicht op legalisatie. In zoverre bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.4. Boboli stelt dat het college ten onrechte heeft bepaald dat zij een dwangsom verbeurt per keer dat een overtreding wordt geconstateerd. De geluidgrenswaarden worden als gevolg van het in werking zijn van de inrichting continu overtreden. Dit betekent dat bij meerdere controles per dag, steeds weer dwangsommen zullen worden verbeurd, hetgeen in strijd is met de rechtszekerheid, aldus Boboli.

2.4.1. Op grond van artikel 5:32, vierde lid, van de Awb, voor zover hier van belang, zoals dat vóór 1 juli 2009 luidde, stelt het bestuursorgaan de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last.

2.4.2. Niet in geschil is dat het hier om een overtreding gaat met een continu karakter. Dit betekent dat zich geen op zichzelf staande overtredingen van voorschrift A.5 zullen voordoen. Het college heeft ter zitting gesteld dat slechts een keer per week een controle zal worden uitgevoerd. Gelet op die stelling van het college en gezien het continue karakter van de overtreding valt niet in te zien waarom het college een dwangsom per overtreding heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de voorzitter heeft het college dan ook niet in redelijkheid een dwangsom per overtreding kunnen vaststellen.

2.5. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen. De overige gronden behoeven gelet hierop geen bespreking.

2.6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bunschoten van 17 juli 2009, kenmerk SB|G/RP/HH12/348620;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bunschoten tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Boboli Benelux B.V. in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 671,59 (zegge: zeshonderdeenenzeventig euro en negenenvijftig cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Bunschoten aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Boboli Benelux B.V. het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H.J.J. Kalter, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Kalter

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2009

492.