Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ8297

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
200905433/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juli 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van IJsselstein (hierna: het college) op grond van het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (hierna: het Barim) een maatwerkvoorschrift gesteld voor de inrichting Club Onz aan de Voorstraat 14-20 te IJsselstein.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905433/1/M2.

Datum uitspraak: 18 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Club Onz B.V., gevestigd te IJsselstein,

verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van IJsselstein,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van IJsselstein (hierna: het college) op grond van het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (hierna: het Barim) een maatwerkvoorschrift gesteld voor de inrichting Club Onz aan de Voorstraat 14-20 te IJsselstein.

Tegen dit besluit heeft de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Club Onz B.V. (hierna: Club Onz) bezwaar gemaakt.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 juli 2009, heeft Club Onz de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 september 2009, waar Club Onz, vertegenwoordigd door F.J. Cohen, en het college, vertegenwoordigd door A.I.H. Nurmohamed, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit heeft het college een maatwerkvoorschrift gesteld dat inhoudt dat het maximale toegestane muziekgeluidniveau binnen de inrichting niet meer dan 96 dB(A), 91 dB(A) en 87 dB(A) gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode mag bedragen.

2.2. Club Onz stelt dat op grond van het door het college gestelde maatwerkvoorschrift ten onrechte geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. Volgens haar is voor de inrichting altijd een bedrijfsduurcorrectie toegepast en zou dat op grond van artikel 6.14 van het Barim nog steeds toegepast moeten worden.

2.2.1. Ingevolge artikel 6.14 van het Barim, voor zover hier van belang, kan het bevoegd gezag voor inrichtingen waarop onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 2.17, voorschrift 1.1.8 van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit horeca) van toepassing was, bij maatwerkvoorschrift bepalen dat artikel 2.18, tweede lid, van toepassing is voor de toetsing van geluidniveaus tussen 23.00 en 07.00 uur.

2.2.2. Voorschrift 1.1.8 van het Besluit horeca ziet op toepassing van de bedrijfsduurcorrectie voor inrichtingen waarvoor voor het inwerking treden van het Besluit horeca een Hinderwetvergunning gold op grond waarvan een bedrijfsduurcorrectie mocht worden toegepast. Bij besluit van 15 oktober 1992 is een Hinderwetvergunning verleend voor de inrichting. Aan deze vergunning is een voorschrift verbonden waarin is bepaald dat in geval van muziekgeluid binnen de inrichting de bedrijfsduurcorrectie niet mag worden toegepast. Dit betekent dat voorschrift 1.1.8 van het Besluit horeca niet van toepassing was op de inrichting. Artikel 6.14 van het Barim biedt in dit geval derhalve geen grondslag voor het toepassen van de bedrijfsduurcorrectie. Het college heeft in zoverre terecht gesteld dat het voor de inrichting geen bedrijfsduurcorrectie kan toepassen.

2.3. Club Onz stelt dat de in het maatwerkvoorschrift gestelde grenswaarden voor het muziekgeluidniveau in de inrichting te laag zijn om een discotheek te drijven. Het college heeft volgens haar ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de isolerende maatregelen die zijn uitgevoerd binnen de inrichting. Die maatregelen hebben volgens Club Onz tot gevolg dat hogere binnenwaarden kunnen worden toegestaan om te kunnen voldoen aan de in het Barim gestelde geluidgrenswaarden. Ter onderbouwing heeft Club Onz een brief van 23 september 2008 van Kupers & Niggebrugge overgelegd waaruit dit zou blijken.

2.3.1. Het college heeft het maatwerkvoorschrift gesteld om te bewerkstelligen dat de inrichting voldoet aan de in het Barim gestelde geluidgrenswaarden. Voor het stellen van het maatwerkschrift is het college uitgegaan van de gegevens die zijn opgenomen in het akoestisch rapport van Kupers & Niggebrugge van 24 oktober 2005 dat in opdracht van Club Onz is opgesteld. Het college heeft echter niet onderzocht of dit rapport ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog representatief was voor de situatie in de inrichting. Gezien de tijd die is verstreken tussen het opstellen van voornoemd akoestisch rapport en het nemen van het bestreden besluit had het op de weg van het college gelegen om, alvorens over te gaan tot het stellen van het maatwerkvoorschrift, te onderzoeken in hoeverre dit akoestisch rapport nog representatief is. Dit geldt temeer nu Club Onz de brief van 23 september 2008, waarin is omschreven welke isolerende maatregelen na het opstellen van het akoestisch rapport van 24 oktober 2005 in de inrichting zijn getroffen, reeds voor het nemen van het bestreden besluit aan het college had overgelegd.

2.3.2. Gelet hierop heeft het college het bestreden besluit niet slechts kunnen baseren op het akoestisch rapport van 24 oktober 2005 en is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht onzorgvuldig voorbereid.

2.4. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van IJsselstein van 15 juli 2009, kenmerk 2009/10316, tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;

II. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van IJsselstein aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Club Onz B.V. het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H.J.J. Kalter, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Kalter

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2009

492.