Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ8292

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-09-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
200809371/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juni 2007 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Slotervaart (hierna: het dagelijks bestuur) [appellant] onder verbeurte van een eenmalige dwangsom gelast het met artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet (hierna: HVW) strijdige gebruik van de woning [locatie] te [plaats] (hierna: de woning) als hotel te staken en gestaakt te houden en alle voorzieningen ten behoeve van het hotelmatige gebruik te verwijderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2009, 113 met annotatie van S.A.J. Munneke
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200809371/1/H3.

Datum uitspraak: 23 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 november 2008 in zaak nr. 08/1184 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Slotervaart.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2007 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Slotervaart (hierna: het dagelijks bestuur) [appellant] onder verbeurte van een eenmalige dwangsom gelast het met artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet (hierna: HVW) strijdige gebruik van de woning [locatie] te [plaats] (hierna: de woning) als hotel te staken en gestaakt te houden en alle voorzieningen ten behoeve van het hotelmatige gebruik te verwijderen.

Bij besluit van 12 februari 2008 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 november 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 december 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 6 januari 2009.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juli 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. C.R. Hettema, advocaat te Amsterdam en vergezeld van W.A. Abouzeid, tolk, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. C. Achthoven, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Buiten bezwaar van [appellant] heeft het dagelijks bestuur ter zitting nog een stuk ingediend.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge het vierde lid stelt het bestuursorgaan de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last. Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. Het vastgestelde bedrag staat in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

Ingevolge artikel 6:22 kan een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, ondanks schending van een vormvoorschrift, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist, in stand worden gelaten indien blijkt dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de HVW is het verboden een woonruimte die behoort tot een door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening daartoe met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad aangewezen categorie, zonder vergunning van burgemeester en wethouders aan de bestemming tot bewoning te onttrekken, of voor een zodanig gedeelte aan die bestemming te onttrekken, dat die woonruimte daardoor niet langer geschikt is voor bewoning door een huishouden van dezelfde omvang als waarvoor deze zonder zodanige onttrekking geschikt is.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Algemene wet op het binnentreden (hierna: de Awbi) is voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner een schriftelijke machtiging vereist, tenzij en voor zover bij wet aan rechters, rechterlijke colleges, leden van het openbaar ministerie, burgemeesters, gerechtsdeurwaarders en belastingdeurwaarders de bevoegdheid is toegekend tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. De machtiging wordt zo mogelijk getoond.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, is, voor zover de wet niet anders bepaalt, de burgemeester bevoegd tot het geven van een machtiging tot binnentreden in een woning gelegen binnen zijn gemeente voor andere doeleinden dan strafvordering.

Ingevolge artikel 4 kan de machtiging uitsluitend worden gegeven aan degene die bij of krachtens de wet bevoegd is verklaard zonder toestemming van de bewoners in een woning binnen te treden.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a en b, is de machtiging ondertekend en vermeldt deze de naam en de hoedanigheid van degene die de machtiging heeft gegeven en de naam of het nummer en de hoedanigheid van degene aan wie de machtiging is gegeven.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, kan degene die bevoegd is zonder toestemming van de bewoner binnen te treden, zich door anderen doen vergezellen, voor zover dit voor het doel van het binnentreden redelijkerwijs is vereist en, indien krachtens een machtiging wordt binnengetreden, de machtiging dit uitdrukkelijk bepaalt.

Ingevolge artikel 87, tweede lid, van de Gemeentewet kunnen de raad, het college en de burgemeester gezamenlijk bij verordening voor een deelgemeente een deelgemeentebestuur instellen, bestaande uit een deelraad en een dagelijks bestuur, waaraan de behartiging van een aanzienlijk deel van de belangen van deze deelgemeente wordt opgedragen, en waarbij de raad aan de deelraad de bevoegdheid tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften ten aanzien van die deelgemeente geheel of gedeeltelijk overdraagt.

Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, kunnen in de verordening de bevoegdheden van de burgemeester ten aanzien van een deelgemeente uitsluitend worden overgedragen aan de voorzitter van het dagelijks bestuur.

Ingevolge artikel 125, eerste lid, zoals dit luidde ten tijde van belang, is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Ingevolge het tweede lid, zoals dit luidde ten tijde van belang, wordt de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang uitgeoefend door het college, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

Ingevolge het vierde lid, zoals dit luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, bezit het dagelijks bestuur van een deelgemeente of de voorzitter van het dagelijks bestuur van een deelgemeente waaraan bevoegdheden van het college of de burgemeester zijn overgedragen, de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang en de bevoegdheid tot het geven van een machtiging tot binnentreden van een woning slechts indien ook die bevoegdheid uitdrukkelijk is overgedragen.

Bij artikel 26, vierde lid, van de Verordening op de stadsdelen, gelezen in samenhang met het derde lid, heeft de burgemeester van Amsterdam de bevoegdheid tot het geven van een machtiging tot het binnentreden van een woning overgedragen aan de voorzitter van het dagelijks bestuur van de stadsdelen.

2.2. Het dagelijks bestuur heeft aan het besluit van 18 juni 2007 ten grondslag gelegd dat bij inspectie van de woning op 23 mei 2007 en op basis van gegevens die op internet zijn aangetroffen, is vastgesteld dat de woning in strijd met artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de HVW aan de woonruimtevoorraad is onttrokken door deze te gaan gebruiken voor hoteldoeleinden. Bij het bestreden besluit heeft het dagelijks bestuur strijd met de bestemming "Woonwijk", neergelegd in de Partiële herziening van het westelijke gedeelte van het Algemeen Uitbreidingsplan 1950 mede ten grondslag gelegd aan de opgelegde last.

2.3. [appellant] betoogt allereerst dat het dagelijks bestuur ten onrechte heeft aangenomen dat hij eigenaar was van de woning ten tijde van het besluit van 18 juni 2007.

2.3.1. [appellant] heeft dit betoog eerst in hoger beroep aangevoerd. Reeds omdat het hoger beroep gericht is tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is om aan te nemen dat [appellant] dit niet bij de rechtbank heeft kunnen aanvoeren en hij dit, gelet op de functie van het hoger beroep, had behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te worden gelaten.

2.4. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat ambtenaren van het stadsdeel bij de inspectie op 23 mei 2007 onrechtmatig zijn binnengetreden in de woning, zodat het dagelijks bestuur bij de besluitvorming geen gebruik mocht maken van de bevindingen van het bij die inspectie verrichte onderzoek.

Hij voert aan dat ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Awbi de burgemeester bevoegd is tot het afgeven van een machtiging tot het binnentreden van een woning. Gelet op de aard van de bevoegdheid, namelijk een inperking van een grondrecht zoals verankerd in artikel 10 van de Grondwet, artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, kan de burgemeester deze bevoegdheid, zonder grondslag daartoe in een wet in formele zin, niet aan een ander overdragen. Nu artikel 26, derde en vierde lid, van de Verordening op de stadsdelen geen wet in formele zin is, is de voorzitter van het dagelijks bestuur niet bevoegd tot het geven van een machtiging tot het binnentreden van de woning. De rechtbank heeft dit volgens hem niet onderkend.

Bovendien vermeldt de machtiging dat deze is afgegeven door de stadsdeelvoorzitter, maar wordt de naam van de stadsdeelvoorzitter niet genoemd en heeft de stadsdeelvoorzitter de machtiging feitelijk niet ondertekend. De rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur hiermee heeft gehandeld in strijd met artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awbi, aldus [appellant].

Hij stelt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het dagelijks bestuur in strijd met artikel 8, tweede lid, van de Awbi heeft gehandeld, nu twee personen die de woning zijn binnengetreden hiertoe niet bevoegd waren, omdat deze personen niet op de machtiging stonden vermeld.

Tenslotte stelt hij dat C. Mendels, die de woning is binnengetreden, hiertoe niet bij of krachtens de wet bevoegd is verklaard zoals bedoeld in artikel 4 van de Awbi.

2.4.1. Niet in geschil is dat de hiervoor bedoelde ambtenaren geen toestemming van de bewoner, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Awbi, hadden om binnen te treden in de woning en derhalve een schriftelijke machtiging vanwege het bevoegd gezag nodig hadden.

2.4.2. Het bepaalde in artikel 87, derde lid in samenhang met artikel 125, vierde lid, van de Gemeentewet vormt de vereiste wettelijke grondslag voor de overdracht in artikel 26, derde en vierde lid, van de Verordening op de stadsdelen van de bevoegdheid van de burgemeester tot het verstrekken van machtigingen tot binnentreden aan de voorzitter van het stadsdeel. Daarmee is voldaan aan het in artikel 10 van de Grondwet, artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gestelde vereiste van een wettelijke basis voor het mogen inperken van het recht op de persoonlijke levenssfeer.

Met de rechtbank wordt voorts overwogen dat in de machtiging van 22 mei 2007 niet de naam vermeld staat van degene die de machtiging heeft afgegeven. De rechtbank heeft hierin evenwel terecht met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, geen aanleiding gevonden om tot vernietiging van het aangevallen besluit over te gaan. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de handtekening op de machtiging van 22 mei 2007 op eenvoudige wijze is te herleiden tot de persoon die de machtiging heeft getekend en dat nimmer aanleiding heeft bestaan, ook niet voor [appellant], om te twijfelen aan de ondertekening van de machtiging door de stadsdeelvoorzitter, ondanks het ontbreken van de naam. Derhalve heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat [appellant] door de schending van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awbi niet is benadeeld.

Anders dan [appellant] betoogt, is bij het binnentreden door de ambtenaren niet gehandeld in strijd met artikel 8, tweede lid, van de Awbi. De machtiging van 22 mei 2007 geeft aan drie bij naam genoemde ambtenaren de bevoegdheid om de woning binnen te treden. Elk van de op de machtiging genoemde ambtenaren mocht zich ingevolge artikel 8, tweede lid, van de Awbi laten vergezellen bij binnentreding, nu de machtiging expliciet voorziet in deze mogelijkheid. Niet noodzakelijk is dat de personen die de in de machtiging genoemde ambtenaar vergezellen bij binnentreding van de woning in de machtiging bij naam worden genoemd.

Dat C. Mendels niet bij of krachtens de wet bevoegd is verklaard om zonder toestemming van de bewoners in een woning binnen te treden, wat hier ook van zij, doet niet ter zake, nu de machtiging om de woning binnen te treden aan N. Luyten is gegeven en zij zich op basis van de machtiging heeft laten vergezellen door C. Mendels.

2.4.3. De rechtbank heeft dan ook op goede gronden geoordeeld dat het dagelijks bestuur gebruik heeft mogen maken van de bevindingen van de inspectie, verricht met binnentreden in de woning. Het betoog faalt.

2.5. [appellant] bestrijdt voorts het oordeel van de rechtbank dat het dagelijks bestuur bevoegd was om handhavend op te treden. Hiertoe voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zowel de indeling als de inrichting van de woning wijst op gebruik van de woning voor hotelmatige verhuur in plaats van langdurige gemeubileerde verhuur. [appellant] wijst erop dat de woning bestaat uit een woonkamer, twee slaapkamers met tweepersoonsbedden, een keuken, toilet en badkamer. Daarnaast voert hij hiertoe aan, onder verwijzing naar een aantal huurcontracten, dat de woning wordt bewoond door huurders die de woning voor bepaalde tijd huren. Tenslotte betoogt [appellant] hiertoe dat het ingeschreven staan in de gemeentelijke basisadministratie een verplichting voor de huurder is en niet voor de verhuurder. Daarom heeft de rechtbank de omstandigheid dat de huurders zich niet hebben ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie ten onrechte aangemerkt als een aanwijzing dat de woning hotelmatig wordt geëxploiteerd. Derhalve is de woning volgens hem niet onttrokken aan de woonruimtevoorraad en wordt door hem niet in strijd met het bestemmingsplan gehandeld.

2.5.1. Op basis van gegevens die op het internet zijn aangetroffen bestond bij het dagelijks bestuur een vermoeden dat de woning werd gebruikt voor hoteldoeleinden. Teneinde duidelijkheid te krijgen over het gebruik van de woning heeft het dagelijks bestuur op 23 mei 2007 in de woning een inspectie gehouden. Uit het verslag van bevindingen van deze inspectie blijkt dat in de woning, afgezien van bagage, niet of nauwelijks persoonlijke bezittingen zijn aangetroffen en dat de koelkast nagenoeg leeg was. Wel waren in de woning twee koffers aanwezig uit IJsland met labels waarop aankomstdatum 18 mei 2007 stond, terwijl de toenmalige huurders van de woning uit Italië kwamen. Naar aanleiding van deze bevindingen en het feit dat de woning op internet stond vermeld als hotel, heeft het dagelijks bestuur geconstateerd dat de woning wordt gebruikt voor hoteldoeleinden en heeft het [appellant] gelast het hotelmatige gebruik van de woning te staken en gestaakt te houden en alle voorzieningen ten behoeve van het hotelmatige gebruik te verwijderen.

Ten behoeve van het besluit op bezwaar heeft het dagelijks bestuur op 1 augustus 2007 een tweede inspectie in de woning gehouden. Uit het verslag van bevindingen blijkt dat in de woning buitenlanders verbleven die blijkens de contracten de woning niet huurden en volgens hun eigen verklaring kortstondig en kosteloos in de woning verbleven.

Gelet op dit samenstel van bevindingen begrijpt de Afdeling de op grond hiervan opgelegde last aldus, dat deze ertoe strekt dat het feitelijk gebruik dat van de woning wordt gemaakt, niet wordt voortgezet. Dienaangaande heeft het dagelijks bestuur in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat het kortstondig en gratis verblijf van buitenlanders in de woning zonder persoonlijke bezittingen en zonder levensmiddelen in de koelkast, alsmede het op internet aanbieden van de woning voor kortstondig verblijf niet onder het begrip wonen valt. Gelet hierop heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat [appellant] heeft gehandeld in strijd met artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de HVW en met het bestemmingsplan. Derhalve was het dagelijks bestuur bevoegd [appellant] met betrekking tot het geconstateerde gebruik een last onder dwangsom op te leggen.

Het betoog dat de woning niet hotelmatig wordt gebruikt, omdat de huurders de woning voor bepaalde tijd gemeubileerd huren en dat inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie een verplichting is voor de huurder en niet voor de verhuurder, behoeft geen afzonderlijke bespreking, omdat de last geen betrekking heeft op de gestelde verhuur van de woning voor zes maanden en de mogelijk daarbij behorende verplichting tot inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie.

Het betoog van [appellant] faalt.

2.6. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.7. [appellant] betoogt dat het dagelijks bestuur door oplegging van de last onder dwangsom het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden aangezien de nadelige gevolgen van de last onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Hiertoe voert hij aan dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam op 23 september 2008 heeft ingestemd met de beleidsnotitie short stay waardoor op basis van een vergunningstelsel verhuur van woningen voor periodes van een week tot zes maanden mogelijk is.

Bovendien heeft het dagelijks bestuur het gelijkheidsbeginsel geschonden, nu het stadsdeel Centrum ten aanzien van hotelmatig gebruik van een woning een ander beleid voert dan het stadsdeel Slotervaart, aldus [appellant].

2.7.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het dagelijks bestuur in redelijkheid de belangen die gediend worden met handhaving zwaarder kunnen laten wegen dan het financiële belang van [appellant] bij voortzetting van de overtreding. Dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam op 23 september 2008 heeft ingestemd met een beleidsnotitie short-stay doet hier niet aan af, reeds omdat het dagelijks bestuur ten tijde van het besluit van 18 juni 2007 geen short-stay beleid had vastgesteld.

Voorts is het gegeven dat het stadsdeel Centrum ten aanzien van hotelmatig gebruik van een woning ander beleid voert dan het stadsdeel Slotervaart, wat hier ook van zij, onvoldoende om te oordelen dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, nu elk stadsdeel bevoegd is een eigen beleid te voeren en door [appellant] niet aannemelijk is gemaakt dat het stadsdeel Slotervaart gelijke gevallen verschillend behandelt.

Het betoog faalt.

2.8. [appellant] betoogt tenslotte dat de rechtbank heeft miskend dat de hoogte van de opgelegde dwangsom niet voldoende is gemotiveerd. De redenering die het dagelijks bestuur heeft gevolgd om de hoogte van de dwangsom vast te stellen is onjuist en innerlijk tegenstrijdig, aldus [appellant].

2.8.1. Bij besluit van 18 juni 2007 is de hoogte van de dwangsom vastgesteld op € 66.000,00. Het dagelijks bestuur heeft dit bedrag gebaseerd op het financiële voordeel dat kan worden verwacht bij het niet naleven van de regels gedurende een half jaar. Het heeft daartoe de huurprijs van de woning van € 1.400,00 vermenigvuldigd met vier, aangezien de woning aan vier personen slaapplaats kan bieden, en vervolgens dat bedrag vermenigvuldigd met zes (maanden). Als extra prikkel om het niet naleven van de regels te beëindigen, is het bedrag vermenigvuldigd met twee.

2.8.2. Het opleggen van een last onder dwangsom heeft ten doel de overtreder te bewegen tot naleving van de voor hem geldende regels. Om dit doel te bereiken kan de hoogte van de dwangsom worden afgestemd op het financiële voordeel dat een overtreder kan verwachten bij het niet naleven van de voor hem geldende regels.

Ter zitting bij de Afdeling heeft het dagelijks bestuur evenwel geen verklaring kunnen geven voor de vermenigvuldiging van de huurprijs met vier.

De huurprijs van € 1.400,00 ziet op de gehele woning, ongeacht het aantal personen dat in de woning verblijft. Naar het oordeel van de Afdeling is de verwachting dat [appellant], indien hij de woning hotelmatig verhuurt, vier maal € 1.400,00 per maand aan huurinkomsten ontvangt, dan ook onjuist.

Gelet hierop berust het besluit van 12 februari 2008 in zoverre niet op een deugdelijke motivering, hetgeen in strijd is met artikel 7:12 van de Awb. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het betoog slaagt.

2.9. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van 12 februari 2008 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen, voor zover daarbij het besluit van 18 juni 2007 is gehandhaafd wat betreft de hoogte van de dwangsom. De Afdeling ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien. Zij zal daartoe de hoogte van de dwangsom matigen tot een bedrag van € 16.800,00, hetgeen de uitkomst is van de berekeningswijze die het dagelijks bestuur heeft gehanteerd, zonder vermenigvuldigingsfactor vier.

2.10. Het dagelijks bestuur dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 november 2008 in zaak nr. 08/1184;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Slotervaart van 12 februari 2008, met besluitnummer DB08065.BMO en kenmerk SLOV/2007/7509, voor zover daarbij de hoogte van de dwangsom is gehandhaafd op € 66.000,00;

V. verklaart het bezwaar gegrond;

VI. herroept het besluit van het dagelijks bestuur van 18 juni 2007, met kenmerk SLOV/2007/6228, voor zover daarbij de hoogte van de dwangsom is gesteld op € 66.000,00;

VII. bepaalt dat de hoogte van de dwangsom wordt vastgesteld op € 16.800,00 (zegge: zestienduizendachthonderd euro);

VIII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 12 februari 2008, voor zover dit is vernietigd;

IX. veroordeelt het dagelijks bestuur van het stadsdeel Slotervaart tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

X. gelast dat het dagelijks bestuur van het stadsdeel Slotervaart aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 361,00 (zegge: driehonderdeenenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Pikart-van den Berg

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2009

350-591.