Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ8285

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-09-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
200808303/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 oktober 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet (hierna: het college) geweigerd aan [appellanten] een veranderingsvergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor een rundveehouderij gelegen aan de [locatie] te [plaats] te verlenen. Dit besluit is op 22 oktober 2008 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet arbeid vreemdelingen
Wet arbeid vreemdelingen 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/778
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200808303/1/M2.

Datum uitspraak: 23 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet (hierna: het college) geweigerd aan [appellanten] een veranderingsvergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor een rundveehouderij gelegen aan de [locatie] te [plaats] te verlenen. Dit besluit is op 22 oktober 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 november 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 augustus 2009, waar [appellanten], waarvan [een der appellanten] in persoon, en het college, vertegenwoordigd door J. Korterink, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellanten] voeren aan dat het college zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat verlening van de gevraagde vergunning in strijd is met respectievelijk de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij. In dit verband voeren zij aan dat het college bij de beoordeling van de ammoniakemissie onderscheidenlijk de geurbelasting vanwege de inrichting er ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden dat de gevraagde 156 kalveren niet 52 weken per jaar in de inrichting worden gehouden maar slechts 45 weken per jaar. Het veebestand komt daarom overeen met het houden van 134 kalveren gedurende 52 weken per jaar, zijnde het veebestand zoals dat mag worden gehouden op grond van de in 2003 voor de inrichting verleende vergunning. Van een toename van ammoniakemissie en geurbelasting is daarom volgens hen geen sprake.

2.1.1. Ingevolge artikel 6 van de Wet ammoniak en veehouderij wordt een vergunning voor het veranderen van een veehouderij geweigerd, indien de aanvraag betrekking heeft op een uitbreiding van het aantal dieren van een of meer diercategorieën en een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een zeer kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij, voor zover hier van belang, wordt, in afwijking van artikel 6 de vergunning niet geweigerd, voor zover:

a. de ammoniakemissie uit de dierenverblijven na de uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die de veehouderij voorafgaand aan de uitbreiding:

1°. zou mogen veroorzaken indien de emissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde, of

2°. op grond van eerder verleende nog geldende vergunningen mocht veroorzaken, indien deze lager is dan de ammoniakemissie, als bedoeld onder 1°.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Wet ammoniak en veehouderij wordt voor de berekening van de ammoniakemissie van een veehouderij het aantal dieren dat in de veehouderij aanwezig mag zijn, vermenigvuldigd met de emissiefactoren.

Ingevolge artikel 2 van de Regeling ammoniak en veehouderij gelden voor de berekening van de ammoniakemissie van een veehouderij de emissiefactoren die zijn opgenomen in bijlage 1.

2.1.2. Vast staat dat de inrichting ligt binnen een afstand van 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied. Gelet hierop dient de vergunning, gelet op artikel 6 van de Wet ammoniak en veehouderij te worden geweigerd. Dit is slechts anders indien, voor zover hier van belang, de in artikel 7, eerste lid, van Wet ammoniak en veehouderij genoemde uitzondering zich voordoet.

De gevraagde vergunning heeft betrekking op het houden van 156 vleeskalveren. Bij besluit van 5 december 2003 is aan [appellanten] vergunning verleend voor het houden van 134 vleeskalveren. De gevraagde vergunning ziet derhalve op een toename van het aantal dieren met 22. Niet in geschil is dat de vleeskalveren, zowel in de in 2003 vergunde situatie als in de gevraagde situatie worden gehouden in een stalsysteem dat overeenkomt met de categorie A 4.3 in bijlage 1 bij de Regeling ammoniak en veehouderij. Gelet op het bepaalde in artikel 1, tweede lid, van de Wet ammoniak en veehouderij, gelezen in samenhang met artikel 2 van de Regeling ammoniak en veehouderij, leidt verlening van de gevraagde vergunning daarom tot een toename van de ammoniakemissie van 335 kg NH3 in de bestaande situatie tot 390 kg NH3 in de gevraagde situatie.

Voor de berekening van de ammoniakemissie is, gelet op het bepaalde in artikel 1, tweede lid, van de Wet ammoniak en veehouderij uitsluitend het aantal dieren dat in de inrichting aanwezig mag zijn van belang en niet de periode dat deze dieren in de inrichting verblijven. De stelling van [appellanten] dat niet gedurende het gehele jaar kalveren in de inrichting worden gehouden maar slechts gedurende 45 weken biedt daarom geen grond voor het oordeel dat de overeenkomstig artikel 1, tweede lid, van de Wet ammoniak en veehouderij, berekende ammoniakemissie evenredig dient te worden verlaagd.

De stelling van [appellanten] dat zij op grond van een vergunning die aan de bij besluit van 5 december 2003 verleende vergunning voorafging, 210 kalveren in de inrichting mochten houden en destijds dus de vergunde ammoniakemissie groter was dan 335 kg NH3 kan niet slagen omdat dat de aan de vergunning van 5 december 2003 voorafgaande vergunning niet de aan de uitbreiding voorafgaande nog geldende vergunning is, zodat daarmee op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij geen rekening kan worden gehouden.

Het college heeft zich, gelet op de ligging van de inrichting binnen 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied en de toename van de ammoniakemissie bij verlening van de gevraagde vergunning, terecht op het standpunt gesteld dat de Wet ammoniak en veehouderij aan vergunningverlening in de weg staat. De beroepsgrond faalt.

2.1.3. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, voor zover hier van belang, van de Wet geurhinder en veehouderij, wordt een vergunning voor een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object gelegen binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht.

Ingevolge het derde lid wordt de vergunning in afwijking van het eerste lid niet geweigerd indien de geurbelasting niet toeneemt en het aantal dieren van één of meer diercategorieën niet toeneemt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling geurhinder en veehouderij wordt de geurbelasting vanwege een veehouderij berekend met inachtneming van het verspreidingsmodel

"V-stacks vergunning".

Ingevolge het zesde lid is het aantal odour units per seconde per dier van een diercategorie, het aantal dieren van een diercategorie vermenigvuldigd met de voor de desbetreffende diercategorie in bijlage 1 opgenomen geuremissiefactor.

2.1.4. Het college heeft de geurbelasting vanwege de inrichting berekend met het verspreidingsmodel "V-stacks vergunning". Hieruit blijkt dat de geurbelasting op de aan de Kleine Kolonieweg 81 gelegen woning 26,19 odour units bedraagt, en op de aan de Kleine Kolonieweg 79 gelegen woning 16,78 odour units. Niet gebleken is dat deze berekening onjuist is. De stelling van [appellanten] dat in dit geval van een lagere geurbelasting moet worden uitgegaan omdat de kalveren niet gedurende 52 weken maar 45 weken in de inrichting worden gehouden vindt grondslag in de Wet geurhinder en veehouderij noch de Regeling geurhinder en veehouderij. Het college heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet geurhinder en veehouderij genoemde grenswaarde wordt overschreden zodat de gevraagde vergunning slechts kan worden verleend indien de geurbelasting niet toeneemt en het aantal dieren van één of meer diercategorieën niet toeneemt. Nu de aanvraag onder meer betrekking heeft op een uitbreiding van het aantal vleeskalveren in de inrichting heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de Wet geurhinder en veehouderij aan verlening van de gevraagde vergunning in de weg staat.

De beroepsgrond faalt.

2.2. [appellanten] voeren aan dat hun buurman meer dan 800 kalveren mag houden en begrijpen niet dat het hen niet is toegestaan rechten voor het houden van kalveren te kopen van de buurman, zodat zij alsnog het gevraagde veebestand kunnen houden.

2.2.1. Daargelaten het antwoord op de vraag of de buurman bereid zou zijn daaraan medewerking te verlenen overweegt de Afdeling dat de Wet milieubeheer, Wet ammoniak en veehouderij noch de Wet geurhinder en veehouderij voorzien in de door [appellanten] gewenste overdracht van rechten voor het houden van kalveren. Reeds hierom faalt de beroepsgrond.

2.3. [appellanten] voeren aan dat hun bedrijf al in 1969 is opgericht en uitbreiding van het aantal vleeskalveren in de inrichting tot een aantal van 156 dieren noodzakelijk is om het bedrijf rendabel te kunnen houden en daaruit voldoende inkomsten te kunnen genereren.

2.3.1. De Wet milieubeheer, de Wet ammoniak en veehouderij noch de Wet geurhinder en veehouderij bieden een grondslag om bij de beslissing op de aanvraag hiermee rekening te houden.

De beroepsgrond faalt.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Taal

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2009

325-576.