Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ8284

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-09-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
200807637/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 augustus 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een nertsenhouderij gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 3 september 2008 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2009/2657
JOM 2009/777
JAF 2009/90 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807637/1/M2.

Datum uitspraak: 23 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een nertsenhouderij gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 3 september 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 oktober 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 augustus 2009, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. H.H. van Steijn, advocaat te Apeldoorn, en het college, vertegenwoordigd door ing. D. van Gijtenbeek, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar vergunninghoudster, bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De bij het bestreden besluit verleende revisievergunning heeft betrekking op het houden van 6.000 fokteven van nertsen.

2.2. [appellant] stelt dat het college de gevraagde vergunning in strijd met de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wet geurhinder) heeft verleend omdat het heeft miskend dat zijn nabij de inrichting gelegen perceel met woonbestemming aan de Woutersdijk ongenummerd, en het zich daarop bevindende gebouw, geurgevoelige objecten zijn. In dit verband voert hij aan dat het college een onjuiste maatstaf hanteert bij de beoordeling of zijn perceel als geurgevoelig object kan worden aangemerkt. Volgens [appellant] volgt uit de memorie van toelichting bij het voorstel van wet (TK 2005-2006, 30 453, nr. 3) dat om als geurgevoelig object te kunnen worden aangemerkt de locatie bestemd moet zijn voor menselijk wonen. Wat betreft zijn perceel is daarvan volgens hem sprake omdat hierop de dubbelbestemming "agrarisch wonen met landschapswaarde" en "wonen" rust.

2.2.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het perceel noch het zich daarop bevindende gebouw kunnen worden aangemerkt als geurgevoelige objecten.

2.2.2. Ingevolge artikel 1 van de Wet geurhinder, voor zover hier van belang, wordt onder een geurgevoelig object verstaan: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet geurhinder betrekt het bevoegd gezag bij een beslissing inzake de vergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 9.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Wet geurhinder, voor zover hier van belang, wordt de afstand of de geuremissiefactor voor pelsdieren vastgesteld bij ministeriële regeling.

Ingevolge artikel 3 van de Regeling geurhinder en veehouderij (hierna: de Regeling geurhinder) is de afstand, als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet geurhinder opgenomen in bijlage 2.

In bijlage 2 van de Regeling geurhinder is, voor zover hier van belang, bepaald dat indien 3001 tot 6000 fokteven worden gehouden de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom minimaal 175 meter dient te bedragen. Voorts is hier bepaald dat indien de pelsdieren in een emissiearme huisvesting worden gehouden, waarbij de ammoniakemissie kleiner of gelijk is aan 0,25 kg per dierplaats per jaar, deze afstand wordt verkleind met 25 meter.

2.2.3. Niet in geschil is dat de nertsen worden gehouden in een emissie-arme huisvesting als genoemd in bijlage 2 bij de Regeling geurhinder. Gelet op het bepaalde in bijlage 2 van die regeling en het aantal te houden fokteven dient derhalve een afstand van 150 meter te worden aangehouden vanaf de buitenzijde van een geurgevoelig object tot het dichtstbijzijnde emissiepunt.

Het perceel van [appellant] ligt op ongeveer 15 meter ten westen van de grens van de inrichting. De afstand van het dichtstbijzijnde emissiepunt van de nertsenverblijven tot dit perceel is ongeveer 115 meter. Gelet hierop ligt in ieder geval een deel van het perceel van [appellant] binnen de voormelde afstand van 150 meter vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt.

Uit de zich in het dossier bevindende foto's en het verhandelde ter zitting is gebleken dat op het perceel van [appellant] een halfopen paardenstal annex werktuigenschuur (hierna: de werktuigenschuur) staat die niet meer in gebruik is.

2.2.4. Gelet op de definitie in artikel 1 van de Wet geurhinder kunnen uitsluitend gebouwen die aan de daarin genoemde vereisten voldoen worden aangemerkt als geurgevoelig object. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat het perceel van [appellant] niet kan worden aangemerkt als geurgevoelig object.

2.2.5. De zich op het perceel van [appellant] bevindende paardenstal annex werktuigberging is blijkens zijn aard geschikt voor de huisvesting van paarden en werktuigen. Het gebouw, waarvan ter zitting is vast komen te staan dat het niet meer in gebruik is, is niet geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat dit gebouw geen geurgevoelig object is.

2.2.6. Voor zover [appellant] heeft beoogd aan te voeren dat hij een woning op het perceel wenst te bouwen en het college daarmee als toekomstige ontwikkeling rekening had moeten houden, overweegt de Afdeling dat de Wet geurhinder daarvoor geen grondslag biedt.

2.3. [appellant] vreest stankhinder ten gevolge van kadavers van de gevilde pelsdieren. In dit verband voert hij aan dat aan de vergunning geen voorschriften zijn verbonden met betrekking tot de periodieke afvoer van kadavers. De in de aanvraag opgenomen afvoerfrequentie van één maal per jaar acht hij in dit verband onvoldoende. Voorts zijn volgens hem ten onrechte geen voorschriften opgenomen die gebruik van een kadaverkoeling verplicht stellen.

2.3.1. Eerst ter zitting heeft [appellant] in dit verband als nader argument de niet nader onderbouwde stelling naar voren gebracht dat de afvoerfrequentie van één maal per jaar in strijd is met het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van Verordening (EG) 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten. Dit is in dit stadium van de procedure, mede nu niet is gebleken dat dit niet eerder had gekund, in strijd met de goede procesorde. De Afdeling laat dit argument daarom buiten beschouwing bij de beoordeling van het beroep.

2.3.2. In voorschrift 5.3 bij de vergunning is bepaald dat kadavers van dieren en afvalstoffen van dierlijke aard, onverminderd het bepaalde in de Destructiewet, niet op het terrein van de inrichting mogen worden begraven.

In voorschrift 5.3.1 is bepaald dat kadavers van dieren en afvalstoffen van dierlijke aard, in afwachting van afvoer uit de inrichting naar een daartoe ingerichte verwerkingsinrichting, moeten worden bewaard in een deugdelijke, waterdichte verpakking of in een goed gesloten speciaal daartoe bestemd ruimte.

In de aanvraag is vermeld dat kadavers alleen in de pelstijd worden opgehaald en dat dieren die door het jaar heen dood gaan worden ingevroren.

2.3.3. Ter zitting hebben het college en vergunninghoudster onweersproken gesteld dat gedurende het jaar slechts enkele nertsen dood gaan. Deze nertsen worden overeenkomstig hetgeen dienaangaande is vermeld in de aanvraag, ingevroren. De afvoer van de kadavers gebeurt in de pelstijd vrijwel direct na het pelzen. Na het pelzen moeten de kadavers tot het moment van afvoer overeenkomstig het bepaalde in voorschrift 5.3.1 in de inrichting worden bewaard. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat het college de voorschriften 5.3 en 5.3.1 niet toereikend heeft kunnen achten om onaanvaardbare stankhinder ten gevolge van de kadavers van de nertsen te voorkomen.

De beroepsgrond faalt.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Taal

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2009

325-576.