Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ8275

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-09-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
200900019/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 11 oktober 2006 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek (hierna: het dagelijks bestuur) aan [appellant] medegedeeld dat aan hem op 6 september 2006 van rechtswege bouwvergunning is verleend voor het gedeeltelijk vernieuwen van een recreatieverblijf aan de [locatie] te [plaats], deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200900019/1/H1.

Datum uitspraak: 23 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 november 2008 in zaak nr. 07/2128 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek.

1. Procesverloop

Bij brief van 11 oktober 2006 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek (hierna: het dagelijks bestuur) aan [appellant] medegedeeld dat aan hem op 6 september 2006 van rechtswege bouwvergunning is verleend voor het gedeeltelijk vernieuwen van een recreatieverblijf aan de [locatie] te [plaats], deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek (hierna: het perceel).

Bij besluit van 1 mei 2007 heeft het dagelijks bestuur het door de Vereniging Stedenbouwkundig Wijkbehoud (hierna: de VSW) en [partij] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de mededeling van 11 oktober 2006 dat een van rechtswege verleende bouwvergunning is ontstaan ten onrechte is gedaan.

Bij uitspraak van 20 november 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 januari 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 2 maart 2009.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 september 2009, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.G.M. Roijers, advocaat te Rotterdam, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. drs. M.A.C. Kooij, ambtenaar in dienst van de deelgemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 46, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet, zoals dat luidde ten tijde van belang, beslissen burgemeester en wethouders omtrent een aanvraag om een reguliere bouwvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag.

Ingevolge het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders hun beslissing omtrent een aanvraag om een reguliere bouwvergunning eenmaal met ten hoogste zes weken verdagen.

Ingevolge het derde lid is het eerste lid niet van toepassing, indien de aanvraag betrekking heeft op een bouwwerk voor het bouwen waarvan slechts bouwvergunning kan worden verleend nadat vrijstelling is verleend als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO).

Ingevolge het vierde lid is de bouwvergunning van rechtswege verleend indien burgemeester en wethouders niet voldoen aan het eerste lid.

Ingevolge het vijfde lid wordt verlening van de bouwvergunning van rechtswege aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Ingevolge artikel 58 wordt de eigenaar of hoofdgebruiker van een naburig ander gebouw, overeenkomstig bij de bouwverordening gegeven voorschriften, door burgemeester en wethouders binnen twee weken na de dag waarop een bouwvergunning van rechtswege is verleend, schriftelijk van deze verlening in kennis gesteld.

2.2. Bij de beoordeling van het hoger beroep stelt de Afdeling voorop dat het besluit van 1 mei 2007 inhoudelijk moet worden gekwalificeerd als een gegrondverklaring van de bezwaren van de VSW en [partij], aangezien bij dit besluit op grondslag van deze bezwaren de van rechtswege verleende bouwvergunning is herroepen. De Afdeling ziet mede in verband met het navolgende geen aanleiding aan de in de beslissing op bezwaar verkeerd gebruikte terminologie gevolgen te verbinden.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur het bezwaar van de VSW en [partij] ten onrechte niet wegens onverschoonbare termijnoverschrijving niet-ontvankelijk heeft geacht. De VSW en [partij] konden door de publicatie van de voorliggende aanvraag op de hoogte zijn van de procedure en derhalve ook van het verstrijken van de termijn waarbinnen op die aanvraag moest worden beslist, zodat het indienen van een bezwaarschrift tegen de van rechtswege verleende bouwvergunning na afloop van de daarvoor gestelde termijn niet verschoonbaar is, aldus [appellant].

2.3.1. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.3.2. Op 15 november 2006 heeft het dagelijks bestuur de verlening van bouwvergunning van rechtswege op 6 september 2006 in een huis-aan-huisblad gepubliceerd. Voorts heeft het dagelijks bestuur bij onderscheiden brieven van 15 november 2006 de VSW en [partij] van die verlening in kennis gesteld. Zowel in de publicatie als in de brieven heeft het dagelijks bestuur vermeld dat zo spoedig mogelijk, bij voorkeur binnen veertien dagen na de publicatie, onderscheidenlijk dagtekening van de brieven, tegen de van rechtswege verleende bouwvergunning bezwaar kan worden gemaakt. Naar aanleiding van deze publicatie en brieven, hebben de VSW en [partij] bij onderscheiden brieven van 24 november 2006, onderscheidenlijk 23 november 2006 tegen de van rechtswege verleende bouwvergunning bezwaar gemaakt. Weliswaar is de voor het indienen van het bezwaar geldende termijn als bedoeld in artikel 6:7 van de Awb hiermee overschreden, maar de termijnoverschrijding is verschoonbaar, nu de VSW en [partij] eerst bij voormelde brieven van 15 november 2006 overeenkomstig artikel 58 van de Woningwet er in kennis van zijn gesteld dat en wanneer aan [appellant] bouwvergunning van rechtswege is verleend. Voorts is daarbij van belang dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 23 mei 2007 in zaak nr. 200604827/1), indien een bestuursorgaan bij een bekendmaking van een besluit, verplicht of onverplicht, onjuiste rechtsmiddelenvoorlichting verschaft, een daardoor veroorzaakte termijnoverschrijding in de regel verschoonbaar is. De VSW en [partij] hebben binnen de door het dagelijks bestuur aangegeven termijn bezwaar gemaakt. Van omstandigheden die afwijking van deze in de vaste rechtspraak verankerde regel rechtvaardigen, is niet gebleken.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur de VSW en [partij] ten onrechte heeft aangemerkt als belanghebbenden bij het besluit van 6 september 2006. Daartoe voert hij aan dat [partij] vanuit zijn woning, welke op omstreeks 100 meter van het perceel is gelegen, geen zicht heeft op het perceel, en dat de doelstellingen van de VSW niet zien op het opkomen voor het door haar gestelde belang.

2.4.1. Dit betoog faalt evenzeer. Anders dan [appellant] stelt, zijn de afstanden van de woning van [partij] tot het perceel, te weten 80 meter, en de afstand van deze woning tot het voorliggend bouwplan, 100 meter, niet zo groot, dat [partij] door de vergunningverlening in verband daarmee niet rechtstreeks in zijn belang is getroffen.

Volgens haar statuten stelt de VSW zich ten doel het eigen karakter van de wijk te beschermen en te behouden. Daarbij gaat het om zowel historisch waardevolle panden als om de omgeving daarvan, onder meer de straten en de pleinen, de bomen, de plassen: alle zaken die het ruimtelijk karakter van de wijk bepalen. Dit doel is voldoende om aan te nemen dat de VSW door het besluit van 6 september 2006 rechtstreeks wordt getroffen in een belang dat zij in het bijzonder behartigt als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

2.5. De aanvraag om bouwvergunning is op 14 juni 2006 bij het dagelijks bestuur ingekomen. Vaststaat dat het dagelijks bestuur niet binnen de op grond van artikel 46, eerste lid, van de Woningwet gestelde termijn op die aanvraag heeft beslist. Een beslissing tot verdaging is niet genomen. Dit heeft tot gevolg dat de bouwvergunning van rechtswege is verleend, tenzij vrijstelling is vereist.

2.6. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 april 2008 in zaak nr. 200705823/1), kan de vraag of een bouwvergunning van rechtswege is verleend niet worden beantwoord dan na onderzoek door de rechter of zich een weigeringsgrond ingevolge het bestemmingsplan voordoet. De rechter is daarbij niet gebonden aan hetgeen partijen daaromtrent stellen.

2.7. Ingevolge het bestemmingsplan "Molenlaankwartier" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Tuin".

Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn de gronden aangewezen voor "Tuin" bestemd voor: tuin, met de daarbij behorende paden, terrassen en vijvers.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder e, mag op de voor "Tuin" bestemde gronden niet worden gebouwd, behoudens de in een tuin passende bouwwerken, zoals pergola's, keermuren, hellingbanen, (brand)trappen en gebouwde terrassen. Een gebouwd terras mag niet hoger worden dan 0,2 meter boven maaiveld.

Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, mogen bouwwerken, welke op het tijdstip van de ter inzage legging van het ontwerp van dit bestemmingsplan bestaan, dan wel nadien gebouwd worden of kunnen worden gebouwd krachtens een bouwvergunning die is of moet worden verleend en die afwijken van dat plan, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, op voorwaarde dat de bestaande afwijkingen van het plan niet worden vergroot en behoudens onteigening overeenkomstig de wet.

2.8. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat voor het bouwplan van rechtswege bouwvergunning is verleend. Daartoe voert hij in de eerste plaats aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan niet ziet op het realiseren van een ingevolge de bestemming toegestaan bouwwerk.

2.8.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht het recreatieverblijf geen een in een tuin passend bouwwerk, als bedoeld in artikel 19, derde lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften geacht, nu een recreatieverblijf in bouwkundig en planologisch opzicht niet op één lijn kan worden gesteld met een pergola, keermuur, hellingbaan, (brand)trap of terras.

2.8.2. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het in artikel 32 eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften neergelegde overgangsrecht in dit geval van toepassing is. Het bouwplan ziet op het gedeeltelijk vernieuwen van een gebouw als bedoeld in deze bepaling, aldus [appellant].

2.8.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 februari 2006 in zaak nr. 200503095/1), rust de bewijslast dat overgangsrecht van toepassing is op degene die zich daarop beroept, zodat het aan [appellant] is om desgewenst tegenover het dagelijks bestuur aannemelijk te maken dat het bouwplan ziet op het gedeeltelijk vernieuwen van een gebouw, als bedoeld in artikel 32 eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften.

2.8.2.2. Tussen partijen is niet in geschil dat het recreatieverblijf ten tijde van de ter inzage legging van het ontwerp van het bestemmingsplan op het perceel aanwezig was.

2.8.2.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in haar uitspraak van 23 januari 2002 in zaak nr. 200005648/1; AB 2002, 190), kan bouwvergunning slechts worden verleend op een daartoe strekkende aanvraag. Volgens het op verzoek van de rechtbank uitgebrachte deskundigenrapport van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) van 15 april 2008 (hierna: het rapport) ziet het bouwplan blijkens de bouwtekeningen behorend bij de aanvraag, op een algehele vernieuwing van het recreatieverblijf.

Uitgaande van de in het rapport weergegeven feitenvaststelling, heeft de rechtbank in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften neergelegde overgangsrecht in dit geval van toepassing is.

De verwijzing van [appellant] naar de door hem op het conceptverslag van het rapport gegeven reactie geeft geen grond voor het oordeel dat de rechtbank haar oordeel niet op voormelde conclusie heeft kunnen baseren, nu de inhoud van de reacties van partijen in dat rapport zijn opgenomen en de deskundige geen aanleiding hebben gegeven deze conclusie te herzien, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen.

Het betoog faalt.

2.8.2.4. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat het bouwplan met het bestemmingsplan in strijd is, zodat geen bouwvergunning van rechtswege is verleend en heeft zij aldus met juistheid geoordeeld over het tegen het op ontvankelijke bezwaren genomen besluit van 1 mei 2007 ingestelde beroep.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.B. de Haseth, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. De Haseth

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2009

476.