Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ8274

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-09-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
200809413/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen (hierna: het college) geweigerd aan [appellanten] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant]) vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het veranderen van de functie en het wijzigen van de voorgevel van het pand op het perceel [locatie] te Groningen (hierna: het pand).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200809413/1/H1.

Datum uitspraak: 23 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], wonend te [woonplaats],

en [appellant B], wonend te [woonplaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 17 november 2008 in zaak nr. 07/936 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen (hierna: het college) geweigerd aan [appellanten] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant]) vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het veranderen van de functie en het wijzigen van de voorgevel van het pand op het perceel [locatie] te Groningen (hierna: het pand).

Bij besluit van 26 juli 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 november 2008, verzonden op 19 november 2008, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 december 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 23 januari 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 augustus 2009, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. P.M.J. de Goede, advocaat te Groningen, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. I. Simonides, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het pand is gelegen op gronden die ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Binnenstad 1995" de bestemming "Stadscentrum (SC)" hebben.

2.2. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder s, van de planvoorschriften wordt onder sex-inrichting verstaan een gebouw of gedeelte van een gebouw waarin handelingen en/of vertoningen van erotische aard en/of pornografische aard plaatsvinden. Hieronder worden mede begrepen: sexbioscoop, sextheater, sexautomatenhal, sexwinkel.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden die op de plankaart zijn aangegeven als "Stadscentrum" (SC) bestemd voor wonen, onderwijs, detailhandel, horeca, sociaal-culturele voorzieningen, bedrijven, groothandel en dienstverlening.

Ingevolge het tweede lid, onder a, nadere regeling bestemmingen.algemeen, onderdeel 1, van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming Stadscentrum (SC), die onderverdeeld zijn in een achttal functiecategorie├źn zoals aangegeven in artikel 5, eerste lid, per straat van het plangebied bestemd als primaire, secundaire en tertiaire doeleinden op een wijze, zoals aangeduid in de functiebijlage behorende bij dit voorschrift.

Ingevolge dat lid, onder a, onderdeel 2, is deze functiesystematiek van toepassing voor de eerste en tweede bouwlaag.

Ingevolge dat lid, onder a, onderdeel 4, dienen de minimum- en maximumeisen van de primaire, secundaire en tertiaire doeleinden als bedoeld in het eerste lid, zoals aangegeven in de functiebijlage behorende bij dit voorschrift, in acht te worden genomen.

Ingevolge dat lid, onder f, nadere regeling bestemmingen.sexinrichtingen alsmede automaten-/amusementshallen, onderdeel 1, is het uitsluitend daar waar dat op kaart 3 staat aangegeven toegestaan gronden te bebouwen en te gebruiken ten dienste van sexinrichtingen.

Ingevolge dat lid, onder h, nadere regeling bestemmingen.dienstverlening, is slechts daar, waar in de functiebijlage in de kolom "Bijzonderheden" prostitutie is genoemd, prostitutie tot het daar genoemde maximum toegestaan.

Ingevolge het derde lid, onder a, onderdeel 1, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van de aangegeven maximum- en minimumeisen als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder "nadere regeling bestemmingen.algemeen" door de percentages te verhogen respectievelijk te verlagen met maximaal het getal 5.

Ingevolge dat lid, onder d, onderdeel 1 zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in artikel 5, tweede lid, onder "nadere regelingen bestemmingen.sexinrichtingen enz" voor het bouwen en gebruiken van de gronden ten behoeve van sexinrichtingen in die zin, dat deze vrijstelling uitsluitend verleend kan worden voor maximaal twee nieuwe vestigingen in het gehele plangebied, doch uitsluitend daar waar dit op kaart 3 is aangegeven.

2.3. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Het college heeft geweigerd toepassing te geven aan de bevoegdheid voor het bouwplan vrijstelling te verlenen krachtens artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO). Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het bouwplan in strijd is met zijn conserverende beleid met betrekking tot prostitutie-inrichtingen. Het college heeft in dat kader onder meer gewezen op het bestemmingsplan, de Algemene Plaatselijke Verordening Groningen, het Aanwijzingsbesluit (concentratie)gebieden prostitutie-inrichtingen (hierna: het Aanwijzingsbesluit) en de Staat bestaande prostitutie-inrichtingen met nadere eisen (hierna: de Staat). Het college heeft geen aanleiding gezien om van zijn beleid af te wijken en heeft overwogen dat de belangen van [appellant] niet opwegen tegen het algemeen belang.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college vrijstelling kon verlenen krachtens artikel 5, derde lid, onder a, onderdeel 1 of onder d, onderdeel 1, van de planvoorschriften.

2.4.1. Dit betoog faalt. Niet in geschil is dat in de situatie ten tijde van het besluit op bezwaar het maximale percentage aan prostitutie-inrichtingen op de verdieping, zoals neergelegd in de bij het bestemmingsplan behorende functiebijlage Nieuwstad, reeds met 10% werd overschreden. Toepassing van artikel 5, derde lid, onder a, onderdeel 1, van de planvoorschriften kan de strijd met het bestemmingsplan derhalve niet opheffen. Evenmin biedt artikel 5, derde lid, onder d, onderdeel 1, van de planvoorschriften soelaas. Hoewel een prostitutie-inrichting, uitgaande van de letterlijke tekst van de definitie van sex-inrichting als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder s, van de planvoorschriften, onder deze definitie valt, blijkt uit de onderlinge systematiek van de planvoorschriften, en in het bijzonder artikel 5, tweede lid, onder h, van de planvoorschriften, evenwel dat de planwetgever prostitutie, die ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan nog illegaal was, uitdrukkelijk onder de functie dienstverlening en niet onder sex-inrichtingen heeft geschaard. Het voorgaande wordt bevestigd in de toelichting op het bestemmingsplan. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren vrijstelling krachtens artikel 19 van de WRO voor het bouwplan te verlenen. Daartoe voert hij aan dat het woon- en leefklimaat in de omgeving van het pand zich niet verzet tegen het realiseren van het bouwplan en dat het bouwplan in overeenstemming is met het beleid van het college met betrekking tot prostitutie-inrichtingen voor zover dit het maximaal aantal prostitutiepanden in de Nieuwstad betreft. Voorts betoogt [appellant] dat het college, voor zover het bouwplan in strijd met het beleid moet worden geacht, ten onrechte geen uitzondering heeft gemaakt op dit beleid, nu het pand feitelijk slechts als prostitutie-inrichting kan worden gebruikt, omdat het in de Staat is aangewezen als pand dat als prostutie-inrichting gebruikt kan worden indien een prostitutie-inrichting in de Muurstraat wordt gesloten.

2.5.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het bouwplan in strijd is met het door het college gehanteerde conserverend beleid met betrekking tot prostitutie-inrichtingen in de Nieuwstad, zoals neergelegd in artikel 1 van het Aanwijzingsbesluit, nu hierin is bepaald dat in de Nieuwstad maximaal 40 panden met een prostitutie-inrichting zijn toegestaan en dit aantal ten tijde van het besluit op bezwaar reeds was bereikt. Op dit beleid kan, zoals ter zitting door het college ook nader is toegelicht, een uitzondering worden gemaakt, indien de vestiging van een prostitutie-inrichting in de Nieuwstad inhoudt dat in de Muurstraat een prostitutie-inrichting verdwijnt. Van dit laatste is echter niet gebleken.

2.5.2. Het college heeft in het besluit op bezwaar gemotiveerd aangegeven waarom het niet wil afwijken van zijn beleid. De enkele omstandigheid dat de Nieuwstad is gelegen in een gebied waar zich meerdere prostitutie-inrichtingen bevinden en het woon- en leefklimaat in de omgeving zich in zoverre niet tegen het bouwplan verzet, zoals door [appellant] is betoogd en hetgeen door het college niet wordt betwist, brengt niet met zich dat het college - in afwijking van zijn beleid - medewerking aan het bouwplan diende te verlenen. [appellant] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat het pand slechts als prostitutie-inrichting is te gebruiken en het pand, indien dergelijk gebruik niet wordt toegestaan, waardeloos zou zijn. Vast staat dat 46% van de straatwandlengte van de Nieuwstad op de begane grond en 78% op de verdieping niet als prostitutie-inrichting wordt gebruikt. Het onderhavige pand had laatstelijk de functie kantoor- en opslagruimte. De enkele omstandigheid dat het pand niet als zodanig wordt gebruikt en thans leeg staat brengt niet met zich dat het pand slechts als prostitutie-inrichting te gebruiken valt. In het betoog van [appellant] zijn dan ook geen omstandigheden gelegen die het college er toe noopten om - in afwijking van zijn beleid - medewerking te verlenen aan het bouwplan. Het is voorts niet gebleken dat de weigering van de vrijstelling, zoals door [appellant] ter zitting is betoogd, zou zijn ingegeven door de persoon van de aanvrager en de omstandigheid dat hij geen pand in de Muurstraat bezit. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling te verlenen krachtens artikel 19 van de WRO.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. S.F.M. Wortmann, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van Driel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2009

414-580.