Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ8270

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-09-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
200808700/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juli 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het veranderen en vergroten van de winkelruimte op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200808700/1/H1.

Datum uitspraak: 23 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 21 oktober 2008 in zaak nr. 08/2707 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het veranderen en vergroten van de winkelruimte op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 16 januari 2008 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 oktober 2008, verzonden op 23 oktober 2008, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 16 januari 2008 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 december 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 12 januari 2009.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 augustus 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J.T.M. de Haan-Bergisch, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. E.L. Hoogstraate, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord [vergunninghouder].

2. Overwegingen

2.1. Op het perceelsgedeelte waar het bouwplan is voorzien rust ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bloemendaals Dorp" de bestemming "Dorpsdoeleinden (D4)". Vast staat dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, nu het is voorzien buiten het bouwvlak. Teneinde bouwvergunning te verlenen, heeft het college vrijstelling verleend met toepassing van artikel 5, vierde lid, van de planvoorschriften.

2.2. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als "Dorpsdoeleinden (D)" aangewezen gronden bestemd voor gemengde doeleinden in of nabij de oude dorpskern.

Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, zijn toegelaten:

a. woningen en wooneenheden; (..)

e. winkels (..).

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder a, mogen de gebouwen uitsluitend binnen het op de kaart aangegeven bouwvlak worden gebouwd.

Ingevolge het vierde lid, voor zover hier van belang, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in dit artikel teneinde bebouwing toe te staan op gronden met de bestemming "Dorpsdoeleinden (D4)" waarop bebouwing tot een bouwhoogte van maximaal 4,00 meter is toegelaten indien dit voor de bedrijfsvoering noodzakelijk is, met dien verstande dat:

a. het bepaalde in lid 2 sub a niet van toepassing is;

b. maximaal 75% van het tot elk perceel behorende gedeelte van de gronden met de in lid 1 genoemde bestemming mag worden volgebouwd.

2.3. Het college betoogt dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden voor zover zij heeft overwogen dat geen vergunning had mogen worden verleend voor de bouw van het dakterras op de uitbouw, omdat dit in strijd is met artikel 5, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften. Het college betoogt subsidiair dat het bouwplan niet met deze bepaling in strijd is.

2.3.1. [wederpartij] heeft in beroep bij de rechtbank aangevoerd dat het college in redelijkheid geen vrijstelling voor het bouwplan kon verlenen, nu hij als gevolg van het voorziene dakterras in zijn privacy zal worden aangetast. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 september 2006 in zaak nr. 200600067/1) kan de vraag of het college in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen niet los worden gezien van de vraag of het college bevoegd was vrijstelling te verlenen. De rechtbank is dan ook niet buiten de omvang van het geding getreden door te beoordelen of het college bevoegd was vrijstelling te verlenen voor het dakterras krachtens artikel 5, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat het college niet bevoegd was om vrijstelling te verlenen voor zover het bouwplan voorziet in het oprichten van een dakterras ten behoeve van de woning van [vergunninghouder]. Dit volgt reeds uit het bepaalde in de aanhef van dit artikellid, nu het dakterras niet noodzakelijk voor de bedrijfsvoering kan worden geacht, zodat niet wordt toegekomen aan toetsing aan het bepaalde in artikel 5, vierde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften.

Het betoog faalt.

2.4. Het college betoogt dat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan artikel 5, vierde lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften. Het college voert aan dat uit het planvoorschrift en de toelichting daarop blijkt dat het bevoegd is vrijstelling te verlenen tot maximaal 75% bebouwing op de gronden met de bestemming "Dorpsdoeleinden (D4)", en niet, zoals de rechtbank heeft overwogen, tot maximaal 75% van de gronden met de bestemming "Dorpsdoeleinden".

2.4.1. Vooropgesteld wordt dat "Dorpsdoeleinden (D4)" geen afzonderlijke bestemming, maar een aanduiding binnen de bestemming "Dorpsdoeleinden (D)" betreft die ziet op de maximale hoogte van de bebouwing. Artikel 5, vierde lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften verwijst naar de in het eerste lid genoemde bestemming "Dorpsdoeleinden (D)" en bepaalt dat maximaal 75% van het tot elk perceel behorende gedeelte van de gronden met deze bestemming mag worden volgebouwd. Alhoewel niet eenduidig is waar het woord "gedeelte" in dit artikel betrekking op heeft, biedt de tekst geen aanknopingspunten voor het door het college ingenomen standpunt dat maximaal 75% van de gronden met de aanduiding D4 mag worden gebouwd. Gelet op de samenhang tussen het woord "gedeelte" en de daar direct aan voorafgaande zinsnede "het tot elk perceel behorende" ziet het maximale bebouwingspercentage op het totale perceel. Hieruit volgt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat krachtens artikel 5, vierde lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften vrijstelling kan worden verleend voor zover daarmee niet meer dan 75% van het gedeelte van het betreffende perceel waarop de bestemming "Dorpsdoeleinden (D)" rust wordt volgebouwd en het college voornoemd planvoorschrift derhalve niet op de juiste wijze heeft toegepast. De niet eenduidige toelichting geeft geen aanleiding tot een andere opvatting.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. S.F.M. Wortmann, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van Driel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2009

414-580.