Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ8266

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-09-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
200906367/1/H1 en 200906367/2/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 24 en 25 maart 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) [appellanten A], alsmede [appellanten B] (hierna: de kentekenhouders) op straffe van bestuursdwang gelast de zonder bouwvergunning op, dan wel voor, de woonwagenstandplaatsen 1961, 1963 en 1981 van het woonwagencentrum Escamplaan (hierna: het woonwagencentrum) te Den Haag geplaatste tourcaravans te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906367/1/H1 en 200906367/2/H1.

Datum uitspraak: 16 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellanten A] en [appellanten B], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 20 augustus 2009 in de zaken nrs. 09/4932 en 09/5210 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 24 en 25 maart 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) [appellanten A], alsmede [appellanten B] (hierna: de kentekenhouders) op straffe van bestuursdwang gelast de zonder bouwvergunning op, dan wel voor, de woonwagenstandplaatsen 1961, 1963 en 1981 van het woonwagencentrum Escamplaan (hierna: het woonwagencentrum) te Den Haag geplaatste tourcaravans te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 23 juni 2009 heeft het college de door [appellanten A] en de kentekenhouders daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 augustus 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter) het door [appellanten A] en de kentekenhouders daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten A] en de kentekenhouders bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 augustus 2009, hoger beroep ingesteld. Voorts hebben zij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college en [appellanten A] en de kentekenhouders hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 september 2009, waar [appellanten A] en de kentekenhouders, vertegenwoordigd door mr. S.J.M. Jaasma, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet aan de beoordeling van de zaak bijdragen en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. [appellanten A] en de kentekenhouders betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het besluit van 23 juni 2009 niet aan de wettelijke eisen voldoet, omdat een motivering ontbreekt.

In dat besluit wordt ter motivering verwezen naar het desbetreffende advies van de Adviescommissie bezwaarschriften. Dit advies, dat als bijlage bij het besluit op bezwaar is gevoegd, bevat de motivering van het besluit op bezwaar. Het vorenstaande in aanmerking genomen, heeft de voorzieningenrechter in het in beroep aangevoerde terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat dat besluit een motivering ontbeert.

2.3. [appellanten A] en de kentekenhouders betogen verder dat de voorzieningenrechter, door te overwegen dat de tourcaravans bouwwerken betreffen, voor het plaatsen waarvan bouwvergunning is vereist, heeft miskend dat deze van een kenteken zijn voorzien, ingericht om over de weg te rijden en niet bedoeld om permanent te worden geplaatst, omdat zij niet geschikt zijn voor permanente bewoning.

2.3.1. Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder b, voor zover thans van belang, is het verboden een bouwwerk, standplaats of deel daarvan dat is gebouwd zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning, in stand te laten.

Ingevolge het tweede lid is voor het bouwen van een tent, tentwagen, kampeerauto, caravan of stacaravan ten behoeve van recreatief nachtverblijf geen bouwvergunning vereist, indien het bouwen geschiedt in overeenstemming met een bestemmingsplan en de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

2.3.2. Niet in geschil is dat de tourcaravans zonder bouwvergunning zijn geplaatst op, dan wel voor, de standplaatsen 1961, 1963 en 1981 van het woonwagencentrum.

De voorzieningenrechter heeft de tourcaravans niet ten onrechte als bouwwerken aangemerkt, voor het plaatsen waarvan ingevolge artikel 40 van de Woningwet bouwvergunning is vereist, omdat deze op de plaats van bestemming hetzij direct, hetzij indirect, steun vinden op de grond en een plaatsgebonden karakter hebben, nu de caravans reeds gedurende enkele maanden op dezelfde plaats staan. Dat het, naar [appellanten A] en de kentekenhouders stellen, niet de bedoeling is de caravans daar voor een langere periode te plaatsen, leidt niet tot een ander oordeel. Daartoe wordt in aanmerking genomen dat de caravans op nutsvoorzieningen zijn aangesloten en het college onweersproken heeft gesteld dat zij door [appellanten A] als woonverblijf worden gebruikt. Het betoog dat slechts een bouwvergunning nodig is bij plaatsing ten behoeve van permanente bewoning, vindt geen steun in de Woningwet.

Voorts heeft de voorzieningenrechter met juistheid artikel 40, tweede lid, van de Woningwet niet van toepassing geacht, nu het, mede gezien het vorenstaande, niet om recreatief nachtverblijf gaat. Het betoog faalt.

2.4. Het betoog van [appellanten A] en de kentekenhouders dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de kentekenhouders mochten worden aangeschreven, omdat slechts [appellanten A] in staat zijn de overtreding te beƫindigen, faalt evenzeer.

Het college heeft mogen aannemen dat de kentekenhouders het als eigenaar van de tourcaravans in hun macht hebben om de caravans te verwijderen of doen te verwijderen. Dat zij de caravans aan [appellanten A] in bruikleen hebben gegeven, leidt niet tot een ander oordeel.

2.5. [appellanten A] en de kentekenhouders betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat sprake is van bijzondere omstandigheden, in verband waarmee het college van handhavend optreden had moeten afzien.

2.5.1. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het dat niet doen. Dit kan zich voordoen, indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat in verband daarmee van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5.2. De voorzieningenrechter heeft terecht geen concreet zicht op legalisatie aanwezig geacht. Onweersproken is dat de tourcaravans niet aan de eisen van het Bouwbesluit, met name inzake brandveiligheid, voldoen en daarom bouwvergunning voor hun plaatsing wegens strijd met artikel 44, eerste lid, onder a, van de Woningwet, indien aangevraagd, zou moeten worden geweigerd. Voor zover [appellanten A] en de kentekenhouders in dit verband betogen dat de tourcaravans, gezien de duur dat deze op het perceel aanwezig zijn, onder het in het ter plaatste geldende bestemmingsplan opgenomen overgangsrecht vallen, kan dit betoog, wat van de stelling verder zij, niet leiden tot het door hen gewenste resultaat, reeds omdat strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan niet is aangevoerd als grond om aan te nemen dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Evenmin leidt de stelling dat de tourcaravans kunnen worden vervangen door caravans die wel aan de eisen van het Bouwbesluit voldoen tot het oordeel dat ten onrechte geen concreet zicht op legalisatie is aangenomen, nu het thans gaat om de ten tijde van de last en besluit van 23 juni 2009 op, dan wel voor, de standplaatsen 1961, 1963 en 1981 geplaatste tourcaravans.

2.5.3. De enkele stelling van [appellanten A] en de kentekenhouders dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft besloten, omdat op het woonwagencentrum nog nooit een bouwvergunning voor een woonwagen is afgegeven, is onvoldoende voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel. Bovendien betreft de last tourcaravans en geen woonwagens.

2.5.4. De voorzieningenrechter heeft voorts de door [appellanten A] gestelde omstandigheden die betrekking hebben op het ontruimen van de woonwagenstandplaatsen op het woonwagencentrum, waaronder de ontheffingen ex artikel 10 van de Woonwagenwet, de omstandigheid dat aan hen geen vervangende standplaats is aangeboden, alsmede de wijze waarop de door [appellant sub A1] getekende vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen, terecht geen bijzondere omstandigheden geacht die het college ertoe noopten om van handhavend optreden ten aanzien van de tourcaravans af te zien. De last heeft geen betrekking op de woonwagens en de standplaatsen, maar op de tourcaravans die zonder bouwvergunning op, dan wel voor, de standplaatsen 1961, 1963 en 1981 zijn geplaatst. Dat de voorzieningenrechter van onjuiste feiten en omstandigheden is uitgegaan, is niet aannemelijk gemaakt. Voorts brengt de enkele stelling dat het college bekend was met de illegale bebouwing, maar gedurende enige tijd daartegen geen handhavingsmaatregelen heeft getroffen, wat hier verder van zij, niet met zich dat het niet meer tot handhavend optreden mocht besluiten. Daartoe wordt mede in aanmerking genomen dat de bewoners van het woonwagencentrum bij brieven van de directeur van Bouwen, Toezicht en Dienstverlening en van de Dienst Stedelijke Ontwikkeling van de gemeente van 20 september 2007 en 9 december 2008 zijn gewezen op de gevolgen van het illegaal plaatsen van tourcaravans op, dan wel voor, een standplaats.

2.6. Het beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Gelet hierop, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Montagne

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2009

374.