Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ8263

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-09-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
200900845/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 september 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden (hierna: het college) een verklaring als bedoeld in artikel 8.19, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer met betrekking tot een verandering van een agrarisch bedrijf met akkerbouw, varkenshouderij en melkveehouderij (hierna: de inrichting) van [vergunninghouder] (hierna: vergunninghouder) gelegen aan [locatie] te [plaats], gegeven.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.19
Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer
Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer 5.19
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2009/119 met annotatie van Zigenhorn
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200900845/1/M2.

Datum uitspraak: 23 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 september 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden (hierna: het college) een verklaring als bedoeld in artikel 8.19, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer met betrekking tot een verandering van een agrarisch bedrijf met akkerbouw, varkenshouderij en melkveehouderij (hierna: de inrichting) van [vergunninghouder] (hierna: vergunninghouder) gelegen aan [locatie] te [plaats], gegeven.

Bij besluit van 23 december 2008 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 januari 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingezonden. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 augustus 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. drs. F.K. van den Akker, advocaat te Eindhoven, en het college, vertegenwoordigd door mr. D.M.C. van Laerhoven werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is daar vergunninghouder als partij gehoord, vertegenwoordigd door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 27 augustus 2002 is voor de inrichting een revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend voor een veehouderij.

Bij uitspraak van 23 april 2003 in zaakno. 200205583/1 heeft de Afdeling het daartegen door onder meer [appellant] ingestelde beroep gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit vernietigd voor zover daarbij vergunning is verleend voor het houden van dieren in stal G en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

Blijkens de melding wordt stal C omgebouwd van een stal waarin jongvee werd gehouden naar een opslagplaats voor werktuigen en een werkplaats.

2.2. [appellant] voert aan dat het college de melding ten onrechte heeft geaccepteerd. Hij vreest dat het in gebruik nemen van de voormalige stal als werkplaats en opslagplaats, leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften mag veroorzaken. De melding bevat naar zijn mening onvoldoende informatie om daar inzicht in te verkrijgen. Volgens hem ontstaat een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend.

2.3. Ingevolge artikel 8.19, eerste lid, van de Wet milieubeheer geldt een voor een inrichting verleende vergunning tevens voor veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken, onder de voorwaarde dat:

a. deze veranderingen niet leiden tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend;

b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk overeenkomstig de krachtens het zesde lid, onder a, gestelde regels aan het bevoegd gezag is gemeld, en

c. het bevoegd gezag aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan de aanhef en onderdeel a en de verandering naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot toepassing van de artikelen 8.22, 8.23 of 8.25.

Ingevolge artikel 5.19 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer vermeldt de vergunninghouder bij een melding als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid (lees: eerste lid), van de Wet milieubeheer:

a. zijn naam;

b. de vergunning of vergunningen krachtens welke de inrichting opgericht dan wel in werking is;

c. de beoogde verandering van de inrichting of de werking daarvan:

d. gegevens waaruit blijkt van welke onderdelen en in welke mate van de onder b bedoelde vergunning of vergunningen en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften wordt afgeweken;

e. gegevens waaruit blijkt dat de beoogde verandering van de inrichting of van de werking daarvan niet leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken;

f. het tijdstip waarop beoogd wordt de voorgenomen verandering te verwezenlijken.

2.4. Uit het meldingsformulier blijkt dat stal C waarin voorheen jongvee werd gehouden wordt omgebouwd tot een opslagplaats van werktuigen en werkplaats. Niet is vermeld op welke werktuigen de opslag betrekking heeft, of sprake is van een toename van de opslag, voor welke werkzaamheden de werkplaats zal dienen en in hoeverre met deze wijzigingen van de voor de inrichting in 2002 verleende vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften wordt afgeweken.

2.5. In het bestreden besluit is in dit verband overwogen dat de opslag betrekking heeft op werktuigen die nu ook in de inrichting aanwezig zijn maar buiten worden gestald. Wat betreft de werkzaamheden wordt opgemerkt dat de activiteiten in de werkplaats agrarisch gebonden moeten zijn en het gebruik wordt beperkt door de verleende milieuvergunning en de daarin opgenomen voorschriften. De melding biedt evenwel geen inzicht in het aantal en de herkomst van de werktuigen in de opslag. Evenmin biedt de melding inzicht in de werkzaamheden die in de werkplaats zullen gaan plaatsvinden.

Hieruit volgt dat de melding niet voldoende gegevens bevat op grond waarvan kan worden vastgesteld van welke onderdelen en in welke mate van de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften wordt afgeweken. Voorts bevat de melding onvoldoende gegevens waaruit blijkt dat de beoogde verandering van de inrichting of van de werking daarvan, niet leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften mag veroorzaken.

Gelet hierop voldoet de melding niet aan artikel 8.19, zesde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, gelezen in samenhang met artikel 5.19, aanhef en onder c, d en e , van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Het college heeft niet in redelijkheid kunnen oordelen dat de melding voldoende informatie bevat om een goede beoordeling mogelijk te maken of de beoogde verandering van de inrichting voldoet aan de vereisten van artikel 8.19, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Door de melding in behandeling te nemen en daarop inhoudelijk te beslissen heeft het college gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien.

2.7. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. De zaak is tezamen met zaak nummer 200808630/1 ter zitting behandeld. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding de te vergoeden kosten voor het bijwonen van de zitting en de reiskosten te beperken tot 50% van de voor vergoeding in aanmerking komende kosten.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden van 23 december 2008;

III. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden van 1 september 2008;

IV. bepaalt dat de melding van [vergunninghouder] van 4 juli 2008 buiten behandeling wordt gelaten;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 1 september 2008;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; ;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 498,20 (zegge: vierhonderdachtennegentig euro en twintig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Taal

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2009

325.