Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ7787

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-09-2009
Datum publicatie
16-09-2009
Zaaknummer
200901433/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juli 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden (hierna: het college) een verzoek van [appellanten] om [partij] te gelasten de heg aan de [locatie] te [plaats] (hierna: de heg) te snoeien afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901433/1/H3.

Datum uitspraak: 16 september 2009.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats], gemeente Reusel-De Mierden,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 15 januari 2009 in zaak nr. 08/652 in het geding tussen:

[partij], wonend te [woonplaats], gemeente Reusel-De Mierden

en

het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden (hierna: het college) een verzoek van [appellanten] om [partij] te gelasten de heg aan de [locatie] te [plaats] (hierna: de heg) te snoeien afgewezen.

Bij besluit van 18 januari 2008 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en [partij] op straffe van een dwangsom gelast de heg binnen zes weken tot een hoogte van een meter terug te snoeien en teruggesnoeid te houden.

Bij uitspraak van 15 januari 2009, verzonden op 3 februari 2009, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [partij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 februari 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden ervan zijn aangevuld bij brief van 20 maart 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 25 februari 2009 heeft het college, opnieuw op het gemaakte bezwaar beslissend, dat bezwaar ongegrond verklaard en de last ingetrokken.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 augustus 2009, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. J.M. Smits, werkzaam bij SRK rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.M.W. Verouden, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is daar [partij], vertegenwoordigd door mr. G.H. Rompen, advocaat te Eersel, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Artikel 2.1.6.3 van de Algemene Plaatselijke Verordening Reusel-De Mierden 2007 (hierna: de APV) luidt: "Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert."

2.2. [appellanten] betogen dat de rechtbank, door te overwogen dat het in die bepaling neergelegde verbod slechts wordt overtreden, indien het vrije uitzicht van het wegverkeer wordt belemmerd en door die belemmering tevens hinder of gevaar voor het wegverkeer ontstaat, daaraan een onjuiste uitleg heeft gegeven. Volgens hen is het verbod overtreden, reeds omdat het vrije uitzicht voor het wegverkeer door de heg wordt belemmerd en heeft het college, omdat het een beginselplicht tot handhaving heeft, terecht besloten handhavend tegen de overtreding op te treden.

2.2.1. Dit betoog slaagt. De rechtbank heeft, door te overwegen dat de voormelde bepaling slechts wordt overtreden, indien de belemmering van het vrije uitzicht voor het wegverkeer tevens hinder of gevaar oplevert, een onjuiste uitleg gegeven aan de bepaling. Ingevolge de bepaling is belemmering van het vrije uitzicht voor het wegverkeer door het hebben van beplanting op zichzelf een overtreding van het verbod.

Niet in geschil is dat de heg het vrije uitzicht voor het verkeer belemmert. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat [partij] met het hebben van de heg artikel 2.1.6.3 van de APV niet overtreedt.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [partij] tegen het besluit van 18 januari 2008 ingestelde beroep beoordelen.

2.4. [partij] heeft in beroep aangevoerd dat het college heeft miskend dat door de belemmering door de heg van het vrije uitzicht geen hinder of gevaar voor het wegverkeer ontstaat. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.2.1. is overwogen, kan dat betoog niet slagen. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.5. Het besluit van 25 februari 2009 wordt ingevolge het bepaalde in de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, geacht mede voorwerp te zijn van de beoordeling.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is aan dat besluit de grondslag komen te ontvallen. Om die reden zal de Afdeling het vernietigen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.7. Redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het griffierecht door de Secretaris van de Raad van State aan [appellanten] wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 15 januari 2009 in zaak nr. 08/652;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. verklaart het beroep tegen het besluit van 25 februari 2009 gegrond;

V. vernietigt dat besluit;

VI. bepaalt dat de Secretaris van de Raad van State aan [appellanten] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 223,00 (zegge: tweehonderddrieëntwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2009.

176-622.