Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ7778

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-09-2009
Datum publicatie
16-09-2009
Zaaknummer
200807589/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 augustus 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Fryslân (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Intervak Harlingen B.V. (hierna: Intervak) een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een scheepswerf op het perceel Industrieweg 8 te Harlingen. Dit besluit is op 1 september 2008 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2009/3431
Omgevingsvergunning in de praktijk 2009/4602
JOM 2011/172
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807589/1/M1.

Datum uitspraak: 16 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SizePlan B.V., gevestigd te Harlingen,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 augustus 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Fryslân (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Intervak Harlingen B.V. (hierna: Intervak) een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een scheepswerf op het perceel Industrieweg 8 te Harlingen. Dit besluit is op 1 september 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SizePlan B.V. (hierna: SizePlan) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 oktober 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juni 2009, waar SizePlan, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. E.A. Verbuijs en ing. E.J. Hageman, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Intervak, vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het beroep richt zich tegen de vergunning voor zover daarbij tewaterlatingen van schepen zijn toegestaan.

2.2. SizePlan betoogt - kort samengevat - dat bij het bestreden besluit ten onrechte de tewaterlating van schepen via de volgens haar niet meer hedendaagse zogenoemde vrijeval-/glijmethode is toegestaan. Deze wijze van tewaterlating veroorzaakt een vloedgolf die het terrein van SizePlan overspoelt met alle hinder en schade van dien. Dit zou blijken uit de hinder en schade ondervonden van een tewaterlating vanuit de inrichting in 2006.

Volgens Sizeplan had bij het bestreden besluit moeten worden voorgeschreven dat een plan van aanpak wordt opgesteld ten aanzien van toekomstige schade aan de damwand, gebouwen, het boothuis en afgemeerde schepen als gevolg van de tewaterlating van schepen door Intervak.

2.2.1. Het college brengt naar voren dat bedoelde methode van tewaterlating ingevolge de al eerder ten behoeve van de inrichting verleende vergunningen was toegestaan. Het college wijst erop dat deze methode zeer gebruikelijk is en dat ten hoogste drie keer per jaar alleen grotere schepen via deze methode te water zullen worden gelaten. In het verleden hebben tewaterlatingen vanaf deze scheepswerf niet tot klachten of schadeclaims aanleiding gegeven. De stelling van SizePlan dat de tewaterlating in 2006 heeft geleid tot schade aan de kademuur en verzakkingen van het terrein is niet onderbouwd. Een plan van aanpak ter voorkoming of beperking van hinder en schade kan niet worden voorgeschreven nu dit een privaatrechtelijke kwestie betreft die niet in een milieuvergunning aan de orde kan komen, aldus het college.

2.2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.2.3. Uit het deskundigenbericht kan worden afgeleid dat de vrijeval-/glijmethode als de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare techniek voor de tewaterlating van grotere schepen kan worden beschouwd. Vanwege de beperkte breedte van de vaart ter plaatse zijn er praktische bezwaren tegen andere wijzen van tewaterlating van grotere schepen.

Wat de damwand van stalen profielen, die de kademuur vormt, en de verharding van de kade van het terrein van SizePlan betreft is ter zitting gebleken dat deze in eigendom en beheer zijn van Rijkswaterstaat. Volgens het deskundigenbericht biedt de kademuur, indien deze in goede staat verkeert, voldoende bescherming aan de kade tegen mogelijke schade als gevolg van de tewaterlating van grotere schepen. Ook wat de verharding van de kade betreft wordt er in het deskundigenbericht op gewezen dat deze in goede staat van onderhoud moet verkeren, dat wil zeggen egaal, aaneengesloten en zonder ontbrekende bestrating. Verder kan volgens het deskundigenbericht door het nemen van organisatorische en technische maatregelen schade aan de gebouwen, het boothuis en afgemeerde schepen van SizePlan worden voorkomen dan wel zoveel mogelijk worden beperkt.

Deze maatregelen bestaan uit het opruimen van het terrein van SizePlan, het tijdelijk verplaatsen van schepen en andere vaartuigen en het beschermen van loodsen en gebouwen door het aanbrengen van staalplaten. Bij de laatste tewaterlating in 2006 zijn deze maatregelen ook getroffen.

Er is geen aanleiding om in zoverre aan de juistheid van het deskundigenbericht te twijfelen.

2.2.4. Boven beschreven onderhoudsmaatregelen en organisatorische en technische maatregelen waarmee hinder en schade ten gevolge van tewaterlatingen via de vrijeval-/glijmethode kunnen worden voorkomen of beperkt strekken zich uit buiten het terrein van de inrichting en vereisen de medewerking van derden, waaronder de eigenaar van de kademuur en de kade en de eigenaren van de bij SizePlan aangemeerde schepen en andere vaartuigen. Nu niet gebleken is dat deze medewerking op voorhand zeker is gesteld heeft naar het oordeel van de Afdeling het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen voorschrift aan de vergunning kon worden verbonden dat de medewerking van derden vooronderstelt.

De beroepsgrond faalt.

2.3. SizePlan betoogt dat de meldperiode voor tewaterlatingen van een week in voorschrift 1.1.11 veel te kort is.

2.3.1. Het college acht deze termijn voor omwonenden en nabijgelegen bedrijven voldoende om tijdig maatregelen en voorzieningen te kunnen treffen.

2.3.2. Ter zitting is gebleken dat twee tot drie weken van te voren bij Intervak bekend is wanneer een tewaterlating zal plaatsvinden. Gezien vorengenoemde maatregelen ter voorkoming en beperking van schade en de tijd die is gemoeid met de voorbereidingen die daartoe moet worden getroffen, is de Afdeling van oordeel dat het college in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de termijn in het aan de vergunning verbonden voorschrift 1.1.11 is beperkt tot een week.

De beroepsgrond slaagt.

2.4. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het besluit komt voor vernietiging in aanmerking voor zover het voorschrift 1.1.11 betreft.

2.5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Fryslân van 22 augustus 2008 met kenmerk 00771794 voor zover het voorschrift 1.1.11 betreft;

III. draagt het college van gedeputeerde staten van Fryslân op binnen twaalf weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

V. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Fryslân aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SizePlan B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Plambeck

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2009

159-579.